Strafrecht overig
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling in…
Rechtbank Gelderland, 31 juli 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:6204 · Rechtbank Gelderland · 31 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-6204
Zaakgegevens
Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 05/127318-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6204
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling in vereniging met voorbedachten rade en de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het handelen met voorbedachten rade dan wel de opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel - ook niet in voorwaardelijke zin. Niet kon worden vastgesteld dat de medeverdachte geweld heeft gepleegd of dat hij het gepleegde geweld anderszins heeft ondersteund. De getuigenverklaringen, die op een andere toedracht duiden, leiden niet tot een ander oordeel, omdat beide verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/127318-23
Datum uitspraak : 31 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Irak),
wonende aan [adres] te [woonplaats] ,
raadsman: mr. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 mei 2022 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [aangever] heeft opgewacht en/of
- het meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [aangever] heeft geduwd en/of geslagen
en/of geschopt en/of getrapt en/of die [aangever] heeft vastgehouden, en/of
- het meermalen, althans eenmaal, met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die
[aangever] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2022 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Poppenbouwing, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit,
- het meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [aangever] duwen en/of slaan en/of
schoppen en/of trappen en/of
- het meermalen, althans eenmaal, steken en/of snijden met een scherp en/of puntig voorwerp in
het lichaam van die [aangever] en/of
- het vasthouden van die [aangever] ,
terwijl dit door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten meerdere snijwonden en/of twee, althans een, gebroken rib(ben), ten gevolge heeft gehad.
2 De standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht verdachte voor het primair tenlastegelegde vrij te spreken omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte handelde met voorbedachten rade en evenmin dat hij opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de aangifte en de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wel wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf van 160 uren werkstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van zowel het primair als ook het subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Uit niets blijkt dat er een vooropgezet plan was om aangever te mishandelen. Volgens de verdediging was er geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en had verdachte daar ook geen opzet op.
Ook van medeplegen is geen sprake, omdat medeverdachte [medeverdachte] niet als medepleger kan worden aangemerkt. Zijn handelen was juist gericht op het de-escaleren van de situatie. Er is dus ook geen sprake van openlijke geweldpleging in vereniging.
Volgens de verdediging moeten de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en
[getuige 1] buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] toegewezen, maar het verhoor heeft niet plaatsgevonden. Daardoor is de verdediging niet in staat is geweest deze getuige te ondervragen. Er zijn ook geen compenserende factoren geboden. De verklaring van getuige [getuige 2] is volstrekt onbetrouwbaar, omdat bij het verhoor niet is voldaan aan de formele eisen nu deze getuige zonder tolk is gehoord.
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde
De rechtbank ziet, net als de officier van justitie en de raadsman, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het handelen met voorbedachten rade dan wel de opzet van de verdachten op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel - ook niet in voorwaardelijke zin. Weliswaar kan worden vastgesteld dat aangever geduwd, geslagen en geschopt is waardoor hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, maar er ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat sprake is geweest van het steken of snijden met een scherp voorwerp. Verder volgt uit de bewijsmiddelen niets over de precieze aard van het schoppen of slaan.
De rechtbank acht daarom het primair tenlastegelegde niet bewezen zal verdachte daarvan vrijspreken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
Gelet op de verklaringen van aangever en verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte aangever heeft geduwd, geslagen en geschopt. Uit de verklaring van aangever bij de rechter-commissaris en de verklaringen van beide verdachten volgt dat medeverdachte [medeverdachte] op geen enkele wijze geweld heeft gepleegd tegen aangever of dat hij het gepleegde geweld anderszins heeft ondersteund. Uit de verklaringen komt naar voren dat hij de situatie juist probeerde te de-escaleren.
De getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] , die op een andere toedracht duiden, leiden niet tot een ander oordeel.
[getuige 2] is direct na het incident gehoord door de politie. In de aanhef van het proces-verbaal van het getuigenverhoor heeft de verbalisant opgenomen:
‘De getuige achtte zichzelf niet in staat om in de Nederlandse taal te communiceren. De taalkeuze van de getuige was Pools. Desondanks communiceerde ik met de getuige in
het Nederlands, omdat bekend was dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerste.
Tolk was niet bereikbaar. Getuige kende wat Nederlandse woorden en wat Duitse
woorden. Tevens gebruik gemaakt van Google translate en dat alles bij elkaar kon ik
het verhaal goed duidelijk krijgen.’
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 28 van de ‘Wet beëdigde tolken en vertalers’ en in de ‘Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken’ het door een met het opsporingsonderzoek belaste (politie)ambtenaar afgenomen verhoor van getuigen, die de Nederlandse taal niet machtig zijn, plaats moet vinden in aanwezigheid van een beëdigde tolk. Bij spoedeisendheid kan – met inachtneming van verdere waarborgen - daarvan worden afgeweken en kan gebruik worden gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Indien de getuige en de verbalisant van oordeel zijn dat zij allebei een andere taal in voldoende mate beheersen en dat het verhoor in deze taal kan geschieden, wordt het verhoor in deze taal afgenomen.
Aan deze eisen is niet voldaan, zodat sprake is van een vormverzuim. Deze voorschriften zien op de zorgvuldigheid van de werkwijze van de politie of andere verhorende autoriteit. Zij beogen de juistheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen te verzekeren. Getuige [getuige 2] is daarna niet nogmaals, met bijstand van een tolk gehoord om de eerste verklaring te verifiëren. Thans, ruim vier jaar na het voorval, is het te laat dit verzuim te herstellen.
De verklaring van [getuige 1] laat ook de nodige vragen open die zouden moeten worden opgehelderd. De verdediging heeft een verzoek gedaan tot het horen van getuige [getuige 1] . De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen, maar het verhoor heeft niet plaatsgevonden.
Door de Hoge Raad is bepaald dat in gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, de rechter moet nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. In dit verband is van belang dat in geval een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om een getuige te ondervragen heeft ontbroken, het aan de rechtbank is om te beoordelen of een bewezenverklaring in beslissende mate op een door een getuige afgelegde verklaring wordt gebaseerd, in die zin dat die verklaring daarvoor "the sole or decisive basis" is.
De rechtbank overweegt in het licht van het voorgaande het volgende:
(ad i) De reden dat aangever niet kon worden gehoord is dat hij niet getraceerd kon worden. Deze getuige heeft Nederland verlaten en verblijft vermoedelijk in Polen. De Poolse autoriteiten waren terughoudend met het verstrekken van informatie van de getuige. Er is vervolgens geen Europees Opsporingsbevel (EOB) uitgevaardigd en evenmin is onderzoek gedaan naar het verblijfadres van de getuige.
(ad ii) Nu de verklaring van [getuige 2] niet gebruikt kan worden voor het bewijs en de verklaringen van aangever en de beide verdachten op onderdelen nogal uiteenlopen, kan de verklaring van [getuige 1] ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] worden aangemerkt als ‘sole or decisive’.
(ad iii) De verdediging zijn geen andere compenserende factoren geboden.
De rechtbank stelt vast dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen en dat de verdediging niet gecompenseerd is voor het feit dat zij de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring niet heeft kunnen toetsen of betwisten, terwijl daar gelet op de waarnemingsafstand en het feit dat het donker was zeker vragen over zijn te stellen en terwijl die verklaring met name ten aanzien van eventuele geweldshandelingen door de medeverdachte ‘sole or decisive’ is. De verklaring van getuige [getuige 1] kan daarom niet worden gebezigd voor het bewijs.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van het in vereniging geweld toepassen, zodat verdachte ook van het subsidiaire vrijgesproken moet worden.
Nu verdachte niet tevens (eenvoudige) mishandeling ten laste is gelegd volgt algehele vrijspraak.
4 De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,00 aan materiële schade, voor de medische kosten en het verlies aan inkomen, en € 15.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5 De beslissing
De rechtbank:
? spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde;
? verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2026.