Civiel recht overig
Gedaagde heeft de premie over de perioden februari en juni 2024 niet betaald. Hierdoor voldoet zij niet aan…
Rechtbank Limburg, 15 april 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:3526 · Rechtbank Limburg · 15 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-3526
Zaakgegevens
Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Datum publicatie
- 14 april 2026
- Zaaknummer
- 12015594 \ CV EXPL 25-5670
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:3526
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gedaagde heeft de premie over de perioden februari en juni 2024 niet betaald. Hierdoor voldoet zij niet aan haar betalingsverplichting uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst. De vordering van CZ wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12015594 \ CV EXPL 25-5670
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties 1 en 2,
- de conclusie van dupliek met productie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] is met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] iedere maand premie moet betalen aan CZ.
[gedaagde] heeft de premie over de perioden februari en juni 2024 niet voldaan.
Op 9 januari 2025 is er een betalingsregeling getroffen met CZ. Hierin is afgesproken dat [gedaagde] steeds uiterlijk de vijfentwintigste van de maand € 50,00 aan CZ moet betalen. Deze regeling is door [gedaagde] niet nagekomen, waarna de regeling is komen te vervallen en zij is gedagvaard.
3 Het geschil
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 265,60, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat zij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft een bedrag van in totaal € 265,60 aan premie over de maanden februari en juni 2024 niet betaald.
[gedaagde] erkent de vordering van CZ, maar voert aan dat het onbetaald laten van de premie niet aan haar te wijten is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van € 265,60 aan premie over de maanden februari en juni 2024 niet aan CZ heeft betaald. [gedaagde] stelt echter dat de niet-betaling het gevolg is geweest van een administratieve fout door Kredietbank Limburg, die [gedaagde] heeft ingeschakeld als budgetbeheer voor haar financiën, waaronder ook de maandelijkse betalingen van de premie aan CZ.
De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden leveren, naar het oordeel van de kantonrechter, geen reden op om de vordering van CZ af te wijzen. Dat [gedaagde] haar financiën heeft uitbesteed aan een derde ontslaat haar niet van haar betalingsverplichting uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst. Ook in het geval de niet-betaling van de premie te wijten is aan een administratieve fout aan de zijde van Kredietbank Limburg, dan komt dat voor rekening van [gedaagde] . Zij zal dan ook de premie van € 265,60 over de maanden februari en juni 2024 alsnog moeten betalen. De financiële en persoonlijke situatie van [gedaagde] , hoe vervelend deze ook zijn, maken dat niet anders.
Verder heeft [gedaagde] verzocht om de buitengerechtelijke incassokosten en de rente af te wijzen of te verminderen, maar deze kosten zijn door CZ niet gevorderd, waardoor dit verzoek verder buiten beschouwing wordt gelaten.
Gelet op het voorgaande zal het door CZ gevorderde bedrag van € 265,60 worden toegewezen.
Proces- en nakosten
[gedaagde] heeft ook verzocht om de proceskosten te compenseren en te matigen en te bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de premie over de maanden februari en juni 2024 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. CZ heeft daarvoor kosten moeten maken. In dat verband heeft CZ gesteld dat een betalingsregeling is getroffen waarmee [gedaagde] een gang naar de rechter kon voorkomen. Desondanks heeft [gedaagde] niet aan deze betalingsverplichting voldaan. Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
144,47 |
|
|
- griffierecht |
€ |
135,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
174,00 |
(2 punten × € 87,00) |
|
- nakosten |
€ |
43,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
496,97 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 265,60,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 496,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.