Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke geldboete, vanwege vernielingen en het…
Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7895 · Rechtbank Gelderland · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-7895
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/330751-24, 05/186547-25 en 09/057177-26 (gev. ttz)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7895
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke geldboete, vanwege vernielingen en het tijdelijk onbruikbaar maken van eigendommen tijdens Pro-Palestina demonstraties. De rechtbank gaat in op de laakbaarheid van de gedragingen.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/330751-24, 05/186547-25 en 09/057177-26 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 9 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] , Nieuw-Zeeland,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 september 2026.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
05/330751-24
1
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, openlijk, te weten, op/aan [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere goederen te weten de muren en/of gevel en/of (voor)deur van het pand van het [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] en/of camera’s gevestigd aan/nabij dat pand en/of een stoep behorend bij dat pand door:
- meermalen, althans eenmaal, verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, op/tegen de camera's en/of de (voor)deur en/of de (voor)gevel en/of de stoep te spuiten en/of te smeren, en/of
- met verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, een of meer (rode) kruisen in het midden van de pui/ingang en/of (voor)deur te spuiten en/of te smeren,
- met verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, de woorden "Free Gaza", althans woorden van gelijke strekking, op de stoep te spuiten en/of te smeren,
- meermalen, althans eenmaal, pamfletten, althans een daarop gelijkend voorwerp aan de pui en/of (voor)deur en/of de ramen te plakken en/of te bevestigen,
- met lijm, althans een daarop gelijkend voorwerp, het slot van de (voor)deur vol te
stoppen en/of te smeren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de muren en/of gevel en/of (voor)deur en/of ramen van een pand en/of camera's en/of stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, openlijk, te weten, op/aan de Verlengde Paltzerweg 1, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed te weten een waterspeelplaats van/bij het Nationaal Militair Museum door:
- met verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, op/in de waterspeelplaats te spuiten en/of te besmeuren, en/of
- een of meerdere pamfletten te plakken en/of te bevestigen in de waterspeelplaats met daarop teksten als: "Let Gaza be free" en/of "Stop killing children", althans woorden van gelijke strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een waterspeelplaats, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Nationaal Militair Museum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
3
zij op of omstreeks 15 mei 2024 te Arnhem, althans in Nederland, openlijk, te weten, op/aan de Gele Rijdersplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere goed(eren) te weten een fontein en/of de grond/stoep (naast/nabij genoemde fontein) van de Gemeente
Arnhem, door:
- een rode vloeistof en/of poeder, althans een daarop gelijkende substantie, in de fontein te gieten, en/of
- op de rand van die fontein met verf en/of graffiti, althan een daarop gelijkend substantie, een zandloper in een cirkel en/of het symbool van Extinction Rebellion, althans een of meer symbolen, aan te brengen, en/of
- een poster op te hangen met de tekst: "Nederland, schande, bloed aan je handen!" althans woorden van gelijke strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 15 mei 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een fontein en/of de grond/stoep naast/nabij de fontein, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Gemeente Arnhem, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
05/186547-25
zij op of omstreeks 21 maart 2025 te Nijkerk, althans in Nederland, openlijk, te weten op/aan [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere goederen, te weten een vlag en/of een wegdek en/of een stoep van het pand van het [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] , door:
- meermalen, althans eenmaal, verf en/of graffiti en/of krijtspray, althans een daarop gelijkende substantie, op/tegen de wegdek en/of de stoep behorend bij dat pand te spuiten en/of te smeren, en/of
- met verf en/of graffiti en/of krijtspray, althans een daarop gelijkende substantie, een Israëlische vlag onder te spuiten, en/of
- met verf en/of graffiti en/of krijtspray, althans een daarop gelijkende substantie, "bloed aan je handen" en/of "stop kindermoord" en/of "free Gaza" en/of "fck Israel", althans woorden van gelijke strekking, op de stoep en/of wegdek behorend bij dat pand, te spuiten en/of te smeren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 21 maart 2025 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een vlag en/of een wegdek en/of een stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
09/057177-26
zij op of omstreeks 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het CIDI, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat in alle zaken het aangewende geweld tegen goederen zodanig was dat de drempel om te komen tot bewezenverklaring van openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 Sr niet wordt gehaald. Daarvan wordt dus vrijspraak gevraagd. Bewezen is wel telkens de subsidiaire variant van vernieling of beschadiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft telkens vrijspraak bepleit voor de openlijke geweldpleging.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van alle feiten:
Zoals uit de onderstaande aangehaalde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is er in alle zaken sprake van het bekladden en besmeuren van panden en voorwerpen die toebehoren aan de aangeduide organisaties. De vraag is hoe dit juridisch moet worden geduid. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de officier van justitie en de raadsman dat er weliswaar sprake is van uitgeoefend geweld tegen deze voorwerpen, maar de aantasting van de betrokken voorwerpen was, met één uitzondering, allerminst destructief en in bijna alle gevallen uiteindelijk ook weer te herstellen (lees: schoon te maken). Niet is gebleken dat deze relatief lichte vormen van geweldsuitoefening zodanig schokkend waren voor betrokkenen en omstanders dat sprake is van aantasting van de openbare orde. Daarmee rechtvaardigen deze protestacties niet de kwalificatie ‘geweld’ als bedoeld in artikel 141 Sr. In alle zaken volgt daarom vrijspraak van de primaire variant van openlijk geweld tegen goederen. Resteert het subsidiaire verwijt van vernieling, beschadiging of onbruikbaar maken van een voorwerp, waaronder ook het tijdelijk onbruikbaar maken is begrepen.
05/330751-24
Feit 1 ( [organisatie] Nijkerk, 7 juli 2024)
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [organisatie] Nijkerk, p. 48;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 71;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.
Feit 2 (Nationaal Militair Museum Soest, 7 juli 2024)
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Nationaal Militair Museum, p. 299;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 303;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.
Feit 3 (Fontein Gele Rijdersplein Arnhem, 15 mei 2024)
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] namens Gemeente Arnhem, p. 305;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 333-336;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.
05/186547-25 ( [organisatie] Nijkerk, 21 maart 2025)
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [organisatie] Nijkerk, p. 12;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 34;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.
Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat bij de feiten 1 en 2 onder parketnummer 05/330751-24 en het feit onder parketnummer 05/186547-25 sprake is van medeplegen.
Aangezien de stoep niet toebehoort aan het [organisatie] Nijkerk volgt op dit punt partiële vrijspraak bij feit 1 onder parketnummer 05/330751-24 en het feit onder parketnummer 05/186547-25.
09/057177-26 (CIDI Den Haag, 23 februari 2026)
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] namens Stichting CIDI, p. 6;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 8;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onderstaande ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
05/330751-24
1. subsidiair
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de muren en/of gevel en/of (voor)deur en/of ramen van een pand en/of camera's en/of stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2 subsidiair
zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een waterspeelplaats, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Nationaal Militair Museum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3 subsidiair
zij op of omstreeks 15 mei 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een fontein en/of de grond/stoep naast/nabij de fontein, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Gemeente Arnhem, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
05/186547-25
subsidiair
zij op of omstreeks 21 maart 2025 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een vlag en/of een wegdek en/of een stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] Nijkerk en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
09/057177-26
zij op of omstreeks 23 februari 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het CIDI, toebehoorden heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
05/330751-24
feit 1 subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken;
feit 2 subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
feit 3 subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
05/186547-25
subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
09/057177-26
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.
5 De strafbaarheid van de feiten
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitoefening van het demonstratierecht en het recht op vrije meningsuiting telkens kunnen worden beperkt. Dit was in onderhavige zaken gerechtvaardigd en te billijken. Er is geen sprake geweest van een dusdanig chilling effect dat verdachte als gevolg van de genomen strafrechtelijke maatregelen is ontmoedigd in het gebruik maken van haar vrijheid van meningsuiting en vreedzaam demonstratierecht. Verdachte is daarom strafbaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wordt beschermd door de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Verdachte heeft in het kader van vreedzame protesten haar mening geuit. Dat deze meningsuitingen enige schoonmaakkosten en hinder teweeg hebben gebracht, staat niet aan bescherming in de weg. Er is geen onherstelbare schade aan eigendommen veroorzaakt en ook geen geweld tegen personen gebruikt. Verdachte en haar medeverdachte hebben de redelijke kosten van hun handelen vergoed. De raadsman stelt zich daarom primair op het standpunt dat er geen sprake was van laakbaar gedrag en dat reeds om die reden strafrechtelijke maatregelen een schending van genoemde artikelen vormen. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafrechtelijke vervolgingen niet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Daarbij zijn ook de strafrechtelijke maatregelen die al tegen verdachten zijn genomen, zoals de aanhouding en de vrijheidsberoving, relevant. Het met strafrechtelijke maatregelen inperken van de meningsuiting creëert een ontoelaatbaar chilling effect.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte en de medeverdachte hebben de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode verf, pamfletten op de ramen geplakt, twee camera’s met krijtverf bespoten en lijm in het slot gespoten waardoor de voordeur onbruikbaar werd. Bij een latere demonstratie is een Israëlische vlag van het [organisatie] in Nijkerk bespoten met krijtverf. De vlag was niet te herstellen zodat benadeelde een nieuwe vlag heeft moeten bestellen. Daarnaast hebben zij rood poeder in het water van de waterspeelplaats van het Nationaal Militair Museum in Soest gedaan waardoor het water rood kleurde. Verdachte heeft dit ook gedaan in de fontein op het Gele Rijdersplein in Arnhem en daarbij de rand van de fontein bespoten met krijtverf. Tot slot heeft verdachte de ruiten van het CIDI in Den Haag besmeurd met ketchup. Hierdoor zijn de eigendommen van het [organisatie] , het Nationaal Militair Museum, de Gemeente Arnhem en het CIDI vernield of (tijdelijk) onbruikbaar gemaakt. Deze gedragingen zijn in beginsel strafbaar, tenzij zij geacht kunnen worden onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM te vallen.
De rechtbank zal eerst ingaan op het demonstratierecht en de beperking daarvan in het algemeen. Vervolgens zal per feit beoordeeld worden of de beperking van het demonstratierecht noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Het demonstratierecht en het vreedzaamheidsvereiste
Het demonstratierecht is een essentieel recht binnen een democratische samenleving. Het vloeit voort uit de artikelen 7 en 9 van de Grondwet en de artikelen 10 en 11 van het EVRM. In deze bepalingen is het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging gewaarborgd. Deze rechten hangen nauw met elkaar samen en zij beschermen uiteenlopende vormen van protest. Iemand die demonstreert, mag binnen bepaalde grenzen zelf kiezen waar, wanneer en op welke wijze dat gebeurt, maar de demonstratie moet wel vreedzaam verlopen om onder de bescherming van het demonstratierecht te vallen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een demonstratie niet vreedzaam is als de deelnemers gewelddadige intenties hebben, aanzetten tot geweld of (anderszins) de beginselen van een democratische samenleving afwijzen. De rechtbank overweegt dat daar in de onderhavige gevallen geen sprake van is geweest, zodat de demonstraties waaraan verdachte heeft deelgenomen kunnen worden aangemerkt als vreedzame demonstraties.
Beperking van het demonstratierecht in het algemeen
Het recht om te demonstreren is niet absoluut. Ook wanneer sprake is van een vreedzame demonstratie kunnen de rechten zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM onder bepaalde omstandigheden worden beperkt. Een beperking van deze rechten is mogelijk wanneer deze beperking:
-
is voorzien bij wet;
-
een gerechtvaardigd doel dient; en
-
noodzakelijk is in een democratische samenleving.
De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het EHRM een ‘overall’ toets aanlegt. De beperking moet in elk geval worden gezien als een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’). Daarnaast is vereist dat de beperking proportioneel is in verhouding tot het te bereiken doel en dat de redenen voor de beperking afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn.
Demonstraties kunnen een zekere mate van verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) met zich brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen. Dit betekent echter niet dat er nooit strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen strafbare feiten die in relatie tot een demonstratie worden gepleegd. Als iemand die deelneemt aan een vreedzame demonstratie zelf een laakbare gedraging (‘reprehensible act’) verricht, kan diegene worden onderworpen aan (de dreiging van) strafrechtelijk ingrijpen. Daarbij is wel van belang dat het ingrijpen van de autoriteiten niet van dien aard is dat dit ervoor zorgt dat burgers uit angst voor strafrechtelijke vervolging zullen afzien van deelname aan demonstraties en protesten in het algemeen; het zogenoemde ‘chilling effect’. Hiermee kan ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de aard en zwaarte van de eventueel op te leggen straf.
Beperking van het demonstratierecht in deze gevallen
Ten aanzien van alle feiten:
De rechtbank is van oordeel dat de inperking van het demonstratierecht bij wet is voorzien. De beperking vindt namelijk grondslag in de strafbaarstelling van artikel 350 Sr en is niet alleen in het belang van de bescherming van het eigendomsrecht van de respectieve aangevers, maar ook ter voorkoming van (verdere) strafbare feiten. Het strafrechtelijk ingrijpen heeft daarmee een gerechtvaardigd doel gediend.
05/330751-24
Feit 1 subsidiair: [organisatie] Nijkerk, 7 juli 2024
Verdachten hebben betoogd dat de organisatie [organisatie] , die het pand van het [organisatie] huurt, actief de kolonisten in de illegale nederzettingen in de Westbank steunt door hen geld en wapentuig te leveren en de verkoop van landbouwgoederen te promoten. Deze organisatie kiest daarmee bewust en actief partij voor het huidige bewind in Israël en tegen de Palestijnen die steeds meer in de verdrukking komen en wier rechten steeds meer worden geschonden. Daarmee hebben de organisaties [organisatie] en het [organisatie] zich tot legitiem doelwit gemaakt van vreedzame protestacties.
Verdachten hebben daarom de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode krijtverf waarbij grote kruizen op de toegangsdeuren zijn gezet. Verder is lijm in het slot gespoten en zijn twee camera’s met krijtverf bespoten. Zij hebben verklaard dat ze dit gedaan hebben als symbolische actie om aan de gebruikers van het [organisatie] te laten voelen wat de inwoners van Palestina (waarmee zij met name doelen op, zo begrijpt de rechtbank, de Westelijke Jordaanoever) dagelijks voelen wanneer zij niet naar hun eigen woning kunnen. Ze hebben daarom ook pamfletten op de ramen geplakt met de tekst “Ingenomen door kolonisten”.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het geheel van gedragingen van de verdachte in dit geval moet worden aangemerkt als laakbaar gedrag (‘reprehensible act’), waartegen noodzakelijkerwijs mocht worden opgetreden.
Het dichtgelijmde slot moest worden vervangen, zodat hier sprake van vernieling. De overige eigendomsaantastingen waren grotendeels gemakkelijk te herstellen. Desondanks vindt de rechtbank dat sprake is geweest van een verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) die verder is gegaan dan wat met het oog op het demonstratierecht nog als acceptabel moet worden gezien. De rechtbank weegt daarin mee dat het doelwit van de demonstratie een organisatie is die een politieke positie in het conflict vertegenwoordigt.
In een democratische rechtsstaat heeft ook de aangevallen organisatie recht op een mening en mag die mening ook uitdragen. Verdachten hebben door op deze wijze de toegang tot het gebouw tijdelijk te belemmeren doelbewust de gebruiksmogelijkheden van het gebouw beperkt.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het strafrechtelijk ingrijpen en daarmee de inperking van het demonstratierecht in dit geval noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Feit 2 subsidiair: Nationaal Militair Museum Soest, 7 juli 2024 en
feit 3 subsidiair: Fontein Gele Rijdersplein Arnhem, 15 mei 2024
Gelet op de overlap in de feiten zal de rechtbank de strafbaarheid van deze feiten gezamenlijk bespreken.
Verdachte en de medeverdachte hebben bij de waterspeelplaats van het Nationaal Militair Museum in Soest een rood poeder in het water gedaan. Verdachte heeft dit ook gedaan in de fontein op het Gele Rijdersplein in Arnhem en daarbij de rand van de fontein bespoten met krijtverf door het logo van Extinction Rebellion hierop te spuiten. De rechtbank is van oordeel dat hiermee schade is ontstaan aan de waterspeelplaats en de fontein. Aan de orde is de vraag of deze handelingen ook laakbare gedragingen (‘reprehensible act’) zijn, waartegen noodzakelijkerwijs mocht worden opgetreden, waarbij het volgende relevant is.
Enerzijds gaat het hier om aantasting van eigendommen van openbare instanties die buiten het Israëlisch/Palestijnse conflict staan. Anderzijds kunnen demonstraties een zekere mate van verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) met zich meebrengen. De waterspeelplaats en de fontein waren relatief gemakkelijk en snel schoon te maken. Ook het logo op de rand van de fontein ging er gemakkelijk af. Daarmee kan niet gesproken worden van demonstraties waarbij sprake was van een verdergaande verstoring van het dagelijkse leven dan toegestaan. Het gedrag van verdachte kan daarom in deze gevallen niet als laakbaar worden aangemerkt zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de inperking van het demonstratierecht niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. Verdachte zal daarom bij de feiten 2 en 3 ontslagen worden van alle rechtsvervolging.
05/186547-25
Subsidiair: [organisatie] Nijkerk, 21 maart 2025
Verdachte heeft met een ander de Israëlische vlag van het [organisatie] bespoten met verf. Er is sprake van onherstelbare schade en de vlag moest worden vervangen. Dit feit heeft een bijzondere politieke maar ook psychologische en emotionele lading. De Israëlische vlag bestaat uit een wit horizontaal doek met onder en boven twee horizontale blauwe banen en daartussen een blauwe Davidster. Deze Davidster is van oudsher hét symbool bij uitstek voor het Jodendom en het Joodse volk. Daarnaast is dezelfde Davidster, onder de benaming ‘Jodenster’ door de eeuwen heen ook op schandelijke wijze misbruikt om Joodse burgers apart te zetten, te onderdrukken en te vervolgen, tijdens de middeleeuwse pogroms, uiteindelijk resulterend in de Holocaust tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voorstelbaar is dat talloze Joodse burgers geschokt en zeer onaangenaam verrast zijn als juist dit symbool wordt besmeurd, ook wanneer men het op zichzelf eens zou zijn met de bedoeling van de protestactie. Actievoeren ten behoeve van de Palestijnse burgers die, in de optiek van actievoerders, worden onderdrukt door het huidige Israëlische bewind is toegestaan, maar zij hebben daarbij ook rekening te houden met dit soort bijzondere gevoeligheden. Hiermee is deze protestactie de grenzen van het toelaatbare te buiten gegaan.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de inperking van het demonstratierecht in dit geval noodzakelijk was in een democratische samenleving.
09/057177-26
CIDI Den Haag, 23 februari 2026
Verdachte heeft vanuit solidariteit naar een demonstrant, die op deze dag voor de rechtbank moest verschijnen, de ramen van het gebouw van het CIDI besmeurd met ketchup. De rechtbank overweegt dat sprake is van herstelbare schade, maar dat desondanks gesproken kan worden van laakbaar gedrag. Dit heeft te maken met het doelwit van de demonstratie.
Volgens verdachte verspreidt het CIDI desinformatie en probeert men kritiek op Israël gelijk te stellen aan antisemitisme. Dat is volgens de rechtbank echter onvoldoende om tot deze fysieke actie over te gaan, hoe onbenullig misschien ook.
Het CIDI is volgens de website verbonden met het democratische Israël en richt zich op het recht op veiligheid van het Joodse volk en het bestrijden van antisemitisme. De organisatie biedt informatie over Israël en het Midden-Oosten en organiseert bijeenkomsten met politici en vertegenwoordigers van Israël. Zij heeft echter een bredere doelstelling, waarbij bijvoorbeeld ook voorlichting wordt gegeven over de Holocaust en de vervolging van het Joodse volk door de eeuwen heen. Dat laatste is in elk geval volstrekt legitiem en zal ook niet op bezwaren van de actievoerders stuiten. Algemeen bekend is dat het CIDI voortdurend doelwit is van acties en demonstraties.
Dit betekent dat ook in dit geval sprake is geweest van laakbaar gedrag, zodat de conclusie is dat in dit geval de inperking van het demonstratierecht noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Chilling effect van de wijze van aanhouding
De verdediging heeft verder het volgende aangevoerd. Verdachte werd op 7 juli 2024 aangehouden in haar woning. In de context van deze zaak moet de aanhouding als excessief worden bestempeld, waarna de vrijheidsberoving ruim vijf uur duurde. In de CIDI-zaak is verdachte zelfs bijna acht uur van haar vrijheid beroofd geweest, terwijl zij op straat op de politie is blijven wachten en zichzelf wilde aangeven. Het daarbovenop strafrechtelijk vervolgen van verdachte maakt dat het geheel van strafrechtelijk ingrijpen niet proportioneel is en kan tot effect hebben dat verdachte in de toekomst afziet van het gebruik maken van haar recht op demonstratie.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Als sprake is van strafbaar gedrag van demonstranten, mag door de politie worden ingegrepen. De wijze van ingrijpen kan echter zodanig zijn dat hiermee een ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking op het demonstratierecht moet, zoals hiervoor al genoemd, een ‘overall’-toets worden aangelegd. De door de politie en justitie genomen maatregelen moeten daarbij worden afgewogen tegen de ernst van het laakbare gedrag van de demonstranten. Het kan zijn dat van die maatregelen een zodanig temperend (‘chilling’) effect is uitgegaan dat de demonstranten en/of anderen in de toekomst geen gebruik meer durven te maken van hun demonstratierecht. Als dat het geval is, gaat de inperking te ver.
De rechtbank is van oordeel dat het de politie in de gegeven omstandigheden op zichzelf vrij stond om over te gaan tot de aanhouding van verdachte en de daarop volgende vrijheidsberoving, omdat verdachte ervan verdacht werd tijdens de demonstraties strafbare feiten te hebben gepleegd en zij haar hierover wilde horen. De rechtbank constateert wel dat de aanhouding van verdachte op 7 juli 2024 heftig is geweest. Een heel team geüniformeerde agenten kwam verdachte op zondagmiddag thuis ophalen. Nadat de deur was geopend en haar partner zei dat verdachte boven was, zijn de agenten naar boven gegaan en daar hebben zij, kennelijk, verdachte in de slaapkamer en in het bijzijn van haar dochter aangehouden. De rechtbank vraagt zich af waarom verdachte niet gewoon telefonisch of schriftelijk is uitgenodigd om naar het politiebureau te komen om enkele vragen te beantwoorden. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat zij daaraan geen gehoor zou hebben gegeven.
De rechtbank overweegt dat het in de rechtspraak gehanteerde begrip chilling effect in de eerste plaats ziet op een excessief publiekelijk optreden van de overheid tijdens een demonstratie. Bijvoorbeeld een gewelddadig ingrijpen met traangas, waterkanonnen wapenstok en rubberen kogels om een overigens vreedzame betoging uiteen te slaan. Een dergelijk politieoptreden kan vreedzame demonstranten ervan weerhouden in de toekomst nogmaals deel te nemen aan een betoging. Dit kan worden gezien als een ontoelaatbare aantasting van het demonstratierecht.
Van zodanig publiekelijk optreden was in dit geval geen sprake.
Niet is uitgesloten dat overheidsoptreden in een meer besloten setting (dagen na) na beëindiging van de demonstratie zodanig kan zijn dat betrokkene uit vrees voor herhaling in de toekomst wordt afgehouden van demonstreren. Verdachte is na deze aanhouding later weer op vergelijkbare wijze is gaan demonstreren. Het optreden van de politie heeft haar er derhalve niet van weerhouden opnieuw te gaan demonstreren.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het optreden van de politie niet van dien aard is geweest dat gesproken kan worden van een zodanig chilling effect dat dit moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging.
Conclusie
Nu ook anderszins geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is voor feit 1 subsidiair onder parketnummer 05/330751-24, het subsidiaire feit onder parketnummer 05/186547-25 en het feit onder parketnummer 09/057177-26.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van 800 euro, waarvan 300 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gevraagd om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte en de medeverdachte hebben de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode verf en zij hebben lijm in het slot gespoten. Daarnaast zijn pamfletten met onder andere de tekst ‘Ingenomen door kolonisten’ op de ramen geplakt en zijn camera’s met krijtverf bespoten. Bij een latere demonstratie is een vlag van het [organisatie] in Nijkerk bespoten met krijtverf. Daarnaast heeft verdachte de ruiten van het CIDI in Den Haag besmeurd met ketchup. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het [organisatie] en het CIDI waarbij dezen niet alleen hinder hebben ondervonden, maar ook schade hebben geleden. De rechtbank vindt in die gevallen dat de demonstraties een verdergaande verstoring van het dagelijkse leven hebben opgeleverd dan in het kader van het demonstratierecht is toegestaan en dat daarmee sprake is geweest van strafbare feiten. Het is positief te noemen dat vrijwel alle schade door verdachte en/of de medeverdachten inmiddels is vergoed. De rechtbank constateert dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd vanwege haar bezorgdheid over de situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte door aldus te handelen welbewust de keuze heeft gemaakt om haar mening via schending van het eigendomsrecht voorrang te geven op de andersluidende mening van het [organisatie] en het CIDI.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld en geldboetes opgelegd heeft gekregen.
Vanwege de aard, ernst en impact van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging zoals bepleit door de raadsman. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat de strafzaak aanvankelijk was gepland bij de politierechter, maar daar is verwezen naar de meervoudige kamer. Hierdoor heeft deze strafzaak langer boven het hoofd van verdachte gehangen. Verder weegt de rechtbank mee dat van de op te leggen straf geen ‘chilling effect’ mag uitgaan: dat verdachte uit angst voor strafrechtelijke vervolging in de toekomst zal afzien van deelname aan demonstraties en protesten in het algemeen.
De rechtbank merkt op dat het recht om te demonstreren een belangrijk grondrecht is. De vrijheid van verdachte om aandacht te vragen voor maatschappelijke onderwerpen waar zij voor wil opkomen is een groot goed. De rechtbank wil met de op te leggen straf dan ook niets afdoen aan de inhoudelijke boodschap van verdachte en waar zij voor staat. Tegelijkertijd is er ook een grens waar het gaat om het uiten van deze boodschap ten koste van – in dit geval – het eigendomsrecht van anderen. Daarbij is ook van belang dat het een feit van algemene bekendheid is dat de instanties waar de strafbare feiten zijn gepleegd veelvuldig te maken hebben met bedreigingen en dat ook deze instanties het recht hebben hun gedachtengoed kenbaar te maken in onze democratische rechtstaat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een deels voorwaardelijke geldboete passend is. De rechtbank komt tot een lagere geldboete dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank minder feiten dan de officier van justitie strafbaar vindt. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een geldboete van € 500,-. Een deel van deze geldboete, namelijk € 200,-, is voorwaardelijk en de rechtbank verbindt hier een proeftijd van één jaar aan.
8 De beoordeling van de civiele vorderingen
De vorderingen
De benadeelde partij [organisatie] Nijkerk heeft in verband met feit 1 van parketnummer 05/330751-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 1.388,20 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij Nationaal Militair Museum heeft in verband met feit 2 van
parketnummer 05/330751-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde
partij vordert € 383,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij CIDI heeft in verband met het feit onder parketnummer 09/057177-26
een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 180,- aan
materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [organisatie] Nijkerk met betrekking tot de kosten voor de opvolging, het downloaden en het verstrekken van de beelden waarvoor een bedrag van € 822,80 wordt gevraagd, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe primair aangevoerd dat deze kostenpost niet kan worden aangemerkt als ‘redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid’ zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom het bedrag zo hoog is.
De officier van justitie heeft zich voor wat betreft dit deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor het overige hebben de officier van justitie en de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, omdat de gevorderde kosten al aan de benadeelde partijen zijn vergoed.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de schadepost die ziet op het downloaden en het verstrekken van de videobeelden onvoldoende is onderbouwd. Niet duidelijk is waarom met deze ogenschijnlijk eenvoudige handeling een bedrag van € 822,80 is gemoeid. De behandeling van de schadepost levert, nu nadere bewijsvoering nodig zou zijn om die duidelijkheid te krijgen, een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.
Ten aanzien van de overige vorderingen overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat verdachte de door de benadeelde partijen gemaakte kosten zoals hierboven genoemd reeds heeft vergoed, of dat dit door één van de medeverdachten is gedaan. De rechtbank zal om die reden de vorderingen van benadeelde partijen [organisatie] Nijkerk, Nationaal Militair Museum en CIDI (deels) afwijzen.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair van 05/330751-24 en primair van 05/186547-25;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair onder parketnummer 05/330751-24 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;
verklaart verdachte voor feit 1 subsidiair onder parketnummer 05/330751-24, het subsidiaire feit onder parketnummer 05/186547-25 en het feit onder parketnummer 09/057177-26 strafbaar;
legt op een geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van deze geldboete, te weten € 200,-, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij [organisatie] Nijkerk
verklaart de benadeelde partij [organisatie] Nijkerk met betrekking tot de kosten voor de opvolging, het downloaden en het verstrekken van de beelden (€ 822,80) niet-ontvankelijk in de vordering;
wijst de vordering tot materiële schade voor het overige af;
Benadeelde partij Nationaal Militair Museum
wijst de vordering tot materiële schade van de benadeelde partij Nationaal Militair Museum af;
Benadeelde partij CIDI
wijst de vordering tot materiële schade van de benadeelde partij CIDI af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. I. de Bruin en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2026. De griffier is buiten staat om dit vonnis te ondertekenen. |
||