Strafrecht overig

Verdachte wordt vrijgesproken van online handelsfraude (326e Sr), omdat de rechtbank niet wettig en…

Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
05-299264-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7927
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van online handelsfraude (326e Sr), omdat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen vindt dat verdachte producten heeft verkocht met het oogmerk de producten niet te leveren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/299264-25

Datum uitspraak : 12 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] te [woonplaats] .

Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 september 2026.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op meerdere, althans één tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2024 t/m 16 juni 2025 te Enschede, Geleen, Breda, Rotterdam, Beverwijk, Amstenrade, Nieuw-Vennep, Deventer, Almelo en/of Doesburg, in elk geval in Nederland, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen en/of het verlenen van diensten tegen betaling, te weten

- via Instagram een paar schoenen, merk: Louis Vuitton, aan [aangever] voor €115 euro en/of

- via Instagram een paar schoenen, merk: New Balance, type: 360 Triple, kleur: black, aan [aangever] voor €108 euro en/of

- via Instagram een paar schoenen, merk: New Balance, type: 9060, aan [aangever] voor €98 euro en/of

- via Instagram twee paar schoenen, merk: Gucci en/of UGGS, aan [aangever] voor €155 euro en/of

- via Instagram twee paar schoenen, merk: New Balance, type: 9060, kleur: zwart, aan [aangever] voor €130 euro en/of

- via Instagram een paar schoenen, merk: Dior, type: B30, aan [aangever] voor €130 euro en/of

- via Instagram een paar schoenen, merk: Chanel, aan [aangever] voor €130 euro en/of

- via Instagram twee paar schoenen, merk: New Balance, type: 9060, aan [aangever] voor €80 euro en/of

- via Instagram een paar schoenen aan [aangever] voor €113 euro en/of

- via Instagram drie paar schoenen, twee jassen en een muts, merk: Canada Goose, Nike, Adidas en/of Louis Vuitton, aan [aangever] voor €330 euro,

met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren.

2 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en dat verdachte wordt veroordeeld tot 80 uur taakstraf waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit, omdat verdachte bij het ontvangen van de betalingen en daarmee het aangaan van de verplichtingen tot levering van het bestelde aan haar klanten, niet het oogmerk heeft gehad de bestellingen niet te leveren.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte via Instagram handelde in producten en dat tien personen de door hen bestelde goederen wel aan verdachte hebben betaald, maar niet hebben ontvangen.

Aan verdachte is online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd. Daarvan is, kort gezegd en voor zover hier van belang, sprake als de verdachte een beroep of gewoonte maakt van het via een geautomatiseerd netwerk (het internet) verkopen van goederen of diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering van die goederen de betaling te ontvangen. Van oogmerk is sprake als de verdachte goederen aanbiedt terwijl hij weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat hij niet zal leveren. Hierbij merkt de rechtbank op dat online handelsfraude moet worden onderscheiden van slecht ondernemerschap. Slecht ondernemerschap is op zichzelf niet strafbaar. Dat neemt niet weg dat slecht ondernemerschap kan overgaan in handelsfraude bij moedwillige wanprestatie, te weten het voornemen om niet te leveren, maar wel de betaling te incasseren.

Verdachte heeft verklaard dat het leveren van de producten aan haar klanten niet goed is gegaan. Zij kocht producten in China in, maar de producten die zij inkocht werden op enig moment niet meer aan haar geleverd. Hierdoor heeft zij de producten niet kunnen leveren aan haar klanten. Ook heeft verdachte verklaard dat zij twee stopgesprekken heeft gehad met de politie, dat zij daarna alleen lopende bestellingen heeft proberen af te handelen en dat zij, wegens de inbeslagname van haar telefoon, niet meer kon zien welke klanten hun producten nog niet hadden ontvangen en deze dus ook niet alsnog naar hen kon verzenden.

Verdachte heeft op 8 mei 2024 en 11 juni 2024 stopgesprekken gehad met de politie. De grondslag hiervan waren 21 meldingen over niet geleverde producten op naam van verdachte. Tijdens de stopgesprekken is tegen verdachte gezegd dat zij moest stoppen met het verkopen van producten en het niet leveren van producten na betaling. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij na deze gesprekken enkel nog lopende bestellingen heeft afgerond. Echter, de rechtbank stelt vast dat de betalingen door de aangevers in de voorliggende tenlastelegging zijn gedaan tussen 1 september 2024 en 16 juni 2025 ergo na de stopgesprekken. Verder heeft verdachte verklaard dat zij geen producten meer kon leveren omdat haar telefoon door de politie in beslag was genomen. Ook hierover stelt de rechtbank vast dat dit onjuist is. De telefoon van verdachte is blijkens het dossier in beslag genomen op 5 augustus 2025. Verdachte had dus in de tenlastegelegde periode de beschikking over haar telefoon en over haar bestellingen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het niet leveren van de bestelde producten derhalve een andere oorzaak hebben.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting overweegt de rechtbank daarover het volgende. Verdachte is niet in staat gebleken een goede administratie te voeren, wat wel van haar kon en mochten worden verwacht als ondernemer. Verdachte heeft haar administratie bijgehouden in haar Instagramaccount door middel van chatberichten met klanten en lijkt hierdoor het overzicht te zijn kwijtgeraakt. Verder bevat het dossier indicaties dat verdachte veel meer producten heeft ingekocht dan zijn besteld door de aangevers. Dit zou erop kunnen duiden dat verdachte andere bestellingen wel heeft geleverd. De rechtbank verwijst hierbij naar de 72 transacties die zijn verricht via DHGate in de periode van 1 september 2024 tot en met 8 september 2024. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte producten heeft verkocht met het oogmerk de producten niet te leveren.

De rechtbank zal verdachte integraal vrijspreken van de online handelsfraude.

Het voorgaande neemt niet weg dat sprake is geweest van slecht ondernemerschap en dat het de verantwoordelijkheid van verdachte is de bestelde goederen te leveren of het geld terug te betalen aan de klanten. Het ligt daarom op de weg van verdachte om de aangevers en mogelijke andere gedupeerden alsnog terug te betalen.

4 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 271,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 115,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 330,00 aan materiële schade en € 250,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Overweging van de rechtbank

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.

5 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2026.

Mr. J.L. Wesstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.