Strafrecht overig

Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf voor het vervoeren en aanwezig hebben van methamfetamine.

Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
05-196450-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7922
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf voor het vervoeren en aanwezig hebben van methamfetamine.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/196450-25

Datum uitspraak : 12 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] (hierna: [verdachte] ),

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP aan [adres] te [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. L.S. Wachters, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of heeft vervoerd, een hoeveelheid methamfetamine, te weten (ongeveer) 9480 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) reden op 14 januari 2025 in uniform in een opvallend dienstvoertuig in Arnhem. Hun verkeerslicht straalde groen uit en zij zagen een auto van rechts naderen, die hortend en stotend de kruising over kwam rijden. Zij hadden het vermoeden dat die auto een rood uitstralend verkeerslicht had genegeerd. Aangezien de bestuurder hortend en stotend zijn weg vervolgde en vervolgens zijn alarmverlichting instelde, hebben zij de bestuurder staande gehouden om te vragen wat hij aan het doen was. Bij het benaderen van het voertuig zagen de verbalisanten twee personen uit het voertuig springen die het voertuig gingen aanduwen. [verbalisant 2] hoorde hen zeggen dat de accu van het voertuig leeg was en dat ze naar een laadstation moesten. Medeverdachte [medeverdachte 1] was de bestuurder van de auto, medeverdachte [medeverdachte 2] zat rechts voorin de auto en [verdachte] zat links achterin de auto.

Uit de bevraging van het voertuig door [verbalisant 1] bleek dat het voertuig was gehuurd. Daarna kreeg [verbalisant 1] een foutmelding in zijn operationele informatiesystemen. Vervolgens vroegen de verbalisanten aan [medeverdachte 1] een geldig rijbewijs. [medeverdachte 1] overhandigde zijn rijbewijs, maar omdat [verbalisant 1] bij het bevragen van dit rijbewijs wederom een storing kreeg, was op dat moment niet duidelijk of het rijbewijs geldig was. De verbalisanten zijn vervolgens verder gereden.

Bij het wegrijden kreeg [verbalisant 1] alsnog de bevraging binnen. Het bleek dat het rijbewijs van bestuurder [medeverdachte 1] ongeldig was verklaard en dat hij zijn rijbewijs nog niet had ingeleverd bij het CBR. Daarnaast zag hij dat [medeverdachte 1] meerdere antecedenten had en als vuurwapengevaarlijk bekend stond. Vervolgens zijn zij teruggereden naar het voertuig en zagen ze dat de drie mannen buiten het voertuig stonden. De verbalisanten hebben [medeverdachte 1] medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij het in moest leveren. [medeverdachte 1] zei dat het allemaal niet klopte en dat hij onlangs had betaald aan het CBR. Hij liet documenten zien aan [verbalisant 1] en daarop stond ook dat zijn rijbewijs ongeldig was. Hierop heeft [verbalisant 1] zijn rijbewijs ingenomen. Na bevraging bleek dat [verdachte] geen rijbewijs had en dat hij gesignaleerd stond onder schorsende voorwaarden en dat [medeverdachte 2] antecedenten had en ook als vuurwapengevaarlijk bekendstond.

Gezien de samenstelling, het gedrag en de politionele informatie vroegen de verbalisanten de mannen of zij in het bezit waren van wapens of vuurwapens. Zij ontkenden dat, gaven toestemming om hen te fouilleren en het viel [verbalisant 1] op dat [verdachte] naar zijn nektas keek. Bij de fouillering vond [verbalisant 1] in de nektas van [verdachte] een groot mes, vermoedelijk een stiletto. [medeverdachte 2] werd ook gefouilleerd, maar er werd niets aangetroffen. Vervolgens wilde [verbalisant 1] [medeverdachte 1] fouilleren, maar hij zag dat deze naar het rechterachterportier liep en iets deed op de achterbank. [verbalisant 1] zei dat [medeverdachte 1] daar weg moest blijven en dat hij zijn handen wilde zien. [medeverdachte 1] kwam naar [verbalisant 1] toe en liet zich fouilleren. [verbalisant 1] wilde kijken wat [medeverdachte 1] bij het achterportier had gedaan, maar [medeverdachte 1] ging voor [verbalisant 1] staan, zodat hij niet op de achterbank kon kijken. [verbalisant 1] heeft [medeverdachte 1] vervolgens weggetrokken en hij zag een grote kartonnen doos staan op de achterbank. Aangezien [medeverdachte 1] daar iets had gedaan, keek [verbalisant 1] in de doos die geopend was. Hij zag hierin meerdere vuilniszakken waarvan er één deels open stond. Hij zag hierin meerdere bakjes met daarin witte kristalachtige substantie, wat hij herkende als mogelijke harddrugs. Verder roken de verbalisanten een sterke chemische geur in de auto. [verbalisant 1] wilde aan zijn collega aangeven wat hij had gezien toen hij zag dat [medeverdachte 1] in zijn richting keek.

Vervolgens zagen de verbalisanten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het op een lopen zetten. [verbalisant 1] heeft [verdachte] vastgegrepen en aangehouden. [medeverdachte 1] rende weg en is niet meer aangetroffen. [verbalisant 2] is achter [medeverdachte 2] aan gerend en heeft meermaals luidkeels geroepen: “politie, staan blijven”. Hij zag dat [medeverdachte 2] bleef rennen. Uiteindelijk heeft [verbalisant 1] hem aangehouden.

Bij de doorzoeking van het voertuig zijn goederen aangetroffen. Dit waren, onder andere, twee iPhones en een op de rechterkant van de achterbank staande doos met daarin verschillende zwarte vuilniszakken, waarin doorzichtige plastic bakjes met daarin een witte en kristalachtige substantie zaten. Deze goederen zijn in beslag genomen. Het gedeelte van één van de vuilniszakken dat gedraaid zat, is bemonsterd door de politie. Daarna is dit onderzocht door Eurofins TMFI en hieruit bleek dat het DNA-mengprofiel afkomstig is van minimaal vier donoren. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] komt overeen met dit DNA-mengprofiel. De frequentie van voorkomen van dit DNA-profiel is berekend en is kleiner dan één op één miljard. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2] één van de donoren van celmateriaal in de bemonstering is geweest. De witte substantie is vervolgens forensisch onderzocht door de politie en daarbij zijn sporen veiliggesteld. Het NFI heeft de witte substantie onderzocht en het bleek te gaan om 9480 gram methamfetamine.

Verder is een van de in beslag genomen telefoons, de iPhone 7, te koppelen aan [medeverdachte 2] . Op deze telefoon zijn chatberichten aangetroffen die gingen over de verwerking en productie van methamfetamine en de grondstoffen die daarvoor nodig zijn. Ook werden berichten verzonden waarin werd gedeeld wat de aanwezige voorraad was en er werd gesproken over transport. In het bijzonder werd gesproken over 9,580 kilo (op 14 januari 2025 is het bericht verstuurd: “We hebbe 9,580 kilo bij”). Daarnaast werd ook gesproken over afspraken over geld en betalingen en het ronselen van mensen voor uithaaloperaties.

De andere telefoon, een iPhone 8, is te koppelen aan [verdachte] . De telefoon is in de broekzak van [verdachte] aangetroffen. In deze telefoon zijn foto’s van methamfetamine en werkinstructies voor de verwerking van harddrugs aangetroffen. Ook zijn er Snapchatberichten aangetroffen in de periode tussen 1 januari 2025 en 13 januari 2025 waarin werd gesproken over het verwerken van drugs, het schoonmaken van een lab, het ophalen van harddrugs en het uithalen van harddrugs. Op 13 januari 2025 chat [medeverdachte 2] aan [verdachte] : “We hebbe morge wel product in de auto”. Daarnaast chat [medeverdachte 1] diezelfde dag met [verdachte] het volgende:

• Fit rij je met ons mee of ga je zelf naar daar

•Ik rij met bing naar jullie

• GelreDome ?

•Jaa als goed is wel man

Uit de analyse van de chathistorie kan worden opgemaakt dat [verdachte] hier heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] en mogelijk met [medeverdachte 1] .

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging in Arnhem 9480 gram methamfetamine opzettelijk aanwezig hebben gehad en vervoerd. Verdachte is op 14 januari 2025 met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tezamen met een grote doos bevattende 9480 gram Methamfetamine al rijdend in een auto aangetroffen. Verdachte heeft naast deze grote doos gezeten. Er hing een sterke chemische geur in de auto en verdachte had in zijn nektasje een groot mes bij zich. Verder blijkt uit het onderzoek van de telefoon van verdachte dat hij zich bezighield met de productie en handel in drugs. Daarnaast heeft hij de dag voorafgaand aan de aanhouding met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gechat over het hebben van een product in de auto en het meerijden met elkaar. Ook is door medeverdachte [medeverdachte 2] op de dag van de aanhouding een bericht verstuurd waarin de exact aangetroffen hoeveelheid drugs is benoemd. Op grond van genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank voorts van oordeel dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of heeft vervoerd, een hoeveelheid methamfetamine, te weten (ongeveer) 9480 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat een groot deel van de straf voorwaardelijk dient te worden opgelegd gelet op de jurisprudentie. Hieraan kunnen bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder, zo nodig, begeleid wonen. Verder heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten in een auto bijna negen en een halve kilo aan methamfetamine vervoerd. Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. Verdachte heeft hier, door de drugs te vervoeren, indirect aan bijgedragen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 12 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij meermaals is veroordeeld voor verschillende feiten en dat hij ten tijde van het plegen van dit feit in een proeftijd liep.

De reclassering heeft een rapport opgesteld met datum 9 april 2026 en hieruit blijkt het volgende. Verdachte heeft het feit gepleegd tijdens een lopende proeftijd en een lopend reclasseringstraject, maar hij heeft hier niets over gemeld aan zijn toezichthouder. Dit traject is in juni 2025 positief afgesloten. Tussen 2020 en 2023 heeft verdachte trajecten gevolgd bij de jeugdreclassering. De reclassering ziet een aantal risicofactoren. Verdachte heeft geen huisvesting, hij heeft schulden en hij heeft geen identiteitsbewijs. Verdachte verblijft bij vrienden of zijn vriendin, met wie hij een zoon van zeven maanden oud heeft. Samenwonen is geen optie voor hen omdat dat niet lukt. De reclassering heeft geen beeld gekregen waar verdachte verblijft. Verder heeft verdachte de afgelopen jaren op diverse plekken gewerkt, maar het is niet gekomen tot een vast contract, mede door het ontbreken van een identiteitsbewijs. Verdachte zegt dat hij geen contact meer heeft met zijn medeverdachten, maar er is verder niets bekend over zijn sociale netwerk. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht, waardoor de reclassering het opstellen van een plan van aanpak niet mogelijk acht. De reclassering kan de risico’s ook niet inschatten en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij geen mogelijkheden zien met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

Naar het oordeel van de rechtbank is wegens de ernst van de feiten enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank onder meer rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De LOVS-oriëntatiepunten gaan bij het vervoeren van tussen de negen en tien kilo harddrugs uit van 36 maanden gevangenisstraf. De rechtbank heeft op grond van het dossier en wegens de proceshouding van verdachte geen inzicht gekregen in de rol van verdachte bij de bewezenverklaarde feiten, waardoor de rechtbank daar geen rekening mee kan houden. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De beoordeling van het beslag

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoon op de beslaglijst van verdachte met voorwerpnummer G3410747 verbeurd dient te worden verklaard, omdat deze telefoon is gebruikt bij het plegen van het strafbare feit. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de in de auto gevonden telefoon merk/type X terug dient te worden gegeven aan de (onbekende) rechthebbende.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank zal de telefoon op de beslaglijst van verdachte met voorwerpnummer G3410747 die aan verdachte toebehoort met behulp waarvan bewezenverklaarde is begaan verbeurd verklaren.

De rechtbank merkt op dat de telefoon van het merk/type X niet is vermeld op de beslaglijst. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt echter dat de rechtbank een beslissing over ex artikel 94 Sv in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, dient te nemen als ter terechtzitting blijkt dat op die voorwerpen nog beslag rust, ook als de beslaglijst geen melding van die voorwerpen maakt. Uit het dossier blijkt dat op de onderstaande voorwerpen nog beslag rust en de rechtbank beslist daarom als volgt. De rechtbank zal de teruggave van telefoon X aan de (onbekende) rechthebbende gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 33, 33a 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart verbeurd de telefoon met voorwerpnummer G3410747;

 gelast de teruggave van de telefoon merk/type X aan de (onbekende) rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel en

mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2026.

Mr. J.L. Wesstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025021422, gesloten op 1 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-19; Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21-22. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 23. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 195 en 197-198, Het proces-verbaal van bevindingen, p. 111-115. Het schriftelijke bescheid, te weten een Rapport Forensisch DNA-onderzoek door [persoon] , p. 130-133. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 111-114. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 122; Het schriftelijk bescheid, te weten het NFI rapport d.d. 16 januari 2025, p. 129. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 62-67. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 93-97. Kennisgeving van inbeslagneming telefoon X, p. 199. ECLI:NL:HR:2012:BW1486.