Strafrecht overig
Vrijspraak in zedenzaak in verband met het ontbreken van steunbewijs. In het dossier bevinden zich…
Rechtbank Gelderland, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8004 · Rechtbank Gelderland · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-8004
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/123520-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:8004
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak in zedenzaak in verband met het ontbreken van steunbewijs. In het dossier bevinden zich verklaringen van getuigen – die aangeefster vlak na de gebeurtenis hebben gesproken – maar deze verklaringen hebben allemaal dezelfde bron, namelijk aangeefster. Wel hebben deze getuigen emoties bij aangeefster waargenomen. Die emoties kunnen passen bij iemand die net tegen haar wil seksuele handelingen heeft ondergaan, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben. Emoties of plotselinge gedragsverandering kunnen dienen als steunbewijs, maar alleen in het geval er geen andere logische oorzaak is dan bevestiging van het verhaal van aangeefster. Dat is hier niet met zekerheid te zeggen. Daarmee is niet gezegd dat het wel of niet is gebeurd, maar alleen dat er behoedzaam moet worden omgegaan met het verbinden van conclusies aan die emoties. Om die reden kan het hier wat de rechtbank betreft niet dienen als steunbewijs. Ander bewijs dat de verklaring van aangeefster zou kunnen ondersteunen, ontbreekt.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/123520-26
Datum uitspraak : 8 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsman: mr. T. Polat, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting
van 24 september 2026.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland,
met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of bewegen van een of meer vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
- het betasten van de schaamstreek en/of borsten van die [aangever] en/of
- het zich laten aftrekken en/of zich laten betasten en/of vasthouden aan/bij/van zijn geslachtsdeel door die [aangever] en/of
- het kussen in/van de nek en/of tepel van die [aangever] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak.
2 De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan de rechtbank het volgende vaststellen.
Aangeefster [aangever] (hierna: [aangever] ) en verdachte hebben op 22 februari 2025 met elkaar afgesproken in de woning van verdachte in [plaats] . In de woning hebben de tenlastegelegde seksuele handelingen plaatsgevonden, te weten:
- het brengen en/of bewegen van een of meer vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
- het betasten van de schaamstreek en/of borsten van die [aangever] en/of
- het zich laten aftrekken en/of zich laten betasten en/of vasthouden aan/bij/van zijn geslachtsdeel door die [aangever] en/of
- het kussen in/van de nek en/of tepel van die [aangever] .
Zowel verdachte als [aangever] heeft verklaard dat verdachte voorafgaand aan voornoemde seksuele handelingen telkens heeft gevraagd of hij deze handelingen mocht verrichten en/of dat [aangever] de seksuele handelingen bij hem wilde verrichten. Daarna lopen de verhalen uiteen: [aangever] heeft verklaard dat zij telkens ontkennend antwoordde. Verdachte heeft verklaard dat [aangever] instemde met de handelingen en “ja” zei.
De rechtbank heeft te beoordelen of verdachte wist, althans redelijkerwijs ernstige reden had om te vermoeden dat de wil van [aangever] bij het plegen van de seksuele handelingen ontbrak.
Juridisch kader bewijs in zedenzaken (bewijsminimumregel)
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank het volgende voorop. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken en kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Veelal is het ook zo dat de (belastende) verklaring van het vermeende slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (zie in dit verband ook de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, o.a. ECLI:NL:HR:2020:637).
Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Tussen de verklaringen van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Toepasselijkheid in deze zaak
Zowel de verklaring van [aangever] als die van verdachte zijn gedetailleerd en consistent over wat er die avond is gebeurd. Zij blijven allebei bij hun verhaal: [aangever] dat zij “ nee” heeft geantwoord op de vragen van verdachte, verdachte dat zij “ ja” zei. Het is dus het woord van verdachte tegenover het woord van [aangever] .
In het dossier bevinden zich de verklaringen van de vader van [aangever] ( [getuige 1] ) en getuige [getuige 2] – die [aangever] vlak na de gebeurtenis hebben gesproken – maar deze verklaringen hebben allemaal dezelfde bron, namelijk [aangever] . Wel hebben deze getuigen emoties bij [aangever] waargenomen. Die emoties kunnen passen bij iemand die net tegen haar wil seksuele handelingen heeft ondergaan, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben. Daarbij is van belang dat [aangever] , nadat ze bij verdachte is vertrokken, als eerste een andere vriendin heeft gebeld en dat die vriendin boos op haar werd omdat ze met een jongen van 21 had afgesproken. Daarna heeft ze getuige [getuige 3] gebeld. Zij zegt dat [aangever] niet heel vrolijk of heel boos maar wel heel opgewonden was.
Emoties of plotselinge gedragsverandering kunnen dienen als steunbewijs, maar alleen in het geval er geen andere logische oorzaak is dan bevestiging van het verhaal van aangeefster. Dat is hier niet met zekerheid te zeggen. Daarmee is niet gezegd dat het wel of niet is gebeurd, maar alleen dat er behoedzaam moet worden omgegaan met het verbinden van conclusies aan die emoties. Om die reden kan het hier wat de rechtbank betreft niet dienen als steunbewijs. Ander bewijs dat de verklaring van [aangever] zou kunnen ondersteunen, ontbreekt.
Al met al kan de rechtbank gewoonweg niet met zekerheid vaststellen wat er tijdens het verrichten van de seksuele handelingen is gebeurd.
Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
4 De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. R.M. Schoo en mr. C.J.M. van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2026. |
||