Civiel recht overig

Werkgever valt onder werkingssfeer CAO.

Rechtbank Limburg, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
12101162 \ CV EXPL 26-642
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6887
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Werkgever valt onder werkingssfeer CAO.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12101162 \ CV EXPL 26-642

Vonnis van 15 juli 2026

in de zaak van

1 N.V. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN,

te 's-Gravenhage,
2. STICHTING FONDS VOOR HET MOTORVOERTUIGENBEDRIJF EN HET TWEEWIELERBEDRIJF,

te Houten,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: eisers,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: gedaagde,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het geval de CAO Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf en de algemeen verbindend verklaarde CAO Aanvullend Invaliditeitspensioen Metaal en Techniek van toepassing zijn op een werkgever, moet deze bijdragen en premies betalen aan eisers.

2.2.

Namens eisers is voor de gevorderde premies en bijdragen een factuur gestuurd aan gedaagde.

2.3.

Eisers hebben daarna gedaagde meermaals gesommeerd tot betaling van de factuur.

2.4.

Omdat betaling uitbleef hebben eisers de vordering ter incasso aan Flanderijn Gerechtsdeurwaarders overgedragen

2.5.

Gedaagde heeft de factuur onbetaald gelaten.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen - samengevat - veroordeling van gedaagde tot betaling van € 144,98 aan eiseres sub 1 en € 257,89 aan eiseres sub 2, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde voert verweer. Gedaagde betwist dat hij gehouden is de betreffende werknemer aan te melden voor de betreffende verzekering. Gedaagde betwist onder de werkingssfeer te vallen van de betreffende regeling, althans dat deze zonder nadere toetsing volledig op haar onderneming van toepassing is. De betreffende werknemer komt uit Oekraïne en verblijft tijdelijk in Nederland. Gedaagde betwist daarom dat deze werknemer kwalificeert als deelnemer in de zin van de regelingen. Voor zover geoordeeld wordt dat er een verplichting is tot deelname, kan deze niet met terugwerkende kracht en/of onder oplegging van nevenvorderingen worden toegepast. Gedaagde heeft te goeder trouw gehandeld en is nooit op duidelijke en ondubbelzinnige wijze gewezen op een verplichting tot aansluiting.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Gedaagde valt onder de werkingssfeer van de CAO’s

4.1.

Eisers hebben gesteld dat de CAO Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf

van toepassing is op werkgever (lees: gedaagde), omdat gedaagde de werkzaamheden uitvoert (gedaagde is een autobedrijf) zoals in artikel 1 van deze CAO vermeld.

De kantonrechter volgt eisers hierin. Gedaagde stelt - zonder enige toelichting - dat hij niet onder de werkingssfeer valt van deze CAO. Daarmee heeft gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende betwist dat deze CAO op hem van toepassing is.

4.2.

Dit geldt ook voor de CAO Aanvullend Invaliditeitspensioen Metaal en Techniek. Ook hier geldt dat eisers hebben toegelicht waarom gedaagde onder de werkingssfeer valt van de CAO Aanvullend Invaliditeitspensioen Metaal en Techniek, terwijl gedaagde daartegen geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

4.3.

Gelet op het voorgaande staat vast dat gedaagde onder de werkingssfeer valt van deze CAO’s.

Oekraïense werknemer is wel deelnemer aan de fondsen

4.4.

Gedaagde voert aan dat zijn Oekraïense werknemer vanwege zijn tijdelijke verblijf in Nederland geen deelnemer is in de zin van de regelingen. Eisers hebben gemotiveerd aangevoerd waarom deze werknemer wel een deelnemer is. Er gelden volgens eisers twee voorwaarden waaraan voldaan is. Te weten: 1) bestaan van een arbeidsovereenkomst en 2) er moet sprake zijn van arbeid, loon en gezagsverhouding in de zin van het pensioenreglement.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagde in zijn laatste stuk niet meer inhoudelijk ingaat op dit onderwerp. Daarmee staat als onvoldoende betwist vast dat deze werknemer deelnemer is.

Verplichting is niet met terugwerkende kracht opgelegd

4.5.

Volgens gedaagde kan de verplichting niet met terugwerkende kracht worden opgelegd. Eisers hebben toegelicht dat van die situatie geen sprake is. Het gaat over de factuurperiode van het tweede kwartaal van 2025. De kantonrechter volgt eisers hierin.

De kantonrechter is niet gebleken dat eisers de verplichting tot betaling met terugwerkende kracht opleggen. Dit verweer van gedaagde dient dan ook verworpen te worden.

Dit geldt ook voor het verweer van gedaagde dat een verplichting tot deelname niet onder “oplegging van volledige nevenvorderingen” kan geschieden. Voor zover gedaagde hiermee bedoelt dat hij – sowieso - geen rente en/of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, kan de kantonrechter hem hierin niet volgen. Dit zal hierna beoordeeld worden onder de conclusie.

Conclusie

4.6.

Gelet op al het voorgaande is gedaagde verplicht de premies/bijdragen te betalen aan de eisers. Omdat de factuur niet tijdig is betaald, is gedaagde wettelijke rente verschuldigd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens conform de wet verschuldigd en toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen reden om over te gaan tot matiging van de incassokosten of andere kosten.

Proceskosten

4.7.

Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,77

- griffierecht

€

139,00

- salaris gemachtigde

€

174,00

(2 punten × € 87,00)

- nakosten

€

43,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

510,27

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde om aan:

- eiseres sub 1 te betalen een bedrag van € 144,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nog openstaande hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

- eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 257,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nog openstaande hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 510,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.