Strafrecht overig
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zware mishandeling en een…
Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7894 · Rechtbank Gelderland · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-7894
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/267833-25 en 05/011938-26 (gev. ttz.)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7894
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zware mishandeling en een mishandeling, terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. Dit geweld was beide keren gericht tegen hulpverleners tijdens de uitoefening van hun beroep. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Zij legt de tbs-maatregel met voorwaarden op, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank beveelt dat de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Tot slot moet de verdachte schadevergoeding aan de slachtoffers betalen.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/267833-25 en 05/011938-26 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 12 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. in [plaats] .
Raadsman: mr. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging/tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
parketnummer 05/267833-25
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Apeldoorn [aangever 1] heeft mishandeld, door
- die [aangever 1] een zogenoemde kopstoot te geven en/of
- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen, ten gevolge waarvan die [aangever 1] tegen de muur is gevallen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
parketnummer 05/011938-26
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, aan een ander, te weten [aangever 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever 2] een of meerdere malen
- met kracht tegen de muur en/of tegen een (sleutel)kast te duwen,
- ( vervolgens) met kracht bij de nek en/of hals te grijpen en/of vast te houden,
- te slaan/te stompen tegen het oog en/of het gezicht, althans tegen het lichaam en/of
- met kracht naar/tegen de grond te gooien;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 2]
- met kracht tegen de muur en/of tegen een (sleutel)kast heeft geduwd,
- ( vervolgens) met kracht bij de nek en/of hals heeft gegrepen en/of vast heeft gehouden en/of
- met kracht naar de grond heeft geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] een of meerdere malen,
- met kracht tegen de muur en/of tegen een (sleutel)kast te duwen,
- ( vervolgens) met kracht bij de nek en/of hals te grijpen en/of vast te houden,
- te slaan/te stompen tegen het oog en/of het gezicht, althans tegen het lichaam en/of
- met kracht naar/tegen de grond te gooien,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05/267833-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 1] , terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich wat betreft de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
[aangever 1] heeft verklaard dat zij verdachte op 10 oktober 2025 op haar werk – in een zorginstelling in [plaats] in de gemeente Apeldoorn – aansprak op zijn gedrag van de avond en nacht daarvoor. Toen [aangever 1] even later in de keuken stond kwam verdachte op haar af, schreeuwde naar haar en uiteindelijk begonnen ze te duwen en trekken. [aangever 1] voelde vervolgens dat ze een kopstoot op haar voorhoofd kreeg en zag daarna dat ze een snee boven haar rechterwenkbrauw had. Zij liep direct naar een collega en werd onderweg nog getrapt of geslagen door verdachte. Zij viel hierdoor tegen een muur en daarna rende verdachte weg.
Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever 1] met kracht een kopstoot gaf, dat zij toen wegliep en hij haar daarop tegen haar rug trapte waardoor zij viel.
Uit de medische informatie van [aangever 1] blijkt dat de wond boven haar oog is gehecht met vier hechtingen, dat zij een hersenschudding heeft opgelopen, alsmede een kneuzing van de rechterpols en de onderrug. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding van 7 januari 2026 volgt dat [aangever 1] nog altijd last had van de hersenschudding en onder meer de kneuzing van de pols en onderrug. Zij ging nog steeds naar de fysiotherapeut voor behandeling, die een herstelduur van zes maanden verwachtte. Op foto’s van 9 juli 2026 is een fors, ontsierend litteken in het aangezicht van [aangever 1] duidelijk zichtbaar.
De tenlastegelegde geweldshandelingen en opzet van verdachte
De rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat verdachte [aangever 1] een kopstoot in het gezicht gaf en dat hij haar vervolgens tegen haar rug trapte, waardoor zij tegen de muur viel. De rechtbank stelt verder vast dat door deze geweldshandelingen het bovenvermelde letsel ontstond. De rechtbank is van oordeel dat verdachte [aangever 1] met vol opzet heeft mishandeld. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat eerst er een woordenwisseling ontstond, waarna verdachte [aangever 1] eerst met kracht een kopstoot gaf en daarna – terwijl zij wegliep – in haar rug trapte. Deze geweldshandelingen werden verricht met dusdanige kracht dat er onder meer een forse snee op het voorhoofd, boven het oog, en een hersenschudding ontstond. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht geweest op het mishandelen van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat het opzet van verdachte hierop gericht moet zijn geweest.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het letsel, veroorzaakt door bovenvermelde mishandeling, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert.
De rechtbank overweegt dat in juli 2026 – negen maanden na het feit – nog altijd een duidelijk zichtbaar, fors en ontsierend litteken in het aangezicht van het slachtoffer, namelijk een verticaal litteken op haar voorhoofd vlak boven haar wenkbrauw, aanwezig was. Daarnaast heeft [aangever 1] bij de mishandeling een hersenschudding, alsmede een kneuzing van de pols en de rug opgelopen, waarvoor zij langere tijd werd behandeld. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 1] heeft mishandeld en dat dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Parketnummer 05/011938-26
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever 2] heeft verklaard dat ze op 12 januari 2026 in Arnhem aan het werk was met haar collega [getuige] , toen ze een rooklucht bij de kamer van verdachte rook en zij daar een opmerking over maakte richting verdachte. Zij heeft verklaard dat verdachte vervolgens op haar afliep, dat zij snel het kantoor in liep en de deur sloot, maar dat verdachte de deur met kracht opende. [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte haar vervolgens bij haar hoofd of keel pakte. Daarna duwde verdachte haar met veel kracht tegen het sleutelkastje aan, dat aan de muur hing. De rechterkant van haar gezicht raakte het sleutelkastje en daarop voelde ze veel pijn. Verdachte pakte vervolgens de nek van [aangever 2] vast en trok haar met kracht naar de grond. Toen zij op de grond lag, voelde ze harde klappen op haar gezicht.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 12 januari 2026 met [aangever 2] aan het werk was toen [aangever 2] verdachte aansprak op de rookgeur op zijn kamer. Daarop werd verdachte boos, zei hij onder meer "ik ga jou slaan" en liep dreigend op [aangever 2] af. Zij liep het kantoor in en sloot de deur, waarop verdachte de deur opende. Getuige heeft verklaard dat verdachte [aangever 2] daar met zijn handen bij haar nek pakte en haar met veel kracht tegen de muur duwde. Vervolgens gooide verdachte [aangever 2] met veel kracht op de grond, haalde met zijn vuist hard uit richting het rechteroog van [aangever 2] en raakte haar rechteroog en haar rechterwenkbrauw.
Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever 2] bij haar nek pakte, haar naar de grond duwde en haar één keer sloeg.
Op foto’s die als bijlage bij de aangifte zitten is onder meer een significante zwelling van het oog en het voorhoofd van [aangever 2] te zien en een bebloede snee onder haar rechteroog. Door de zwelling, snee en hechtingen in haar rechteroog kon zij, enkele uren na het incident, niet normaal zien. Uit een brief van de arts van de spoedeisende hulp volgt dat deze arts op dezelfde dag, 12 januari 2026, concludeerde dat bij [aangever 2] sprake was van een contusie van de orbita rechts, met een snijwond onder het ooglid die met hechtlijm werd geplakt. Uit openbare bronnen en voormelde gegevens, gelezen in samenhang met de verklaring van aangeefster over haar letsel, volgt dat met contusie van de orbita bedoeld wordt een kneuzing van de oogkas. Uit voormelde brief volgt verder dat sprake was van contusie van de linkerschouder/AX luxatie tossy 1, waarmee blijkens de verklaring van aangeefster over haar letsel en informatie uit openbare bronnen wordt bedoeld een kneuzing van de schouder, respectievelijk ontwrichting van een gewricht in de schouder.
Op 15 april 2026 heeft [aangever 2] verklaard dat ze een kneuzing rond haar oog had en dat het gebied rond haar oog nog gevoelig was bij aanraking. Op foto’s die zij na dit verhoor stuurde is een ontsierend litteken in het aangezicht van [aangever 2] , vlak onder haar linkeroog, zichtbaar. Verder was haar schouder gekneusd en daardoor kon zij, nadat ze een boodschappentas vanuit een winkelkar de auto in tilde, de rest van de dag niets meer met haar schouder doen. Verder heeft zij verklaard nog altijd last te hebben van oorsuizen, hoofdpijn, vergeetachtigheid en vermoeidheid. Zij werkte nog altijd niet. Laatstgenoemde klachten passen blijkens een brief van de neuroloog van 17 februari 2026 bij licht-traumatisch hersenletsel. Volgens de neuroloog is de ervaring dat deze klachten binnen één tot zes maanden stapsgewijs afnemen.
De tenlastegelegde geweldshandelingen
Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [aangever 2] met kracht tegen de muur en de sleutelkast duwde, haar vervolgens bij haar nek vastpakte en met kracht naar de grond gooide, waarna hij haar tegen het gezicht en oog sloeg. De rechtbank stelt verder vast dat deze geweldshandelingen bovenvermeld letsel bij [aangever 2] hebben veroorzaakt.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich ook hier voor de vraag gesteld of het letsel, veroorzaakt door bovenvermelde geweldshandelingen, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank, in het licht van bovenvermelde algemene gezichtspunten, als volgt. Er is sprake van kneuzing van de oogkas, een kneuzing van de schouder/ontwrichting van een gewricht in de schouder, een wond in het gezicht die met hechtlijm gehecht moest worden en waardoor een ontsierend litteken in het gezicht zichtbaar is, alsmede licht-traumatisch hersenletsel hetgeen in april 2026 – drie maanden nadat het letsel werd toegebracht – nog altijd significante klachten met zich bracht. [aangever 2] kon normale huishoudelijke taken niet of minder goed verrichten en werkte maanden later nog niet. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Opzet van verdachte
Voor bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vervolgvraag is of er sprake was van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, zoals de kracht waarmee is geslagen en de gerichtheid van de vuistslag.
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd kwetsbare (en vitale) organen bevinden zoals de hersenen, hersenzenuwen, diverse (grote) bloedvaten en de ogen. Uit de verklaringen van [aangever 2] , getuige [getuige] , de bij de aangifte toegevoegde foto’s van [aangever 2] en het vastgestelde letsel leidt de rechtbank af dat verdachte met forse kracht het hoofd van [aangever 2] , met daarin kwetsbare en vitale organen, tegen de muur/een sleutelkastje heeft geduwd, haar vervolgens met kracht op de grond heeft gegooid en vervolgens gericht en met forse kracht op het oog en gezicht heeft geslagen. Gelet op de kwetsbaarheid van genoemde lichaamsdelen is de kans op zwaar lichamelijk letsel bij een forse krachtsinwerking naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk te noemen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het handelen van verdachte niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans, dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, bewust heeft aanvaard.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op het vorenstaande de ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/267833-25 en het onder parketnummer 05/011938-26 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/267833-25
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Apeldoorn [aangever 1] heeft mishandeld, door
- die [aangever 1] een zogenoemde kopstoot te geven en/of
- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen, ten gevolge waarvan die [aangever 1] tegen de muur is gevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
parketnummer 05/011938-26
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Arnhem, althans in Nederland, aan een ander, te weten [aangever 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever 2] eenmaal of meerdere malen
- met kracht tegen de muur en/of tegen een (sleutel)kast te duwen,
- (vervolgens) met kracht bij de nek en/of hals te grijpen en/of vast te houden,
- te slaan/te stompen tegen het oog en/of het gezicht, althans tegen het lichaam en/of
- met kracht naar/tegen de grond te gooien;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/267833-25
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft
parketnummer 05/011938-26
zware mishandeling.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden wordt opgelegd. Aan deze tbs-maatregel dienen de voorwaarden te worden verbonden die de reclassering adviseert, aangevuld met een contactverbod met de slachtoffers. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is en dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis blijft doorlopen onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die worden verbonden aan de tbs-maatregel. Hij heeft verder gevorderd dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en mishandeling waarbij zwaar lichamelijk letsel werd veroorzaakt. Hiermee heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en bij beide slachtoffers zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt. Dit geweld was beide keren gericht tegen hulpverleners tijdens de uitoefening van hun beroep; hulpverleners die juist iets voor kwetsbare anderen wilden betekenen. Deze situatie moet voor de slachtoffers uiterst beangstigend zijn geweest, hetgeen ook blijkt uit de toelichtingen bij het verzoek tot schadevergoeding en de slachtofferverklaringen. Deze mishandelingen hebben zeer ingrijpende lichamelijke en geestelijke gevolgen gehad voor de slachtoffers, waar zij tot op heden last van ondervinden.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij meerdere keren is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder mishandeling. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden wederom geweldsdelicten te plegen, hetgeen enerzijds een strafverzwarende factor is. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de mate van toerekenbaarheid. Uit onderzoek door de psychiater en de psycholoog volgt namelijk dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Verdachte heeft recidiverende psychotische episodes met achterdocht, benadelings- en beïnvloedingswanen en hallucinaties. De beperkte medicatietrouw – zeker in combinatie met cannabisgebruik – zorgen bij verdachte herhaaldelijk voor psychotische ontregeling. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van de mishandelingen en werkten door in zijn handelen. In de instelling(en) waar verdachte was opgenomen stopte hij met het gebruik van medicatie. Paranoïde belevingen, wanen en stoornissen in de realiteitstoetsing name daardoor toe. Bij verdere decompensatie resulteerde dit onder meer in een verstoorde realiteitstoetsing en een tekortschietende agressieregulatie. Het (gewelddadige) gedrag lijkt volgens deze deskundigen te passen binnen een consistent patroon van escalatie bij psychotische ontregeling, met name in situaties van frustratie of begrenzing. Gezien de aard en omvang van de pathologie en de daaruit voortkomende beperkingen, en vanwege de grote mate waarin deze het gedrag van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed, zijn de psychiater en de psycholoog van mening dat het gedrag van verdachte in ieder geval in sterk verminderde mate aan hem toe te rekenen is. De deskundigen hebben gehele ontoerekenbaarheid overwogen, maar omdat verdachte beperkt zicht kan geven op zijn innerlijke belevingswereld kan niet met zekerheid worden gesteld dat hij ten tijde van het ten laste gelegde geheel in beslag werd genomen door zijn psychose en geen enkele keuzevrijheid meer heeft ervaren.
De deskundigen schatten het risico op recidive van een (onvoorspelbaar) geweldsdelict mede gelet op het vorenstaande in als hoog, als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Verdachte heeft namelijk meermaals plotseling agressief gedrag laten zien vanuit psychotische belevingen en/of oordeel- en kritiekstoornissen. Het risico op acuut dreigend geweld wordt om dezelfde redenen eveneens ingeschat als hoog. De deskundigen achten behandeling en begeleiding van verdachte noodzakelijk. Verdachte is echter ambivalent ten aanzien van hulpverlening en behandeling en heeft daarnaast weinig tot geen ziekte-inzicht. Gelet op de psychopathologie en het daarmee samenhangende hoge recidiverisico, adviseren de deskundigen een langdurige, intensieve behandeling met als start een lange klinische opname in een kliniek met een voldoende hoog beveiligingsniveau. De deskundigen adviseren daarom tbs met voorwaarden op te leggen. Tbs met dwangverpleging is ook overwogen, maar de inschatting is dat verdachte, mits voldoende begeleid, in staat is zich aan voorwaarden te houden. Tbs met dwangverpleging heeft niet de voorkeur van de deskundigen, omdat een zeer hoog beveiligingsniveau niet nodig is als verdachte goed is ingesteld op antipsychotica. Om ook op langere termijn controle te houden op verdachte, geven de deskundigen de rechtbank in overweging om toezicht na afloop van de tbs-maatregel te laten voortduren in het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
De reclassering schat het risico op recidive ook in als hoog, als verdachte niet de benodigde zorg ontvangt, cannabis blijft gebruiken, zijn medicatie niet inneemt en hij opnieuw ontregelt. De reclassering ondersteunt het advies van de psychiater en de psycholoog tot oplegging van tbs met voorwaarden. De reclassering is van mening dat een langdurige en intensieve behandeling in een klinische setting noodzakelijk is om het recidiverisico bij betrokkene te reduceren. Duurzaamheid van de behandeling is hierbij van belang, aangezien betrokkene vanwege zijn psychotische kwetsbaarheid blijvend aangewezen zal zijn op hulpverlening. De reclassering benoemt de motivatie van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden als een aandachtspunt. Ter zitting heeft de reclasseringswerker toegelicht dat verdachte eerder ambivalent was ten aanzien van een behandeling in een klinische setting, maar dat het er op leek dat hij onvoldoende overzag waarop hij zijn afwijzende houding baseerde. Daarnaast kan de wisselende behandelmotivatie verklaard worden doordat de medicatie nog niet voldoende hoog was, hetgeen bleek uit de laatste spiegelbepaling. Verdachte is in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis opgenomen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (hierna: CTP) Veldzicht en daar zijn geen psychotische symptomen waargenomen. Hij heeft bij de reclassering en ter zitting herhaald dat hij zich wil houden aan de gestelde voorwaarden, het behandelprogramma en de medicatieafspraken. De reclassering adviseert tot slot ook oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsebeperkende maatregel, omdat dit kan bijdragen aan het (blijven) waarborgen van voorwaarden gericht op risicomanagement, ook na de beëindiging van tbs-maatregel.
Tbs-maatregel
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de psychiater en psycholoog en stelt vast dat ten tijde van het plegen van het feit bij verdachte sprake is geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, die invloed heeft gehad op het denken en handelen van verdachte ten tijde van de feiten. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen om de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het opleggen van een tbs-maatregel doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten, de complexiteit en de aard en ernst van verdachtes psychische problematiek en het voor hem vereiste (hoge) beveiligingsniveau. Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer drie maanden schuldig gemaakt aan twee ernstige geweldsdelicten, waarbij de stoornissen een belangrijke rol speelden. Indien de stoornissen niet of onvoldoende worden behandeld, is het risico op recidive van een geweldsdelict hoog. De rechtbank onderschrijft het advies van de reclassering dat ter voorkoming van recidive een langdurig, intensief en duurzame behandeling noodzakelijk is. De hulpverlening die hij tot nu toe heeft gekregen in de instellingen waar hij heeft verbleven, is niet voldoende geweest om geweldsdelicten te voorkomen, gelet op de gepleegde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het risico op recidive, de ambivalente houding van verdachte ten opzichte van behandeling, de complexiteit en de ernst van verdachtes problematiek, niet volstaan worden met een straf waarbij behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. Een gevangenisstraf als stok achter de deur is niet voldoende om te zorgen dat verdachte de nodige behandeling krijgt. Er is daarom een ander forensisch kader noodzakelijk om verdachte adequaat te kunnen behandelen, de maatschappij te beveiligen en het gevaar op herhaling zo veel mogelijk in te perken.
De rechtbank constateert dat is voldaan aan de formele voorwaarden om een tbs-maatregel op te leggen. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2° Sr, waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Ook bestond ten tijde van het begaan van dit misdrijf bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van een tbs-maatregel eist.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden of met dwangverpleging moet worden opgelegd. De rechtbank zal hier de adviezen van de psychiater, de psycholoog en de reclassering volgen. Uit die adviezen volgt dat de tbs-maatregel met voorwaarden – met veel en ingrijpende voorwaarden – als voldoende kader wordt gezien. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval gekozen dient te worden voor de minst ingrijpende tbs-maatregel, te weten de tbs-maatregel met voorwaarden. In dit kader zal verdachte langdurig (klinisch) worden behandeld. De rechtbank zal derhalve aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. Zij neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd.
Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers begrijpt de rechtbank de wens van de slachtoffers om een contact- en locatieverbod op te leggen in het kader van de oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. De rechtbank zal echter geen contact- en/of locatieverbod met de slachtoffers aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbinden ofwel voormelde maatregel opleggen, omdat zij hiertoe geen noodzaak ziet in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting. Verdachte verblijft immers niet meer in de betreffende instellingen en er zijn geen aanwijzingen dat verdachte na de feiten nog contact heeft gelegd of geprobeerd heeft te leggen met de slachtoffers, of zich op andere wijze belastend heeft gedragen jegens de slachtoffers of dat in de toekomst zal doen.
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Uit de rapportage van de psychiater en de psycholoog volgt namelijk dat sprake is van een hoog risico op recidive van een geweldsdelict indien verdachte niet behandeld wordt. De reclassering schat het recidiverisico ook in als hoog. De rechtbank zal daarom bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e Sr is de tbs-maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd als deze bij het niet nakomen van voorwaarden zou worden omgezet naar een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Naast de tbs met voorwaarden acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een gevangenisstraf passend en daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Gevangenisstraf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van de feiten zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank legt wel een lagere straf op dan gevorderd, nu zij de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte zwaarder laat meewegen dan de officier van justitie heeft gedaan. Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal hierop in mindering komen.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De psychiater, de psycholoog en de reclassering schatten het recidiverisico op geweldsdelicten in als hoog en achten langdurige behandeling aangewezen. De rechtbank acht het van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, mocht daartoe een noodzaak blijken. Zij zal daarom het advies van de reclassering overnemen en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging is voldaan, nu verdachte ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 38 juncto artikel 38z, eerste lid onder a, Sr. Naar het oordeel van rechtbank dient de oplegging van deze maatregel het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen.
8 De beoordeling van de civiele vorderingen
Parketnummer 05/267833-25 (benadeelde partij [aangever 1] )
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met het onder 05/267833-25 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 16.912,22, bestaande uit € 4.412,22 aan materiële schade en € 12.500 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
- Materiële schade
Medische kosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van in totaal € 925,89 gevorderd in verband met kosten die zij heeft gemaakt voor fysiotherapie (€ 212,-), het behandelen van het litteken met pleisters en gel (€ 647,64), apotheekkosten (€20,87), kosten voor de aanschaf van een pet (€ 38,99) en hechtpleisters (€ 6,39). De vordering is op dit punt onderbouwd met een kopie van het dossier van de huisarts aangaande het letsel, schermafbeeldingen van de aangekochte littekenpleisters- en gel, een bon van de aangekochte hechtpleisters, een bon van de pet en facturen van een apotheek en een fysiotherapeut. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 925,89 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 7 januari 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Reiskosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 54,58 gevorderd in verband met reiskosten die zij heeft gemaakt voor bezoek aan de huisarts, de praktijkondersteuner, de fysiotherapeut, de apotheek en voor de aanschaf van hechtpleisters en de pet. De vordering is op dit punt onderbouwd met gegevens over de afgelegde kilometers. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 54,58 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 7 januari 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Mantelzorg en huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 150,- gevorderd in verband met mantelzorg die door haar partner werd verricht en een bedrag van € 1.281,75 voor huishoudelijke hulp. Voor de noodzaak van mantelzorg en huishoudelijke hulp wordt verwezen naar het medische dossier en wat betreft de hoogte wordt verwezen naar de letselschaderichtlijn huishoudelijke hulp. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van totaal € 1.431,75 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 7 januari 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Verlies aan verdienvermogen
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.000,- gevorderd in verband met misgelopen onregelmatigheidstoeslagen door arbeidsongeschiktheid. De vordering is op dit punt onderbouwd met de arbeidsovereenkomst met haar werkgever en de CAO waaruit volgt dat zij recht heeft op onregelmatigheidstoeslagen, alsmede salarisspecificaties van de maanden juli, augustus en september 2025. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 2.000,- worden toegewezen. Verdachte is vanaf 7 januari 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
- Immateriële schade
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met het door verdachte gepleegde feit een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen in dit geval namelijk met zich dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding is immers met concrete gegevens onderbouwd dat de benadeelde partij behandeld is voor klachten die passen bij PTSS, dat de klachten nog steeds bestaan, er gekeken wordt naar vervolgbehandeling en dat zij nog altijd niet werkt. De uit het strafbare feit voortvloeiende schade komt dan ook voor vergoeding door verdachte in aanmerking. De hoogte van het schadebedrag is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 12.500,- worden toegewezen. Verdachte is vanaf 10 oktober 2025, de pleegdatum van het feit, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
- Proceskosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 40,- gevorderd aan proceskosten, in verband met de reiskosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de terechtzittingen. Deze reiskosten van de benadeelde partij zelf, die verband houden met het bijwonen van de zitting, betreffen geen kosten die op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal de proceskosten tot vandaag daarom begroten op nul.
- Totaalbedrag
Het vorenstaande maakt dat het totale bedrag aan schadevergoeding uitkomt op € 16.912,22, bestaande uit € 4.412,22 aan materiële schade en € 12.500 aan immateriële schade.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet wordt betaald, kunnen 109 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Parketnummer 05/011938-26 (benadeelde partij [aangever 2] )
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het feit onder parketnummer 05/011938-26 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.741,46, bestaande uit € 1.903,96 aan materiële schade en € 5.837,50 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
- Materiële schade
Kleding
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 244,98 gevorderd in verband kledingstukken die bij het feit onherstelbaar zijn beschadigd. De vordering is op dit punt onderbouwd met schermafbeeldingen van advertenties van de kledingstukken, alsmede een aankoopbewijs voor een deel van de kledingstukken. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 244,98 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 11 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Eigen risico
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 342,02 gevorderd aan kosten voor het eigen risico, voor de zorgkosten die zijn gemaakt in verband met het feit. De vordering is op dit punt onderbouwd met schermafbeeldingen van specificaties van de zorgkosten. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 342,02 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 11 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Sportabonnement
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 119,96 gevorderd aan kosten die zijn gemaakt voor een sportabonnement bij een sportschool, terwijl zij door het letsel niet heeft kunnen sporten. De vordering is op dit punt onderbouwd met transactieoverzichten waarop de afschrijvingen zichtbaar zijn en met een kopie van het medische dossier aangaande het letsel. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 119,96 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 11 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Huishoudelijke hulp
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.197,- gevorderd voor huishoudelijke hulp voor de drie weken waarin zij zelf niet in staat was om huishoudelijk werkzaamheden te verrichten. Het gedeelte van het medische dossier dat betrekking heeft op het letsel is overgelegd. Wat betreft de hoogte wordt verwezen naar de letselschaderichtlijn huishoudelijke hulp. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van totaal € 1.197,- worden toegewezen. Verdachte is vanaf 11 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
- Immateriële schade
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met het door verdachte gepleegde feit een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen in dit geval namelijk met zich dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding is immers met concrete gegevens onderbouwd dat de benadeelde partij behandeld is voor klachten die passen bij PTSS, dat de klachten nog steeds bestaan en dat zij nog altijd niet werkt. De uit het strafbare feit voortvloeiende schade komt dan ook voor vergoeding door verdachte in aanmerking. De hoogte van het schadebedrag is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 5.837,50 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 12 januari 2026, de pleegdatum van het feit, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
- Totaalbedrag
Het vorenstaande maakt dat het totale bedrag aan schadevergoeding uitkomt op € 7.741,46, bestaande uit € 1.903,96 aan materiële schade en € 5.837,50 aan immateriële schade.
- Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet wordt betaald, kunnen 63 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 57, 300 en 302 Sr.
10 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/267833-25 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 05/011938-26 primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:
- verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- verdachte werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;
verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
-
verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
-
als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
-
verdachte laat zich voor zolang als de reclassering nodig vindt opnemen in en behandelen door CTP Veldzicht of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname bij CTP Veldzicht is al gestart in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en verdachte zal bij CTP Veldzicht blijven in het kader van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden.
De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere de psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn
dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
-
verdachte laat zich voor een nader te bepalen periode behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere de psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
-
verdachte verblijft voor een nader te bepalen periode, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op een nader te bepalen moment. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-
verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte werkt mee aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte werkt mee aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
-
verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en werkt, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, mee aan een aanvraag voor beschermingsbewind;
geeft Reclassering Nederland opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Parketnummer 05/267833-25
-
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/267833-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 16.912,22, bestaande uit € 4.412,22 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 12.500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 16.912,22, bestaande uit € 4.412,22 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 12.500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 109 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Parketnummer 05/011938-26
-
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/011938-26 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 7.741,46, bestaande uit € 1.903,96 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, en € 5.837,50 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
-
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 7.741,46, bestaande uit € 1.903,96 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, en € 5.837,50 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 63 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Kok (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. A.T.G. van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2026.
De griffier en mr. T. Kok zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.