Civiel recht overig

Premie zorgverzekering. Datum inschrijving Basisregistratie Personen. SVB verklaring.

Rechtbank Limburg, 23 september 2026

Zaakgegevens

Op 23 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
23 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
12219194 CV EXPL 26-2531
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9859
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Premie zorgverzekering. Datum inschrijving Basisregistratie Personen. SVB verklaring.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12219194 \ CV EXPL 26-2531

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: CZ ,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- het mondelinge antwoord van [gedaagde]
- de conclusie van repliek met producties 1 t/m 5.

1.2.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst.

2.2.

[gedaagde] heeft de premie voor de basisverzekering en aanvullende verzekering vanaf 15 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

CZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 265,59 en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Hij is het niet eens met de vordering. [gedaagde] is op 25 juli 2025 naar het gemeentehuis geweest om zich in te schrijven. Inschrijven op die dag was niet mogelijk vanwege drukte. Toen [gedaagde] na een tijdje informeerde of hij was ingeschreven kreeg hij te horen dat hij inderdaad was ingeschreven. Daarna heeft hij een zorgverzekeringsovereenkomst met CZ afgesloten. [gedaagde] wilde dat de verzekering inging op 1 september 2025. CZ heeft hem meegedeeld dat de ingangsdatum 15 juli 2025 moest zijn. [gedaagde] is het daar niet mee eens, omdat hij toen nog niet was ingeschreven. Hij wil niet betalen voor de periode dat hij nog niet was ingeschreven. [gedaagde] stelt dat hij voordat hij naar Nederland kwam in Roemenië verzekerd was.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Onbetwist is dat [gedaagde] de premie over 15 juli 2025 tot en met 30 september 2025 niet heeft voldaan. Wat partijen in deze procedure verdeeld houdt is de vraag of [gedaagde] in deze periode gehouden was verzekeringspremie te voldoen.

4.2.

[gedaagde] heeft niet gereageerd op de reactie van CZ op het mondelinge antwoord van [gedaagde] . Dit betekent dat hij deze reactie van CZ niet heeft weersproken.

4.3.

CZ stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] vanaf 15 juli 2025 staat ingeschreven in Nederland en daarom verplicht is verzekerd op grond van de Zorgverzekeringswet. Hij is daarom ook verplicht de premie te betalen.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat het standpunt van CZ juist is.

4.5.

CZ heeft een uittreksel uit de Basisregistratie personen overgelegd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] met ingang van 15 juli 2025 is ingeschreven. De kantonrechter ziet geen reden om aan de juistheid van deze registratie te twijfelen.

4.6.

In de Zorgverzekeringwet (Zvw) staat in art. 2 lid 1:

Degene die ingevolge de Wet langdurige zorg (hierna Wlz) en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

In de Wlz staat in art. 1.2.1:

Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.

In art. 1.2.2 lid 1 staat:

Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

In art. 2.1.1. lid 1 onder a staat onder meer:

Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die: a. ingezetene is.

In art. 2.1.3 staat: De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.

4.7.

CZ heeft [gedaagde] bij brieven van 23 september 2025 en 21 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld een verklaring van de SVB aan te vragen, waaruit blijkt vanaf welke datum hij verplicht in Nederland verzekerd is. [gedaagde] heeft de hiervoor genoemde verklaring van de SVB niet aan CZ verstrekt. Hij heeft evenmin in deze procedure een verklaring van de SVB in het geding gebracht waaruit van de gegrondheid van zijn verweer had kunnen blijken. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende toegelicht dat hij niet vanaf 15 juli 2025 in Nederland verzekerd diende te zijn.

4.8.

Dit betekent dat [gedaagde] vanaf 15 juli 2025 premie moet betalen aan CZ. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.9.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

139,00

- salaris gemachtigde

€

174,00

(2 punten × € 87,00)

- nakosten

€

43,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

509,52

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 265,59,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 509,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.