Strafrecht overig

Militaire tuchtzaak. De meervoudige militaire kamer vernietigt de beslissing van de beklagmeerdere waartegen…

Rechtbank Gelderland, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
26-028489
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7674
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Militaire tuchtzaak. De meervoudige militaire kamer vernietigt de beslissing van de beklagmeerdere waartegen beroep is ingesteld. De meervoudige militaire kamer stelt vast dat sprake is van meerdere termijn- en vormverzuimen, waardoor gestrafte in zijn verdediging is geschaad.

Uitspraak

Rechtbank Gelderland

Meervoudige militaire kamer

Datum zitting : 15 september 2026

Uitspraak : 29 september 2026

Uitspraak van de meervoudige militaire kamer in de rechtbank Gelderland, op het te Arnhem in het openbaar behandelde beroep van:

Korporaal der eerste klasse [gestrafte] , hierna aangeduid als gestrafte,

geplaatst bij de Koninklijke Militaire Academie, [afdeling] te [plaats] ,

wonende aan [adres] te [woonplaats] ,

waarbij de beslissing op beklag wordt bestreden.

Vertrouwenspersoon: Luitenant ter zee der 2e klasse [vertrouwenspersoon] .

1 Verloop en procedureverloop

1.2.

Eerste aanleg

Aan gestrafte is op 7 mei 2026 om 15:30 uur een schriftelijke beschuldiging uitgereikt wegens schending van de gedragsregels als vermeld in artikel 7, artikel 8 en artikel 10 Wet militair tuchtrecht (verder: WMT), waarmee het tuchtproces in eerste aanleg is aangevangen (artikel 51 lid 2 WMT). Er heeft geen vooronderzoek plaatsgevonden. De beschuldiging ingevolge het straffenformulier (26/001) luidt:

“Beschuldigde is meerdere malen ongeoorloofd afwezig geweest bij zijn dienstverplichtingen op zijn werkplek wat aan hem te verwijten is. Dit gebeurde bij meerdere voorvallen waarvan 2 datums genoteerd zijn, in de aanwezigheid van zijn afdelingshoofd. Periode afwezigheid 09-03-2026, 16-03-2026, 23-04-2026, met een tijdsduur van 2 uur. Na een maand na start op deze functie tot op heden worden de werkzaamheden onvoldoende uitgevoerd, werkafspraken worden niet nagekomen, er wordt niet secuur gewerkt wat erg belangrijk is in deze functie.”

Op 12 mei 2026 om 08:00 uur is het onderzoek op rapport (‘de parade’) gehouden. Hierbij was gestrafte met zijn vertrouwenspersoon aanwezig. De beslissing van de ‘Tot Straffen Bevoegde Meerdere’ (verder: TSBM) naar aanleiding van de parade dateert van 18 mei 2026. Op 19 mei 2026 om 13:00 uur is de beslissing van de commandant, te weten: een berisping vanwege schending van artikel 7 en 10 WMT aan gestrafte uitgereikt. Tegen deze uitspraak heeft gestrafte een beklagschrift ingediend dat op 20 mei 2026 door de beklagmeerdere is ontvangen.

1.3.

Beklagprocedure

Er heeft geen vooronderzoek in beklag plaatsgevonden.

De beklagmeerdere heeft op 17 juni 2026 op beklag beslist, welke uitspraak diezelfde dag om 19:15 uur per mail aan gestrafte is medegedeeld en ook per aangetekende post aan gestrafte toegezonden. Daarbij heeft de beklagmeerdere de bestreden beslissing van de commandant, voorzien van een schriftelijke motivering, bevestigd.

Gestrafte heeft, zoals hierna nader uiteen wordt gezet, tegen de uitspraak op beklag tijdig beroep ingesteld.

1.4.

Beroep

Het beroep is op 15 september 2026 ter openbare zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte en zijn vertrouwenspersoon hebben het woord ter verdediging gevoerd. Voorts is verschenen Kolonel [beklagmeerdere] , die het woord heeft gevoerd.

Gestrafte en zijn vertrouwenspersoon hebben ter terechtzitting aangevoerd dat gelet op de gestelde vormverzuimen en het feit dat gestrafte niet opzettelijk afwezig is geweest nu er achteraf verlof is afgeschreven voor de tijd dat gestrafte te laat was, het beroep gegrond moet worden verklaard en de tuchtstraf dient te worden vernietigd.

Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft voor de behandeling van het beroep ter zitting op 10 september 2026 een schriftelijk advies over de zaak uitgebracht.

De officier van justitie, mr. P. Koreman, heeft ter zitting het advies mondeling toegelicht. Dit advies luidt – kortgezegd – dat niet is voldaan aan alle vereisten die worden gesteld binnen het tuchtproces, alsmede dat geen sprake is van overtreding van artikel 7 WMT, nu de commandant door gestrafte achteraf verlofuren te laten opnemen de tijd dat de gestrafte afwezig was heeft gecompenseerd met verlof.

De gestrafte heeft gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord.

De meervoudige militaire kamer heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting in beroep beraadslaagd.

2 De beslissing op beklag, waartegen beroep is ingesteld

In zijn toelichting bij het beklagformulier merkt de beklagmeerdere (‘BM’) ten aanzien van de bewezen gedraging op: “Beschuldigde/gestrafte is op 23-04-2026 te laat verschenen op zijn werk en was daardoor ongeoorloofd afwezig.”

In zijn schriftelijke beslissing van 17 juni 2026 heeft de beklagmeerdere de bestreden beslissing deels bevestigd. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat het omschreven feit ten aanzien van de afwezigheid op 23 april 2026 een schending van artikel 7 WMT oplevert en dat de strafoplegger als TSBM bevoegd was om een straf op te leggen. Verder is geconcludeerd dat de data van ongeoorloofde afwezigheid op 9 maart 2026 en 16 maart 2026 incorrect zijn en deze beschuldiging daardoor ongegrond is. Daarnaast is de beschuldiging inzake schending van artikel 8 en 10 WMT door de beklagmeerdere ongegrond verklaard. Voorts heeft de beklagmeerdere de aan gestrafte opgelegde strafsoort gehandhaafd, te weten een berisping.

3 De bevoegdheid van de militaire kamer

De militaire kamer in de arrondissementsrechtbank Gelderland is bevoegd van het beroep kennis te nemen. Het beroepschrift is op juiste wijze ingediend.

4 Beoordeling door de militaire kamer

4,1. De ontvankelijkheid van het beroep

De militaire kamer overweegt allereerst dat de termijnen in de Wet militair tuchtrecht (WMT) nauw luisteren.

Artikel 81 WMT schrijft voor dat door de gestrafte binnen vijf dagen na de uitreiking van een afschrift van de uitspraak op beklag beroep moet worden ingesteld. Op 17 juni 2026 heeft de beslissing op beklag plaatsgevonden. Op het beklagformulier is 17 juni 2026 om 19:15 uur genoteerd als datum en tijdstip van uitreiking van het afschrift van de uitspraak door de commandant aan de gestrafte. Uit het dossier volgt dat gestrafte op 17 juni 2026 vanuit zijn defensiemail een mail heeft gestuurd naar Kolonel [beklagmeerdere] waarbij hij informeert naar de uitspraak op beklag. Kolonel [beklagmeerdere] heeft op 17 juni 2026 om 19:22 uur per e-mail gereageerd op de e-mail van gestrafte, waarbij hij aangeeft dat hij de uitspraak heeft afgerond. Hierbij stuurt de kolonel een scan van het beklagformulier met de uitspraak en wijst hij gestrafte op de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de uitspraak op beklag. De uitspraak is tevens per aangetekende post naar het huisadres van gestrafte gestuurd, die hij op 26 juni 2026 heeft ontvangen. Gestrafte heeft gesteld dat hij ook per e-mail pas op 26 juni 2026 kennis heeft genomen van de uitspraak op beklag, omdat hij ziek was gemeld, thuis zat en daardoor tot 26 juni 2026 geen toegang had tot zijn defensiemail.

Door gestrafte is vervolgens op 30 juni 2026 beroep ingesteld. De vraag die aan de militaire kamer voorligt is of gestrafte binnen de termijn van vijf dagen na de uitreiking van de uitspraak op beklag beroep heeft ingesteld.

In artikel 80q lid 2 WMT is bepaald dat de uitspraak op beklag door de beklagmeerdere onverwijld aan de commandant wordt toegezonden. Door of namens de commandant wordt onverwijld een afschrift van de uitspraak op het beklag uitgereikt aan de gestrafte. De WMT schrijft niet voor op welke wijze de uitreiking van de uitspraak op beklag moet plaatsvinden. De militaire kamer merkt hier allereerst over op dat de WMT in een andere tijdsgeest tot stand is gekomen en inmiddels niet meer goed aansluit bij een steeds verder gedigitaliseerde praktijk. Gelet daarop is de militaire kamer in algemene zin van oordeel dat uitreiking van de beslissing op beklag ook per e-mail kan plaatsvinden, mits dit gepaard gaat met een ontvangstbevestiging waardoor voor de afzender controleerbaar is op welk moment de e-mail is geopend. In onderliggend geval heeft Kolonel [beklagmeerdere] gestrafte op 17 juni 2026 per e-mail, zonder tussenkomst van de commandant, op de hoogte gesteld van de uitspraak op beklag. Gestrafte heeft diezelfde ochtend geïnformeerd naar de uitspraak, waarbij hij vanuit zijn defensiemail heeft gemaild. Gestrafte heeft hierbij niet aangegeven dat verdere correspondentie via zijn privémail moest plaatsvinden, omdat hij thuis zat en zijn defensiemail daar niet kon lezen. Het is om die reden begrijpelijk dat de beklagmeerdere het besluit, in reactie op de eerdere e-mail van gestrafte, naar zijn defensiemail heeft gestuurd. Echter, door Kolonel [beklagmeerdere] is bij het versturen van de email geen ontvangstbevestiging ingesteld, waardoor voor hem niet controleerbaar is op welk moment gestrafte kennis heeft genomen van de e-mail. De militaire kamer is aldus van oordeel dat uit moet worden gegaan van 26 juni 2026 – het moment dat de uitspraak in hardcopy aan gestrafte is betekend – als moment van uitreiking en dat daarmee de termijn voor indiening van het beroep tegen de beslissing van de beklagmeerdere (te weten 5 dagen) op juiste wijze is nageleefd.

Het beroepschrift is derhalve tijdig ingediend en gestrafte is ontvankelijk in zijn beroep.

4.2.

Termijn- en/of vormverzuimen

De militaire kamer dient vervolgens te onderzoeken of de beslissing waartegen beroep is ingesteld, onderhevig is aan enig termijn- of vormverzuim. Ingevolge artikel 97 WMT is immers vernietiging van die beslissing voorgeschreven, indien sprake is van schending van de termijnen van het tuchtproces in eerste aanleg en van de beklagprocedure, dan wel indien sprake is van enig vormverzuim waardoor de gestrafte in zijn verdediging is geschaad.

Door de gestrafte en zijn vertrouwenspersoon zijn in het beroepsschrift en ter terechtzitting meerdere termijn- en vormverzuimen aan de orde gesteld. De militaire kamer zal hieronder ingaan op de gestelde verzuimen.

4.1.1.

Eerste aanleg

I. Bevoegdheid TSBM

Door gestrafte is – onder verwijzing naar artikel 49 WMT – betwist dat Luitenant-Kolonel [TSBM] de TSBM was.

De militaire kamer stelt vast dat Luitenant-Kolonel [TSBM] [functie 1] en tevens [functie 2] is op de KMA. Op grond van artikel 49 lid 1 sub b WMT jo artikel 4 lid 2 en artikel 2 lid 6, sub e, onder 6 van de Aanwijzingsregeling 2024 is de [functie 2] van de KMA aangewezen als TSBM. Gestrafte was werkzaam bij [afdeling] van de KMA, waardoor de Luitenant-Kolonel [TSBM] voor gestrafte de aangewezen TSBM was. Het verweer slaagt niet.

II. Geen stukken ontvangen bij aanvang van het tuchtproces

Gestrafte heeft gesteld dat hij bij aanvang van het tuchtproces geen stukken heeft ontvangen, met uitzondering van de beschuldiging in het straffenformulier 26/001.

Uit artikel 62 WMT volgt dat een beschuldigde en zijn vertrouwensman na de uitreiking van de beschuldiging de op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen inzien, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet. De militaire kamer is met de officier van justitie van oordeel dat uit het wetsartikel niet volgt dat de TSBM verplicht is deze stukken na uitreiking van de beschuldiging beschikbaar te stellen; het gaat in deze om een ‘kan-bepaling’. Daarnaast is de militaire kamer niet gebleken dat gestrafte en/of zijn vertrouwenspersoon op enig moment heeft verzocht om stukken in te zien. Het verweer slaagt niet.

III. Spreektijd vertrouwenspersoon

De gestrafte heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat zijn vertrouwenspersoon – alhoewel hem niet belemmerd is te spreken – tijdens de parade geen spreektijd heeft ontvangen.

Uit het straffenformulier en het verslag van de parade volgt dat de vertrouwenspersoon aanwezig was bij de parade. Blijkens artikel 68 lid 3 WMT moet de commandant de vertrouwenspersoon in de gelegenheid stellen om tijdens de parade het woord te voeren. Op basis van de verslaglegging van de parade kan de militaire kamer niet opmaken dat de vertrouwenspersoon expliciet hiertoe in de gelegenheid is gesteld, terwijl uit het formulier duidelijk blijkt dat gestrafte en de aanwezige getuige bijvoorbeeld wel uitdrukkelijk het woord hebben kunnen voeren. Er is aldus sprake van een vormverzuim. Gelet op vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat dit verweer slaagt.

IV. Persoonlijke omstandigheden

De gestrafte heeft zich op het standpunt gesteld dat geen tot onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Daarnaast is hem tijdens het onderzoek niet gevraagd naar verzwarende of verzachtende omstandigheden.

Artikel 74 lid 3 WMT schrijft voor dat de commandant (in eerste aanleg) geen straf oplegt, indien hij dit in verband met de persoonlijke omstandigheden van de beschuldigde raadzaam acht. De militaire kamer maakt uit het verslag van de parade op dat gestrafte destijds in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven. Het had op zijn weg gelegen om hierbij de – in zijn ogen van belang zijnde – persoonlijke omstandigheden te benoemen. Uit de WMT volgt geen verplichting voor de commandant om expliciet naar de persoonlijke omstandigheden te vragen tijdens de parade, maar enkel om de persoonlijke omstandigheden die tijdens het onderzoek naar voren zijn gebracht mee te wegen. Het verweer slaagt niet.

V. Beslissing te laat

De gestrafte heeft gesteld dat hij de uitspraak in beroep pas op 19 mei 2026 heeft ontvangen, waarmee niet is voldaan aan de beslistermijn.

Artikel 76 WMT schrijft – kort gezegd – voor dat de commandant na de sluiting van het onderzoek uiterlijk de eerstvolgende werkdag beslist, die beslissing vastlegt in een schriftelijke uitspraak en die uitspraak onverwijld uitreikt aan de beschuldigde. De parade heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Gestrafte heeft tijdens de parade ook het laatste woord gekregen.

Gelet op het bepaalde in artikel 69 WMT moet ervan uit worden gegaan dat daarmee het onderzoek ook op 12 mei 2026 is gesloten.

De beslissing door de commandant is pas op 18 mei 2026, dat wil zeggen op de zesde dag na het sluiten van het onderzoek, genomen en op 19 mei 2026 aan de gestrafte uitgereikt. De militaire kamer stelt op grond hiervan vast dat niet is voldaan aan de gestelde termijn in artikel 76 WMT en dat de beslissing te laat is genomen. De beslissing is vervolgens wel onverwijld aan gestrafte medegedeeld. Aldus is sprake van een vormverzuim. De militaire kamer is van oordeel dat het verweer slaagt.

VI. Procedure in eerste aanleg niet voltooid binnen 21 dagen

Door gestrafte is aangevoerd dat in zijn optiek niet is voldaan aan de gestelde 21 dagen voor het voltooien van de procedure.

Uit artikel 54 lid 1b WMT volgt dat het tuchtproces in eerste aanleg van rechtswege eindigt, indien er na 21 dagen sedert de aanvang geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel 76 lid 1 WMT. De militaire kamer stelt vast dat deze situatie zich in deze zaak niet voordoet. Immers, aan gestrafte is op 7 mei 2026 om 15:30 uur een schriftelijke beschuldiging uitgereikt wegens schending van de gedragsregels als vermeld in artikel 7, artikel 8 en artikel 10 WMT, waarmee het tuchtproces in eerste aanleg is aangevangen (artikel 51 lid 2 WMT). Op 18 mei 2026, te weten 11 dagen later, heeft de commandant in eerste aanleg uitspraak gedaan en dus een beslissing genomen als bedoeld in artikel 76 lid 1 WMT. Deze datum ligt binnen de gestelde termijn van 21-dagen. Op grond van het vorenstaande komt de militaire kamer tot het oordeel dat geen sprake is van een termijnoverschrijding op grond waarvan het tuchtproces van rechtswege zou zijn geëindigd. Het verweer slaagt niet.

4.1.2.

Beklagprocedure

I. Beklagschrift retour wegens onjuiste beklagmeerdere

De gestrafte heeft beklag ingesteld, dat hij op 20 mei 2026 heeft verzonden aan de commandant van de NLDA, de in zijn optiek bevoegde beklagmeerdere. Gestrafte kreeg het beklagschrift terug, omdat het beklag gericht moest worden aan Kolonel [beklagmeerdere] , commandant van de KMA. Het beklagschrift is door de NLDA doorgezonden aan Kolonel [beklagmeerdere] , die het beklag op 25 mei 2026 heeft ontvangen.

Op grond van artikel 80a lid 1 WMT moet het beklagschrift binnen vijf dagen na uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg worden ingediend. Het beklag wordt op grond van artikel 80b lid 1 WMT ingediend bij de commandant. In artikel 80c lid 1 WMT staat voorgeschreven dat de commandant het beklagschrift onverwijld dient door te zenden naar de beklagmeerdere.

In dit geval is het beklagschrift op 20 mei 2026 door gestrafte verzonden; echter vanwege het feit dat hij het in eerste instantie niet aan de juiste beklagmeerdere had verstuurd, is het pas op 25 mei 2026 door de juiste beklagmeerdere, Kolonel [beklagmeerdere] , ontvangen.

De militaire kamer is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet ter zake doet of de gestrafte de juiste beklagmeerdere heeft geadresseerd. Het is aan de commandant om er zorg voor te dragen dat het beklagschrift naar de juiste beklagmeerdere wordt doorgezonden. De militaire kamer is daarom van oordeel dat gestrafte het beklag tijdig, namelijk binnen 5 dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg, heeft ingediend.

II. Vertrouwensman geweigerd

Het onderzoek op beklag zou worden gehouden op 15 juni 2026. Gestrafte is hier op 4 juni 2026 telefonisch van in kennis gesteld. Omdat gestrafte deze datum wilde verzetten vanwege studieverlof heeft op 11 juni 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen [Kapitein] , gestrafte en de door hem meegebrachte geestelijk verzorger. In dit gesprek is door [Kapitein] medegedeeld dat de door gestrafte aangevraagde vertrouwensman niet mee mocht naar het onderzoek, omdat hij niet werkzaam was bij dezelfde eenheid. In de optiek van gestrafte is dit niet wat met de regelgeving, namelijk artikel 57 lid 1 WMT, wordt bedoeld.

Op basis van artikel 80e lid 1 WMT kan gestrafte zich in ieder stadium van de beklagprocedure doen bijstaan door een vertrouwensman. Artikel 80e lid 2 WMT verklaart onder andere artikel 57 van overeenkomstige toepassing. Uit artikel 57 lid 1 WMT volgt dat de gestrafte een vertrouwensman kan kiezen uit het militair- en burger personeel, in dienstbetrekking bij het departement van Defensie en gelegerd of tewerkgesteld op, in dit geval dezelfde inrichting of kazerne, dan wel op dezelfde basis of bij hetzelfde onderdeel als de gestrafte.

Op grond van artikel 57 lid 2 WMT kan de commandant in bijzondere gevallen ook andere personen als vertrouwensman toelaten. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als het kleine zelfstandige eenheden betreft of dat het een bijzondere zaak betreft die zich leent voor bijstand door iemand buiten de eenheid. Uit het dossier is naar het oordeel van de militaire kamer niet gebleken dat hier van een degelijk bijzonder geval sprake was.

De militaire kamer acht – gelet op het voorgaande – de beslissing om geen vertrouwensman uit een andere eenheid toe te laten redelijk en niet onbegrijpelijk. Het verweer slaagt niet.

III. Geen extra tijd gekregen voor zoeken nieuwe vertrouwensman

Gestrafte stelt in zijn beroepsschrift dat hij de beklagmeerdere op 12 juni 2026 heeft verzocht om extra tijd om een vertrouwensman te zoeken die hem kon bijstaan tijdens het onderzoek in beklag op 15 juni 2026. Kolonel [beklagmeerdere] heeft hierop aangegeven dat hij gestrafte deze extra tijd niet wilde toekennen.

Op grond van artikel 80e lid 2 jo. 59 lid 2 WMT wordt de beschuldigde in geval van uitsluiting van zijn vertrouwensman op zijn verzoek door de beklagmeerdere in de gelegenheid gesteld om binnen 24 uur een nieuwe vertrouwensman te kiezen. Ter terechtzitting heeft gestrafte verklaard dat hij telefonisch- en mailcontact heeft gehad met Kolonel [beklagmeerdere] over het kiezen van een nieuwe vertrouwenspersoon toen bleek dat de eerder door hem gekozen vertrouwenspersoon niet werd toegelaten. Gestrafte heeft verklaard dat het voor het weekend was en dat hij 24 uur had gekregen om een nieuwe vertrouwenspersoon te regelen. Hij heeft Kolonel [beklagmeerdere] daarom gevraagd om extra tijd.

De militaire kamer begrijpt uit het beroepschrift en de verklaring van gestrafte ter terechtzitting dat gestrafte van de Kolonel [beklagmeerdere] de door de WMT wettelijk bepaalde 24 uur de tijd heeft gekregen voor het zoeken van een nieuwe vertrouwensman, maar dat gestrafte hiernaast nog extra tijd wilde. In de beklagfase is er, op grond van artikel 80e lid 2, echter geen wettelijke verplichting voor de beklagmeerdere om gestrafte buiten de reeds gegeven 24 uur nog extra tijd hiervoor toe te kennen. De militaire kamer is daarom van oordeel dat de weigering van de beklagmeerdere om hem nog extra tijd te geven voor het zoeken van een nieuwe vertrouwensman geen vormverzuim oplevert. Het verweer slaagt niet.

IV. Geen onderzoek op beklag

Aanvankelijk was het onderzoek op beklag gepland op 15 juni 2026. Gestrafte heeft verzocht om het onderzoek te verplaatsen, omdat dit zijn studiedag was en hij daarom verhinderd was. In het gesprek met Kolonel [beklagmeerdere] op 12 juni 2026 heeft de kolonel aan gestrafte medegedeeld dat hij voldoende informatie had voor de beklagprocedure, waardoor het onderzoek wat hem betreft niet verplaatst hoefde te worden en het onderzoek op 15 juni 2026 kon plaatsvinden zonder de aanwezigheid van gestrafte.

Op grond van artikel 80h lid 1 en artikel 80i lid 1 WMT moet de gestrafte door de beklagmeerdere schriftelijk worden opgeroepen voor het onderzoek op beklag en is de beklagmeerdere verplicht de gestrafte in persoon te horen tijdens het onderzoek op beklag. Hiervan kan alleen worden afgezien indien gestrafte in het vooronderzoek al in persoon is gehoord, hij te kennen heeft gegeven op het horen in persoon geen prijs te stellen en de beklagmeerdere het horen in persoon niet nodig oordeelt. De militaire kamer stelt op grond van het dossier vast dat gestrafte niet schriftelijk maar telefonisch is opgeroepen voor het onderzoek op beklag, namelijk op 4 juni 2026. Daarnaast is gestrafte niet in het vooronderzoek gehoord (dit heeft immers niet plaatsgevonden), noch heeft de gestrafte aangegeven dat hij niet gehoord wilde worden. Aldus is niet voldaan aan de verplichting om gestrafte schriftelijk op te roepen en tijdens het onderzoek op beklag in persoon te horen. Daarmee is sprake van een schending van deze artikelen hetgeen een vormverzuim oplevert. Het verweer slaagt.

4.3.

Conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat sprake is van meerdere termijn- en vormverzuimen, zoals deze zijn voorgeschreven in de Wet militair tuchtrecht. De militaire kamer concludeert dat de gestrafte hierdoor zodanig in zijn verdediging is geschaad dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.

Ten overvloede merkt de militaire kamer nog het volgende op. Het starten van een tuchtproces door de commandant wegens ongeoorloofde afwezigheid behoort – ook in het geval dat een militair ‘slechts’ twee minuten te laat is – tot één van de instrumenten die de commandant kan inzetten om de gedragsregels te handhaven. Dat de commandant in dit geval heeft besloten om over te gaan tot het geven van een berisping is niet onbegrijpelijk; op tijd komen is een belangrijk onderdeel van de noodzakelijke militaire discipline, immers zoals ook door de officier van justitie ter zitting is gesteld, kan het in bepaalde omstandigheden desastreuze gevolgen hebben wanneer een militair te laat is. Dat er mogelijk persoonlijke omstandigheden meespelen als gevolg waarvan de militair te laat komt doet aan het belang van op tijd komen en de handhaving daarvan niet af.

In dit geval heeft de commandant verlofuren laten afboeken bij gestrafte om de uren die gestrafte te laat was te compenseren. De militaire kamer is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat dit niet maakt dat de afwezigheid van gestrafte niet ongeoorloofd was en dat daarmee het tuchtproces niet meer kon worden ingezet. Het staat de commandant vrij om, naast interne of rechtspositionele, ook een tuchtrechtelijke maatregel te nemen.

5 De beslissing in beroep

De meervoudige militaire kamer:

- Verklaart het beroep ontvankelijk;

- Vernietigt de bestreden uitspraak.

Deze beslissing is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, voorzitter, mr. Y. van Wezel, rechter, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2026.

Zie ook: ECLI:NL:RBARN:2012:BW0030.