Strafrecht overig

De rechtbank spreekt een 27-jarige man vrij voor Opiumwetfeiten, te weten het verkopen van MDMA en het…

Rechtbank Gelderland, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
05.112916.26 en 05.020295.24 (tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:6419
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank spreekt een 27-jarige man vrij voor Opiumwetfeiten, te weten het verkopen van MDMA en het aanwezig hebben van drugs. Wetenschap en beschikkingsmacht kan niet bewezen worden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05.112916.26 en 05.020295.24 (tul)

Datum uitspraak : 11 augustus 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. E. Stam, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting

van 28 juli 2026.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 februari 2026 tot en
met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland en/of Duitsland,
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 994,57 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 34,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
ongeveer 15,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-CMC en/of
ongeveer 15,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne, 4-CMC en/of MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en
met 15 april 2026 te Aalten, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 992,73 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad.

2 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vraagt de officier van justitie om toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank zal verdachte integraal vrijspreken van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal per feit uiteenzetten waarom het tot die beslissing is gekomen.

Vooraf en overkoepelend merkt de rechtbank het volgende op. Een groot deel van het procesdossier heeft betrekking op de tijd vóór de ten laste gelegde periodes van de vier feiten. Dit gaat onder andere om waarnemingen en observaties door de politie, vertaalde Duitse stukken en financiële stukken op basis waarvan vermogensanalyses zijn gemaakt. De rechtbank zal de stukken die geen betrekking hebben op de ten laste gelegde periodes niet in haar oordeel kunnen betrekken.

Ten tweede merkt de rechtbank op dat het procesdossier incompleet aandoet. In het deel van het procesdossier dat uit een vertaling van Duitse stukken bestaat worden conclusies getrokken op basis van informatie of processen-verbaal die geen deel uitmaken van het dossier. Maar ook in het Nederlandse deel van het procesdossier treft de rechtbank niet altijd alle informatie aan die noodzakelijk zou zijn geweest voor een eventuele bewezenverklaring.

Feit 1

De tenlastelegging van het eerste feit lijkt te verwijzen naar de verdenking dat verdachte pillen zou hebben verkocht aan [persoon 1] . De bewezenverklaring van dit eerste feit is afhankelijk van de vraag of verdachte geïdentificeerd kan worden als ‘ [verkoper] ’. Dat is namelijk de bijnaam die [persoon 1] geeft aan de verkoper. Met dit dossier kan niet wettig bewezen worden dat verdachte ‘ [verkoper] ’ is. De enig mogelijk onderbouwing in het dossier is dat [persoon 1] heeft gezegd dat hij met ‘ [verkoper] ’ naar Dubai wilde vliegen, en dat uit passagiersgegevens van Eurowings zou blijken dat [persoon 1] en verdachte allebei een vliegticket hebben geboekt. De betreffende passagiersgegevens maken geen deel uit van het dossier en bovendien wordt niet genoemd of dit een vlucht naar Dubai betrof. Voor de bedoelde vlucht hadden bovendien kennelijk ook nog andere personen uit de cirkel van [persoon 1] een ticket geboekt.

Ook overigens kan op basis van het dossier niet wettig bewezen worden dat de pillen waarover gesproken wordt door [persoon 1] MDMA bevatten.

Zo de officier van justitie al bedoelde dat de financiële gegevens van verdachte een dealerindicatie zouden opleveren, vallen die – zoals al opgemerkt – buiten de ten laste gelegde periode.

Feit 2

In het tweede ten laste gelegde feit wordt verdachte het aanwezig hebben van harddrugs verweten. De drugs waarover dit gaat, te weten 994,57 gram cocaïne, is aangetroffen in de woning aan [adres] te Aalten. De cocaïne is tijdens de doorzoeking op 15 april 2026 aangetroffen in de berging/kelderbox behorende bij de woning.

Op dit adres staat [persoon 2] ingeschreven. [persoon 2] verklaarde in haar verhoor op 20 april 2026 dat zij een relatie heeft met verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte regelmatig dit adres bezocht. Maar het blijkt onvoldoende hoe vaak en intensief hij daar aanwezig was.

Volgens de politie volgt uit de bakengegevens dat verdachte zijn voertuig dagelijks parkeert aan [adres] en dat dat zijn verblijfsadres is. Deze bakengegevens maken geen deel uit van het dossier. De rechtbank kan daarom niet nagaan op welke periode die gegevens betrekking hebben, en hoe vaak (en hoe lang) verdachte dan precies verbleef in de woning in die periode. De politie benoemt dat uit een eerder drugsonderzoek uit het jaar 2023 blijkt dat [adres] het verblijfadres is van verdachte, maar op welke informatie die conclusie gebaseerd wordt is onduidelijk.

[persoon 2] verklaart dat verdachte bij haar of bij zijn ouders verblijft en dat hij niet iedere dag bij haar slaapt. Zij verklaart niet hoe vaak en hoe lang verdachte er precies is.

[persoon 2] heeft bij de politie ook niet verklaard of er ook nog andere personen beschikten over een sleutel van haar woning. Ook is niet duidelijk wie er nog meer in de woning kwamen en wie er nog meer (zelfstandig) toegang hadden tot de woning en de kelderbox.

De drugs die in de kelderbox zijn aangetroffen bevatten geen (forensische) sporen die naar verdachte leiden.

Al met al kan de rechtbank niet wettig bewijzen dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in de woning van [persoon 2] .

Feit 3 en 4

De feiten 3 en 4 hebben ook betrekking op het aanwezig hebben van drugs (respectievelijk van lijst I en lijst IA van de Opiumwet). De drugs waarnaar deze twee feiten verwijzen zijn alle aangetroffen in de woning aan [adres] in Aalten. Dit betreft de woning van [medeverdachte] , een kennis van verdachte.

Net als bij de woning van [persoon 2] , volgt uit het dossier dat verdachte regelmatig op bezoek was aan [adres] en dat hij een eigen sleutel had van die woning. In het dossier staat te lezen dat verdachte er vaak kwam, soms meerdere malen op één dag. Dit zou dan gaan om korte bezoeken, van tussen de 2 en 20 minuten, waarna verdachte vervolgens direct andere adressen bezocht. Het dossier suggereert daarmee dat de woning van [medeverdachte] diende als een ‘stashlocatie’ van verdachte, en dat verdachte daar drugs ophaalde om die vervolgens te gaan verkopen. Echter zijn daar te weinig concrete aanwijzingen voor. Het is onduidelijk gebleven welke adressen verdachte bezocht ná zijn bezoeken aan [medeverdachte] , of daar op die adressen drugsgebruikers woonden, of zij drugs kochten van verdachte, en welke drugs dan. Deze adressen zijn niet onderzocht en de gebruikers zijn niet gehoord. Dat verdachte na zijn bezoek aan [adres] ging dealen is dus niet meer dan een vermoeden.

Dan resteert het gegeven dat er drugs zijn aangetroffen in een woning waar verdachte regelmatig kwam. De rechtbank weet niet of verdachte de enige was die regelmatig in die woning kwam, of dat er nog meer mensen over de vloer kwamen. Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat meer personen beschikten over een sleutel van zijn woning, waaronder familieleden en meerdere vrienden. Het is daarmee onduidelijk aan wie de drugs toebehoorden. Op de drugs zijn ook geen sporen aangetroffen die naar verdachte leidden.

Al met al is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig bewezen dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in de woning van [medeverdachte] .

4 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.020295.24)

De politierechter heeft verdachte op 15 augustus 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

? spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

? wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde straf onder parketnummer 05.020295.24.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker, (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.

Mr. J.S.W. Lucassen en mr. Y.M.J.I. Baauw zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.