Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het opzetten van een hennepkwekerij met 74 planten (opzettelijk…

Rechtbank Gelderland, 2 februari 2026

Zaakgegevens

Op 2 februari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
2 februari 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
05/163501-25 vonnis
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5908
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het opzetten van een hennepkwekerij met 74 planten (opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet en met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod) tot een taakstraf van 80 uur. Vrijspraak van feiten 2 en 3.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/163501-25

Datum uitspraak : 2 februari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. C.A.C. Kooijmans, advocaat in Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 74 planten, althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 maart 2025 tot en met

31 maart 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Liander, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 maart 2025 tot en met

31 maart 2025 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk een elektriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen op/aan [adres] te Nijmegen) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt, een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten is geweest, althans daardoor verhindering en/of bemoeilijking van de stroomlevering ten algemene nutte is ontstaan, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) in dat pand

- een of meer zegels van de huisaansluitingskast te verbreken ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening en/of (vervolgens)

- een (illegale) elektriciteitskastaansluiting aan te brengen die (buiten de meter om) een/of meer deel/delen van de woning en/of het pand (inclusief de daarin aanwezige hennepkwekerij) van elektriciteit voorzag en/of (vervolgens)

- ( door voornoemde handelingen) meerdere onderdelen, waaronder een voorschakelapparaat op het schakelbord, onder stroom/elektriciteit te zetten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de feiten, zoals deze ten laste zijn gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat verdachte geen directe betrokkenheid had bij de hennepkwekerij noch bij de diefstal van de stroom, en dat met betrekking tot feit 3 dan ook niet kan worden gezegd dat hij degene is geweest die de gevaarzetting heeft veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Op 31 maart 2025 stelde de politie naar aanleiding van een brand onderzoek in op [adres] in Nijmegen, het adres waar verdachte op dat moment stond ingeschreven. Er werd een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 74 hennepplanten.

Toen de politie ter plaatse kwam, verklaarde verdachte uit zichzelf dat hij op de eerste etage een hennepkwekerij had. Verder heeft verdachte verklaard dat een man, die verdachte via via kende, de hennepkwekerij heeft opgebouwd. Verdachte en de man hebben afgesproken dat ze de winst zouden delen. Ze zouden de hennepplanten samen verzorgen. Verdachte heeft de hennepplanten twee keer water gegeven. De man wilde op de zolder van verdachte nog een kweekruimte opbouwen, maar dat heeft verdachte tegengehouden. Verdachte wilde geen losse verkoop aan zijn huis, daarom heeft hij met de man afgesproken dat, als de hennepplanten eenmaal konden worden geoogst, de oogst naar een coffeeshop zou gaan. Tot slot wilde verdachte dat er een schoon filter zou worden gebruikt in de koolstoffilters, zodat zijn buren geen last van de geur zouden hebben.

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte niet alleen wetenschap had van de hennepkwekerij, maar daar verregaande betrokkenheid bij had. Hij zou voor de helft delen in de winst. Verder hebben verdachte en de onbekend gebleven man afspraken gemaakt over de taakverdeling, waarbij ze de hennepplanten samen zouden verzorgen. Bovendien had verdachte kennelijk een min of meer gelijkwaardige positie ten opzichte van de ander, want hij heeft niet alleen voorkomen dat er op zijn zolder nog een kweekruimte zou worden ingericht, maar stelde ook voorwaarden, zoals het gebruik van schone filters en het verkopen van de oogst aan een coffeeshop.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met één of meer (onbekend gebleven) anderen opzettelijk 74 hennepplanten aanwezig heeft gehad in zijn woning. Aangezien verdachte de hennepplanten meerdere keren water heeft gegeven, acht de rechtbank ook het telen wettig en overtuigend bewezen. Dit bestanddeel ziet immers op het gehele productieproces, vanaf het laten groeien van – in dit geval – hennepplanten tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct.

Uit de informatie van Liander blijkt dat er niet eerder is geoogst. Bovendien is Liander op zowel 14 november 2024 als op 12 maart 2025 voor reguliere (onderhouds)werkzaamheden bij verdachte thuis geweest, waarbij geen bijzonderheden werden opgemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is van eerdere oogsten, waardoor tevens niet kan worden gezegd dat verdachte een beroep of bedrijf heeft gemaakt van het telen en aanwezig hebben van hennep. Hiervan zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Feiten 2 en 3

Verdachte heeft verklaard dat de onbekend gebleven man de illegale elektriciteitsaansluiting heeft gerealiseerd. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte hier enige verdere betrokkenheid bij heeft gehad.

Verdachte had hier wel wetenschap van en stond dit toe. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit eerder op medeplichtigheid dan op medeplegen, maar dat is niet ten laste gelegd.

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 2 tenlastegelegde, omdat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Aan verdachte kan zeker worden verweten dat hij een groot aandeel heeft in het ontstaan van de brand en de daaruit ontstane gevaar voor goederen en personen. Immers, met medeweten van verdachte en met zijn instemming is er een hennepkwekerij in zijn huis opgebouwd en is er met zijn medeweten en instemming geknoeid met zijn elektriciteitsmeter ten gevolge waarvan daadwerkelijk brand ontstaan. Desondanks komt de rechtbank, gelet op de (tekstuele) wijze waarop het ten laste is gelegd, niet tot een bewezenverklaring van feit 3 en zal verdachte hiervan vrij spreken, aangezien niet kan worden bewezen dat verdachte – op een voor de tenlastelegging relevante manier – betrokken was bij de illegale elektriciteitsaansluiting.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 74 planten, althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij een eventuele strafoplegging aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft samen met één of meer onbekend gebleven personen een hennepkwekerij opgezet.

Hennep bevat de stof THC die schadelijk is voor de volksgezondheid en daarom door de wetgever op lijst II van de Opiumwet is geplaatst. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers.

Het is verder een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van ondermijnende criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt toegebracht en waarvan door de maatschappij overlast wordt ervaren. Met het telen van hennep heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit en de daarmee gepaard gaande randcriminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Daarnaast zijn hennepkwekerijen gevaarlijk, omdat de stroomvoorziening vaak illegaal wordt geregeld, waardoor niet alleen gevaar ontstaat voor verdachte, maar ook voor buurtbewoners en hun huizen. In dit geval heeft dat gevaar zich ook verwezenlijkt, want er is daadwerkelijk brand ontstaan in de hennepkwekerij.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 8 december 2025 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het Leger des Heils heeft op 6 januari 2026 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering lijkt onderhavig delict te zijn gepleegd vanwege de financiële problemen van verdachte. Verdachte geeft bij de reclassering aan dat hij zich ertoe heeft laten verleiden om op deze manier geld te verdienen, maar daar nu, gelet op alle negatieve consequenties, veel spijt van heeft. Naast een verdere toename van zijn schuldenlast heeft het delict ervoor gezorgd dat verdachte zijn woning is kwijtgeraakt. Inmiddels heeft hij een andere woonplek gevonden. Verdachte staat onder bewind.

De reclassering acht, gelet op de delictgeschiedenis van verdachte, de negatieve consequenties die hij als gevolg van dit delict heeft ervaren en zijn leeftijd, de kans op recidive laag. Daarom vindt de reclassering toezicht niet geïndiceerd. De reclassering adviseert bij veroordeling oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De strafoplegging

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten is een geldboete geïndiceerd bij een hennepkwekerij met minder dan 100 planten, maar dat acht de rechtbank in dit geval niet opportuun vanwege de financiële problemen van verdachte.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis. Dit is een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank enkel feit 1 bewezen acht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 22 c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

? spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

? verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en

mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025147709 gesloten op 27 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 7-8. Proces-verbaal van aanhouding verdachte. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 215 en 225 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 januari 2026. Proces-verbaal van aangifte namens Liander, bijlage p. 189 en 195. Proces-verbaal van aangifte namens Liander, bijlage p. 196.