Strafrecht overig

De rechtbank Gelderland veroordeelt een 19-jarige man uit Apeldoorn tot een jeugddetentie voor de duur van…

Rechtbank Gelderland, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
05/011627-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8006
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank Gelderland veroordeelt een 19-jarige man uit Apeldoorn tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden, wegens poging tot doodslag. Een gedeelte van deze jeugddetentie, vier maanden, is voorwaardelijk opgelegd. Hij was 17 jaar oud toen hij een andere jongen tweemaal met een mes stak tijdens een vechtpartij. De rechtbank heeft aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden gekoppeld, onder andere dat de man moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en eventuele behandeling die daaruit volgt. De man moet ook bijna € 11.000,00 betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/011627-25

Datum uitspraak : 9 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] .

Raadsman: mr. W. Hendrickx, advocaat in Utrecht, waargenomen door kantoorgenoot mr. F. van Katwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans met een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de hals, althans op één of meer plekken in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een geperforeerde long en/of een geperforeerde maag, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans met een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de hals, althans op één of meer plekken in het bovenlichaam te steken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans met een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de hals, althans op één of meer plekken in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 januari 2025 heeft een confrontatie plaatsgevonden waarbij verdachte (hierna: [verdachte] ), zijn vriendin [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), zijn vader [persoon 2] , aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), diens vriend [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) en de stiefvader van aangever, [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ), betrokken waren. [verdachte] , zijn vader en [persoon 1] zijn naar het huis van [slachtoffer] gereden, op [adres] in Apeldoorn, en vrijwel direct na aankomst is een vechtpartij ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit: poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] integraal moet worden vrijgesproken. [verdachte] is vanaf het begin consistent geweest in zijn verklaring dat hij geen mes bij zich had en niet heeft gestoken. De getuigen die verklaren dat [verdachte] een mes had, namelijk [slachtoffer] , zijn stiefvader [persoon 4] en zijn vriend [persoon 3] , zijn partijdig en zij verklaren niet gelijkluidend. Ook uit de overige bewijsmiddelen kan niet worden geconcludeerd dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] heeft verklaard dat een auto aan kwam rijden en voor zijn woning stopte, de vader van [verdachte] uit de auto stapte, schreeuwend op hem af kwam lopen en hem vastpakte. [slachtoffer] duwde de vader van zich af waardoor hij op de grond viel. [verdachte] stapte vervolgens ook uit de auto en liep op [slachtoffer] af. [verdachte] en [slachtoffer] waren aan het duwen en trekken aan elkaar. Op een gegeven moment voelde [slachtoffer] iets bij zijn keel en gelijk daarna zag hij dat [verdachte] een stekende beweging maakte richting zijn buik. Gelijk daarna voelde hij erge pijn bij en in zijn buik. [slachtoffer] keek en zag dat [verdachte] een mes vast had. Hij had gelijk door dat [verdachte] hem gestoken had met dat mes. Hierna stapten [verdachte] , zijn vader en [persoon 1] weer in de auto en reden zij weg.

[persoon 4] heeft verklaard dat hij zag dat er een auto stopte bij het huis van [slachtoffer] en er iemand uit de auto stapte. [persoon 4] is hen tegemoet gelopen en zag vervolgens dat [persoon 3] op de grond lag te rollebollen met, wat hij later begreep, een vader van die andere (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [persoon 4] probeerde hen uit elkaar te krijgen. Vervolgens stond [slachtoffer] ineens voor hem en die zei dat hij gestoken was. [persoon 4] zag dat [verdachte] voor hem stond met een groot mes.


[persoon 3] heeft verklaard dat de vader van [verdachte] [slachtoffer] wilde slaan en hem vastpakte bij zijn schouders. [verdachte] trok [slachtoffer] vervolgens mee aan de kant. Toen [verdachte] en [slachtoffer] met zijn tweeën stonden, zag [persoon 3] dat [verdachte] een stekende beweging maakte met zijn rechterhand richting [slachtoffer] en dat [slachtoffer] toen een stap naar achter zette. Toen [verdachte] zijn arm weer terugtrok, zag [persoon 3] dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand vasthield en langs zijn lichaam hield. [verdachte] strekte zijn rechterarm vooruit en maakte een draaiende beweging met het mes richting [slachtoffer] . [persoon 3] zag dat [verdachte] een mes vasthad en weet zeker dat het een mes was. [persoon 3] hoorde [slachtoffer] roepen “help ik ben gestoken”.

In het dossier bevinden zich camerabeelden van de [plaats] , gelegen aan [adres] in Apeldoorn. Deze beelden zijn door een verbalisant bekeken en beschreven en de bevindingen worden hier voor zover relevant zakelijk weergegeven:

Om 20:23:13 uur komt een tweetal personen worstelend het beeld in lopen. Persoon 2 nam een aanvallende houding aan. Persoon 2 haalde met zijn linkerarm naar achteren uit en gaf met zijn linkerhand/vuist een klap op de rechterzijde van het hoofd van persoon 1. Op het moment van deze klap stond persoon 1 met zijn rechterzijde gericht naar persoon 2. Persoon 1 draaide vervolgens met zijn lichaam naar links, waardoor hij met zijn rug in de richting van persoon 2 stond, of om zich af te wenden of door de kracht van de klap. Persoon 1 nam een gebogen houding naar voren aan, blokte zijn lichaam en stond met zijn rug in de richting van persoon 2. Persoon 2 maakte een beweging, alsof hij persoon 1 van achteren wilde vastpakken. In deze worsteling/gevecht maakte persoon 1 een beweging met zijn rechterarm naar achteren in de richting van persoon 2. Na deze beweging stopte de aanval vanuit persoon 2 direct en voelde persoon 2 met zijn rechterarm/hand linksonder op zijn buik en met zijn rechterhand op zijn linkerzij. Op het moment dat persoon 1 naar voren loopt, beweegt zijn rechterarm naar voren. Op de bewegende beelden ziet de verbalisant een glimp van iets dat glinsterde bij zijn rechterhand. Persoon 2 zette een paar stappen naar achter op het moment dat persoon 1 naar voren stapte, maar er werd niet meer gevochten. Door de houding hoe persoon 1 naar voren stapte en de stappen die persoon 2 naar achteren deed, leek het alsof persoon 2 angstig was. Terwijl persoon 2 naar achter stapte, hield hij zijn linkerhand op zijn linkerzij. Beide personen renden vervolgens weg in de richting van waar ze vandaan kwamen en verdwenen uit beeld.

[verdachte] heeft op de zitting gezegd dat hij de persoon is die in het hiervoor beschreven proces-verbaal wordt omschreven en geduid als ‘persoon 1’ en dat [slachtoffer] ‘persoon 2’ is. Ook heeft [verdachte] verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten, op een afstandje van de rest.

Over het letsel van [slachtoffer] is - samengevat - het volgende beschreven. Als gevolg van de steekwonden is [slachtoffer] vijf dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Hij had bloedingen in zijn maag en darm die gestelpt moesten worden en had een klaplong waar een drain voor moest worden geplaatst. [slachtoffer] is (dus) geopereerd aan zijn buik. Het letsel is gecategoriseerd als ‘ernstig’. De gemelde toedrachten van de letsels “scherp object (mogelijk een stiletto) door huid, spier en vetweefsel tot in de organen, long, darm en maag” en “gestoken (...) met een scherp object (...) in de hals” past ‘goed’ bij de letsels. Verder is [slachtoffer] in het ziekenhuis kortdurend in een kunstmatige coma gehouden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij – in tegenstelling tot de verdediging – geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] , [persoon 3] en [persoon 4] . Het enkele feit dat [persoon 4] een maand na het incident een verklaring heeft afgelegd, doet daar niet aan af. De rechtbank vindt zijn verklaring authentiek, dus geloofwaardig en niet aangedikt, omdat hij alleen heeft verteld dat hij [verdachte] met een mes zag staan, maar niet het steken zelf heeft gezien. Verder komt zijn verklaring overeen met de verklaring van [persoon 3] (die wel binnen twee uur na het incident is gehoord) en met de verklaring van [slachtoffer] . Alle drie verklaren zij dat [verdachte] een mes had en zowel [slachtoffer] als [persoon 3] verklaren dat [slachtoffer] tijdens zijn worsteling met [verdachte] is gestoken. Daarnaast strookt dat wat [slachtoffer] , [persoon 3] en [persoon 4] hebben verklaard met wat op de camerabeelden van het incident te zien is. Uit de beschrijving van die beelden blijkt namelijk dat tijdens het gevecht tussen [verdachte] en [slachtoffer] , [slachtoffer] een beweging maakte alsof hij [verdachte] van achteren wilde vastpakken en [verdachte] in die worsteling met zijn rechterarm een beweging naar achteren maakte, in de richting van [slachtoffer] . Na die beweging staakte [slachtoffer] zijn aanval direct en voelde hij met zijn rechterhand linksonder op zijn buik en zij. Op het moment dat [verdachte] naar voren liep, bewoog hij zijn rechterarm naar voren en zag de verbalisant iets glinsteren bij zijn rechterhand. Door de houding van [slachtoffer] leek het alsof hij angstig was. Bovendien kan het letsel van [slachtoffer] volgens de forensisch arts ‘goed’ worden verklaard door twee steekwonden met een mes/ scherp voorwerp; één in de hals en één in de buik.

De rechtbank overweegt dat uit het bovenstaande is gebleken dat [verdachte] een mes had en dat hij tijdens de worsteling [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken: eenmaal in de hals en eenmaal in de buik. De verklaring van [verdachte] ter zitting, dat [persoon 4] - die eerst met de vader van [verdachte] aan het vechten was en vervolgens tussendoor, per ongeluk - [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken, vindt de rechtbank niet aannemelijk.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het bovenlichaam een kwetsbaar onderdeel is van het menselijk lichaam, waarin zich vitale organen bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank is het steken van iemand met een mes in de buik en hals, gericht op en geschikt voor het toebrengen van dodelijk letsel en is dit een gedraging die naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Conclusie

De rechtbank is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het – primair – ten laste gelegde feit: poging tot doodslag.

3 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans met een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de hals, althans op één of meer plekken in het bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belang geschaad.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. De tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht, moet daarvan worden afgetrokken. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd een meldplicht en begeleiding door Reclassering Nederland, ook als de rechtbank zou beslissen dat hieronder ook een onderzoek naar de persoon zou moeten vallen.

De officier van justitie heeft daarnaast geëist dat het - inmiddels geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat de verdediging de eis van de officier van justitie passend vindt.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:

  • het uittreksel justitiële documentatie van 2 juli 2026 (het strafblad), waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld;

  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 augustus 2026.

In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer] twee keer met een mes te steken. Vanwege zijn verwondingen is [slachtoffer] met spoed naar het ziekenhuis gegaan en daar geopereerd. Hij had een steekwond in zijn buik en hals. Hij is enige tijd in coma gehouden, moest meerdere dagen in het ziekenhuis blijven en enkele maanden herstellen. Dit alles is voor [slachtoffer] (en zijn naasten) ontzettend ingrijpend geweest, zoals ook uit de slachtofferverklaring is gebleken. Nog altijd ervaart [slachtoffer] psychische klachten als gevolg van het incident. Zowel [slachtoffer] als [verdachte] mogen van geluk spreken dat [slachtoffer] niet aan de verwondingen is overleden. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat [verdachte] - toen 17 jaar oud - bewust een mes heeft meegenomen naar een ‘gesprek om het uit te praten’ en dus moedwillig de confrontatie heeft opgezocht en dat mes vervolgens ook heeft gebruikt. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers zich door dit soort misdrijven nog lang onveilig voelen en daardoor beperkt worden in hun doen en laten. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten gevoelens van afschuw, onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit [verdachte] heel zwaar aan.

Het advies van de deskundigen

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft over [verdachte] gerapporteerd dat [verdachte] zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis aan alle afspraken en voorwaarden heeft gehouden. Er zijn geen zorgen of risico’s waar langer begeleiding voor nodig is. Er zijn veel beschermende factoren en weinig risicofactoren. De Raad ziet daarom geen meerwaarde in een begeleidingsmaatregel en vindt afstraffen in de vorm van een boete of werkstraf passend. De Raad heeft ook in haar rapport opgeschreven dat als uiteindelijk blijkt dat het aandeel van [verdachte] in het tenlastegelegde feit groter is dan hij heeft verklaard, het zorgelijk is dat [verdachte] zo lang heeft vastgehouden aan een ander verhaal. In die situatie is het dan passend dat er toezicht komt vanuit Reclassering Nederland, omdat er dan mogelijk een persoonlijkheidsonderzoek moet worden ingezet om helder te krijgen hoe het beeld van [verdachte] zo anders is geweest dan de werkelijkheid.

De jeugdreclasseerder van [verdachte] heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.

Strafoplegging

De rechtbank overweegt dat gezien de ernst van het feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van in ieder geval een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank kan het aan de maatschappij niet uitleggen indien aan verdachte, die veroordeeld wordt voor een poging tot doodslag door tweemaal met een mes te steken in buik en hals na een geringe aanleiding, alleen een onvoorwaardelijke werkstraf zou worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk om voor een spreekwoordelijke stok achter de deur te zorgen, om te voorkomen dat [verdachte] opnieuw de fout in gaat. De rechtbank zal dus ook een voorwaardelijke straf opleggen.

De rechtbank zal rekening houden met het tijdsverloop (vier maanden overschrijding van de redelijke termijn van zestien maanden in jeugdzaken) en de op te leggen straf daarom in overeenstemming daarmee matigen. Zou de redelijke termijn niet zijn geschonden dan had verdachte (afgerond) twee weken jeugddetentie méér gekregen van de rechtbank.

Alles afwegende legt de rechtbank aan [verdachte] op een jeugddetentie voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, wordt daarvan afgetrokken.

De rechtbank vindt het verontrustend dat [verdachte] steeds heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft gestoken en ook op de zitting bij die verklaring is gebleven. Tot op de dag van vandaag heeft hij niet het volledige verhaal verteld. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat [verdachte] meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, en - als dat nodig blijkt - behandeling zal ondergaan. Dit zal daarom als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf worden gekoppeld. Daarnaast zullen een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod op het woonadres van [slachtoffer] als bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij, [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. [slachtoffer] vordert € 811,80 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer] kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd. Naar burgerlijk recht is [verdachte] aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal dus de vordering van € 811,80 toewijzen.

Immateriële schade

[slachtoffer] heeft als gevolg van het bewezenverklaarde feit zowel lichamelijk als geestelijk letsel opgelopen. Dat is voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet betwist. Deze schade is aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Gelet daarop vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 10.000,00 passend en wijst het volledige bedrag dan ook toe.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en gijzeling

Voor zowel de materiële schade als de immateriële schade geldt dat [verdachte] wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het strafbare feit, 11 januari 2025.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

De rechtbank veroordeelt [verdachte] in de kosten die [slachtoffer] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die [slachtoffer] mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.

De rechtbank ziet redenen om af te wijken van het beginsel dat bij minderjarigen geen gijzeling wordt opgelegd als de vordering niet wordt betaald. [verdachte] is inmiddels ruim 19 jaar oud en werkt al enige tijd fulltime. De rechtbank heeft dus geen aanleiding om aan te nemen dat hij de schadevergoeding niet zou kunnen betalen. Het uitgangspunt is om maximaal één maand (30 dagen) gijzeling op te leggen. De rechtbank zal dit dus doen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden;

  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten vier maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

 verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland via het telefoonnummer 088 804 1000;

 verdachte meewerkt aan diagnostiek/persoonlijkheidsonderzoek en de behandeling die de reclassering op basis daarvan noodzakelijk acht;

 verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2004, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in [adres] in Apeldoorn, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

stelt als overige voorwaarden dat:

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 811,80 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 10.811,80 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter en kinderrechter), mr. T.M.A. Arts en mr. P.J. Verbeek, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 september 2026.

De griffier is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Politie Eenheid Oost-Nederland Districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, Onderzoek: ACCORDEON / ON3R025003, dossiernummer 202504031050.DOS, gesloten op 26 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2026. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 28 januari 2025, p. 63-67. Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 4] d.d. 11 februari 2025, p. 159-166. Proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 3] d.d. 12 januari 2025, p. 102-104. Proces-verbaal bevindingen (beschrijving beelden [plaats] 20:23 tot 20:24 uur) d.d. 14 januari 2025, p. 203-211. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2026. Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Oost Nederland d.d. 16 januari 2025, p. 167-174.