Strafrecht overig

Gevangenisstraf van 42 maanden voor meerdere vermogensdelicten, geweldsdelicten en rijden onder invloed.

Rechtbank Limburg, 11 november 2024

Zaakgegevens

Op 11 november 2024 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
11 november 2024
Datum publicatie
11 november 2024
Zaaknummer
306598023
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2024:8078
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevangenisstraf van 42 maanden voor meerdere vermogensdelicten, geweldsdelicten en rijden onder invloed.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03.065980.23, 03.095922.23, 03.293228.22 en 03.194001.23 (ttz. gev.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de BRP op [adres 1] ,

gedetineerd in [P.I.] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 mei 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] zijn ter terechtzitting verschenen, samen met hun advocaat mr. A.F.G. Pennino.

Namens de benadeelde partij [naam 3] is ter terechtzitting mr. K.D. Regter verschenen.

Namens de benadeelde partij [naam 4] is ter terechtzitting een medewerkster van slachtofferhulp verschenen.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.065976.23..

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

03.065980.23

feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd jegens [naam 5] ;

feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd jegens [naam 3] en/of [naam 6] ;

feit 3: al dan niet samen met een ander of anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd jegens [naam 7] en/of [naam 8] , subsidiair hieraan medeplichtig is geweest.

feit 4: al dan niet samen met een ander of anderen heeft geprobeerd in te breken in de woning van [naam 4] ;

03.095922.23

feit 1: zijn levensgezel [naam 9] heeft mishandeld;

feit 2: [naam 10] heeft bedreigd met de dood;

feit 3: heeft gepoogd zware mishandeling toe te brengen aan verbalisanten [naam 11] en [naam 12] , subsidiair hen heeft mishandeld;

feit 4: een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van THC;

03.293228.22

feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen [naam 1] zwaar heeft mishandeld, subsidiair openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd jegens [naam 1] ;

feit 2: openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd jegens [naam 2] ;

feit 3: openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd jegens een auto;

03.184001.23

een diefstal met geweld heeft gepleegd jegens [naam 13] .

3 De voorvragen

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft bij wijze van preliminair verweer en, na afwijzing van dat verweer, wederom bij pleidooi aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3, voor zover dit feit betrekking heeft op het slachtoffer [naam 11] . In het digitale dossier bevindt zich een brief van het openbaar ministerie, gericht aan het slachtoffer [naam 11] , waarin staat dat de mishandeling geseponeerd zal worden. De verdachte mocht hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij voor de mishandeling van ambtenaar [naam 11] niet meer zou worden vervolgd. Nu de verdachte wel in verband hiermee wordt vervolgd, levert dit een schending van het vertrouwensbeginsel op.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer, nu de brief niet aan de verdachte is gericht en hij er reeds daarom geen rechten aan kan ontlenen. De officier van justitie heeft daarbij uiteengezet dat deze brief om administratieve redenen is aangemaakt.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verdachte er, gelet op de mededeling sepot gericht aan [naam 11] , gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij voor de mishandeling van [naam 11] niet (verder) zou worden vervolgd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De brief is niet gericht of geadresseerd aan de verdachte. Bovendien is de inhoud van de brief niet eenvoudig te duiden. Zo staat er als beantwoording van de vraag “waarom komt er geen strafzaak?” uitsluitend “delict 1” hetgeen eerder een aanwijzing is voor een administratieve reden tot het aanmaken van deze brief. De officier van justitie heeft ter terechtzitting ook toegelicht dat het uitgaan van de brief inderdaad een administratieve achtergrond had, en geenszins betekende dat de vervolging van de verdachte voor de mishandeling van [naam 11] niet zou worden voortgezet.

De rechtbank verwerpt het verweer. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten met uitzondering van feit 2 in de zaak met parketnummer 03.065980.23. De officier van justitie acht dit feit niet bewezen en heeft tot vrijspraak daarvan gerekwireerd.

Waar sprake is van een primair en subsidiair ten laste gelegd feit, acht de officier van justitie telkens de primaire variant bewezen. Het standpunt van de verdediging

03.065980.23

De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, nu uit niets blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte.

De verklaringen van aangever [naam 5] in feit 1 zijn wisselend van inhoud. In reacties na het tonen van de beelden bij Opsporing Verzocht wordt de verdachte bovendien niet eenduidig aangewezen als dader.

Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw bepleit de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Er kan immers niet gesproken worden van een wezenlijke bijdrage van de verdachte aan de diefstal met geweld. Gelet op de verklaring van de verdachte kan wel een bewezenverklaring volgen van het subsidiair ten laste gelegde, nu uit zijn verklaring blijkt dat de verdachte heeft opgetreden als chauffeur.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 4.

03.095922.23

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

Ten aanzien van feit 2, de bedreiging van [naam 10] , heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte wel iets heeft gezegd als “ik sla je kapot”, maar dat de tenlastelegging daarop niet is geënt, zodat vrijspraak moet volgen.

De verdachte dient ook van het onder 3 zowel primair als subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Immers: pas nadat er pepperspray in zijn gezicht was gespoten, heeft de verdachte, in reactie op de daardoor veroorzaakte pijn, zijn lichaam gestrekt en daarbij onopzettelijk de koppeling losgelaten. Hij had geen opzet op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

03.293228.22

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. Voor wat betreft feit 1 primair kan bij gebrek aan een nauwe en bewuste samenwerking niet van medeplegen worden gesproken. Verder had de verdachte geen aandeel in het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam 1] . Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt, en ook op andere wijze geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging jegens [naam 1] .

De raadsvrouw heeft eveneens vrijspraak van de feiten 2 en 3. Met betrekking tot feit 2 stelt de raadsvrouw dat de verklaring van aangeefster [naam 2] niet wordt gestaafd door objectieve gegevens. Aangeefster spreekt in haar verklaring over een regen aan vuistslagen. Het letsel dat men daarbij zou verwachten, is echter door de arts en de verbalisanten die de aangeefster kort na het conflict hebben gezien, niet waargenomen. Ten aanzien van feit 3 blijkt niet dat de verdachte zelf de auto heeft beschadigd of op een andere manier een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging jegens de auto.

03.184001.23

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Uit de - wisselende - verklaringen van aangever blijkt niet van opzet aan de zijde van de verdachte op wederrechtelijke toe-eigening van de fiets, en evenmin van geweld: de aangever had de verdachte aangeboden dat deze op zijn fiets mocht rijden. Hooguit zou daarom verduistering kunnen worden bewezen, maar dat is niet ten laste gelegd.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.

De verdachte heeft feit 3 subsidiair en feit 4 in de zaak met parketnummer 03.065980.23 en feit 4 in de zaak met parketnummer 03.095922.23 bekend. Indien hoger beroep wordt ingesteld zal ten aanzien van die feiten worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.

03.065980.23

Opmerking vooraf ten aanzien van feit 1, 2 en 3.

De officier van justitie heeft ten bewijze van de feiten gewezen op de tips die zijn binnengekomen naar aanleiding van: de aandacht die door de politie van het publiek is gevraagd in verband met de reeks diefstallen met geweld, meer specifiek ripdeals, gepleegd in de maand januari 2023 binnen het gebied Parkstad, en de aandacht die op 7 februari 2023 in het programma Opsporing Verzocht is besteed aan de zaken.

Wanneer de diverse tips worden bezien en beoordeeld, dan blijkt dat de tips niet eenduidig zijn. Er wordt of worden niet telkens dezelfde naam of namen genoemd, uit het proces-verbaal is niet op te maken welke tip op welk voorval betrekking heeft en het is onduidelijk wie verdachte waaraan herkent.

Dit vormen de redenen voor de rechtbank om deze tips niet te bezigen voor het bewijs.

Vrijspraak feit 1

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van dit feit gerekwireerd. Het bewijs dat zij daartoe aandraagt, is naar het oordeel van de rechtbank te indirect. In de diverse gesprekken/chats wordt kennelijk door de verdachte gesproken over het bestelen en beroven van drugsdealers, -koeriers, etc., maar er is geen gesprek dat verdachte direct aan het plegen van dit feit linkt. Voorts beoordeelt de rechtbank de uitlatingen van aangever niet altijd als geloofwaardig. Om hem moverende redenen laat aangever niet direct het achterste van zijn tong zien. Dat mag, maar kan wel meebrengen dat de rechtbank terughoudendheid dient te betrachten bij het hechten van geloof aan zijn verklaringen. Zo ook hier en zeker als het gaat om de beschrijving van de wijze waarop de overval gepleegd zou zijn en het signalement van de daders.

De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Vrijspraak feit 2

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier geen betrokkenheid van de verdachte bij dit feit kan worden vastgesteld, zodat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 3 primair; bewijsoverweging feit 3 subsidiair

Voor medeplegen, dat de verdachte wordt verweten, is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van de verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld dat hij als chauffeur heeft opgetreden en de daders van de beroving naar de betreffende plek heeft gebracht. Hij heeft daar gewacht. Toen deze daders vervolgens terugkwamen met de gestolen lachgasflessen, hebben zij deze in de auto gelegd en zijn bij de verdachte ingestapt, waarna zij zijn weggereden. In de telefoon van de verdachte zijn berichten aangetroffen die betrekking hebben op dit ten laste gelegde feit. Uit deze berichten is echter niet af te leiden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de anderen. De verdachte heeft weliswaar geweten dat hetgeen de anderen van plan waren niet pluis was, maar daaruit kan nog niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage van de verdachte bij dit feit is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht geweest om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Wel acht de rechtbank, onder meer op grond van het dossier en de bekennende verklaring van de verdachte dat hij heeft opgetreden als chauffeur, bewezen dat hij als medeplichtige betrokken is geweest bij dit feit, zoals hem subsidiair wordt verweten.

03.095922.23

Bewijsoverweging feit 1

Aangeefster heeft verklaard dat zij meermalen met kracht door de verdachte in haar gezicht is geslagen. Deze aangifte past bij het geconstateerde letsel en wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [naam 10] en [naam 14] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn levensgezellin slechts één keer heeft geslagen, maar dit strookt niet met het bericht dat hij na de mishandeling aan [naam 16] stuurt: “ik was erachter gekomen tot ze vreemd was gegaan bro wollah heb d’r hele gezicht na kk geslagen”.

Aangeefster heeft nadien de politie verzocht om haar aangifte als ingetrokken te beschouwen. Ook is zij op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris als getuige gehoord, waarbij zij een andere lezing gaf van de mishandeling: niet de verdachte maar zijzelf zou degene zijn geweest die het fysieke conflict was aangegaan. Deze verklaring verschilt op wezenlijke punten van haar eerdere verklaring en vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Daarom laat de rechtbank deze tweede verklaring, die mogelijk niet uit vrije wil is afgelegd, buiten beschouwing.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zijn levensgezellin meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen.

Bewijsoverweging feit 2

Naast de verklaringen van de getuigen [naam 14] en [naam 10] kan ook de verklaring van de verdachte bijdragen tot het bewijs. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het best zo kan zijn dat hij tegen [naam 10] heeft gezegd: “ik sla je kapot”. De rechtbank acht dan ook bewezen dat hij [naam 10] met de dood heeft bedreigd door uitlatingen van gelijke dreigende aard of strekking als “ik schiet je kapot” of “je krijgt de kogel”.

Bewijsoverweging feit 3 primair

Op grond van het proces-verbaal van verbalisanten [naam 17] en [naam 18] , in combinatie met de camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat de verdachte, nadat verbalisanten [naam 12] en [naam 11] het bijrijdersportier hadden geopend, met piepende banden en hoge snelheid naar achteren is gereden. Hierdoor is [naam 11] door het geopende portier naar achteren gelanceerd en tegen de voorzijde van het dienstvoertuig terechtgekomen.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij direct nadat het bijrijdersportier van zijn voertuig werd geopend, pepperspray in zijn gezicht kreeg waardoor zijn linkervoet per ongeluk van het koppelingspedaal is afgegleden. Zijn rechtervoet zou daarbij nog op het gaspedaal hebben gerust, waardoor hij onbedoeld naar achteren is gereden.

De verklaring van de verdachte wordt weersproken door de waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse waren, inhoudende dat het geluid van piepende banden te horen was en de verdachte met hoge snelheid naar achteren reed. De verbalisant die op het politiebureau de camerabeelden heeft uitgekeken, beschrijft dat “de grotere persoon met aanzienlijke kracht tegen het daar achter geparkeerde voertuig wordt geworpen”.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte bewust flink gas heeft gegeven en daarbij achteruit rijdend, vermoedelijk in een poging om zich aan zijn aanhouding te onttrekken, een van de verbalisanten met het openstaande portier heeft gelanceerd.

Dit vindt steun in de omstandigheid dat de verdachte, toen hij uiteindelijk werd aangehouden, zich bleef verzetten. Dit gedrag past niet bij het beeld dat de verdachte de rechtbank wil doen voorspiegelen, namelijk dat hij helemaal niet de intentie had om weg te komen. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in het verweer dat hij niet met opzet naar achteren is gereden.

Verbalisant [naam 11] heeft, doordat zij met kracht tegen het dienstvoertuig is gekomen, hoofdpijn, misselijkheid en mogelijk licht traumatisch hersenletsel opgelopen.

Dat zij hieraan geen ernstiger letsel heeft overgehouden, is niet aan de verdachte te danken. [naam 11] had onder het voertuig van de verdachte terecht kunnen komen of tussen het voertuig van de verdachte en het dienstvoertuig dat zich daar achter bevond, met alle gevolgen van dien.

Niet kan worden bewezen dat de verdachte vol opzet had om [naam 11] en [naam 12] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel acht de rechtbank voorwaardelijk opzet hierop bewezen. De te verwachten gevolgen van een aanrijding van een persoon door een auto worden - naar algemene ervaringsregels - in belangrijke mate bepaald door de snelheid van het voertuig. Als met meer dan een geringe snelheid wordt gereden, bestaat de aanmerkelijke kans dat een persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Hoewel de snelheid in dit geval niet precies is vastgesteld, acht de rechtbank, gelet op de piepende banden en de kracht waarmee verbalisant [naam 11] tegen het dienstvoertuig werd gelanceerd, wel bewezen dat de verdachte met behoorlijke snelheid naar achteren is gereden. Door met een dergelijke snelheid te rijden terwijl hij wist dat de verbalisanten bij het geopende portier stonden, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat verbalisanten daardoor zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde bewezen.

03.293228.22

Bewijsoverweging feit 1 primair

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] in hoofdlijnen overeenkomen en elkaar aldus onderling ondersteunen. Zij worden verder ondersteund door het letsel dat bij [naam 1] is vastgesteld. De rechtbank gaat dan ook bij de beoordeling van hetgeen heeft plaatsgevonden uit van hun lezing.

Medeplegen

Zowel [naam 1] als [naam 2] verklaart dat de verdachte, samen met [naam 19] en [naam 20] , geweld heeft toegepast jegens het slachtoffer [naam 1] . Het begon met slaan en trappen door [naam 19] , gevolgd door het slaan met een staaf door [naam 20] . Vervolgens is het slachtoffer een paadje in gevlucht waar hij door de verdachte, [naam 20] en [naam 19] is geslagen en getrapt. Hoewel het geweld op twee plekken, bij de auto van het slachtoffer en in een paadje, heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank dit niet, zoals door de raadsvrouw betoogd, als twee los van elkaar staande gebeurtenissen. Zij ziet dit als een zodanige aaneenschakeling van geweldshandelingen waarbij de verdachten en het slachtoffer zich hebben verplaatst naar het paadje, dat gesproken moet worden van één doorlopende gebeurtenis.

Er zijn door de verdachten in gezamenlijkheid geweldshandelingen gepleegd tegen het slachtoffer. En dit, gelet op het gebruik van wapens, de hoeveelheid geweld en de aard van het geweld, kennelijk met het opzet om hem zwaar te mishandelen. Daarmee is de nauwe en bewuste samenwerking die is vereist voor medeplegen, bewezen.

Zwaar lichamelijk letsel

Deze geweldshandelingen hebben bij het slachtoffer [naam 1] onder meer het volgende letsel veroorzaakt: een hersenschudding, een hoofdwond die gehecht moest worden, een gebroken kaak en een gebroken jukbeen, welke breuken operatief moesten worden hersteld. Daarnaast blijkt uit de vordering tot schadevergoeding dat het slachtoffer als gevolg van het opgelopen letsel gedurende negen maanden zijn werk niet heeft kunnen uitvoeren.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat het letsel dat [naam 1] door de geweldshandelingen heeft opgelopen, te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte samen met anderen [naam 1] zwaar heeft mishandeld door hem te slaan en te trappen, zoals hem primair ten laste is gelegd.

Bewijsoverweging feit 2 en 3

Aan de verdachte wordt verweten dat hij in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd jegens [naam 2] (feit 2) en tegen een auto, waarin de slachtoffers zaten (feit 3).

De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De raadsvrouw heeft betoogd dat ten aanzien van feit 3 niet blijkt van een wezenlijke bijdrage van de verdachte bij de openlijke geweldplegingen jegens de auto en ten aanzien van feit 2 blijkt niet dat de verdachte enige geweldshandelingen heeft gepleegd jegens [naam 2] . Bovendien is bij [naam 2] geen letsel waargenomen door een verbalisant of een huisarts, hetgeen blijkens de aangifte wel zou worden verwacht bij dergelijke geweldshandelingen.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vast.

Zoals hiervoor onder feit 1 overwogen, neemt de rechtbank bij de beoordeling van hetgeen heeft plaatsgevonden de verklaringen van [naam 2] en haar broer [naam 1] als uitgangspunt.

Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte, samen met een van de mededaders, het slachtoffer [naam 2] heeft vastgepakt, geslagen en getrapt. Tot slot heeft de verdachte getrapt tegen de rechter buitenspiegel van het portier van de auto waarin de slachtoffers zaten.

Deze handelingen, waaraan de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd, zijn te kwalificeren als openlijk geweld jegens [naam 2] , alsmede jegens de auto waarin zij zat.

Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

03.184001.23

Slachtoffer [naam 13] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld en bedreiging met geweld van zijn fiets. Hij is, naar aanleiding van de verklaring van de verdachte hierop, op 15 juni 2023 nogmaals telefonisch gehoord. Tevens is aangever op 20 december 2023 door de rechter-commissaris gehoord.

Hoewel de verklaringen van de aangever niet op alle punten consistent zijn, komen deze op grote lijnen overeen. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit dan ook uit van de lezing van aangever. Hieruit blijkt dat hij zijn fiets niet vrijwillig aan de verdachte heeft afgestaan, maar dat de verdachte het slachtoffer heeft geduwd teneinde diens fiets te bemachtigen, om hiermee vervolgens te vluchten voor de politie. Aangever heeft de verdachte geen toestemming gegeven om zijn fiets mee te nemen. Dat wordt bevestigd door het eerste contact met de verbalisanten [naam 21] en [naam 22] , die betrokken waren bij de zoektocht naar de ontvluchte gedetineerde verdachte. Het slachtoffer vroeg de aandacht van die verbalisanten en zei dat hij zojuist met geweld van zijn fiets was getrokken. Aangever benadrukt dit nogmaals bij de rechter-commissaris: “Ik wilde mijn fiets niet afgeven. Ik vond het niet goed dat hij mijn fiets meepakte”.

Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 21] en [naam 22] dat de verdachte koste wat kost uit handen van de politie wilde blijven. Zelfs als verbalisanten hem weer in het vizier hebben, probeert hij te ontkomen door van de fiets te springen en weg te rennen. Dit past geheel in de situatie die aangever beschrijft en niet in het verhaal van de verdachte dat hij een stukje op de fiets van aangever mocht fietsen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer [naam 13] van zijn fiets heeft geduwd, de fiets van hem heeft weggenomen, hem heeft bedreigd en hem tegen zijn gezicht heeft getrapt, teneinde zijn fiets weg te nemen.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte bewezen dat

03.065980.23

feit 3 subsidiair:

onbekend gebleven personen op 26 januari 2023 in de gemeente Kerkrade, 8 flessen (lach)gas en (ongeveer) € 1.000,-, die aan [naam 7] en/of [naam 8] , toebehoorden, hebben weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [naam 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat de onbekend gebleven personen een mes tegen de keel van die [naam 8] hebben gedrukt en met een mes in de buik van die [naam 8] te hebben gedrukt,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 26 januari 2023 in de gemeente Kerkrade opzettelijk behulpzaam is geweest door als bestuurder van een (personen)auto die personen naar de [straat 1] te rijden en hen (vervolgens) de flessen lachgas in (zijn) auto heeft laten opbergen en met die personen is weggereden;

feit 4:

hij op 17 augustus 2022 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , om enig goed, dat aan [naam 4] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, via de garage de tuin in is geklommen, (vervolgens) een steen door een ruit (achterzijde woning) heeft gegooid, door de (gehele) woning is gelopen en meerdere kasten in de woning heeft geopend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

03.095922.23


feit 1:
hij op 22 januari 2023 te Heerlen zijn levensgezel, [naam 9] , heeft mishandeld door voornoemde [naam 9] meermalen (met kracht) in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en tegen het lichaam te schoppen en voornoemde [naam 9] vervolgens tegen de grond te gooien;

feit 2:
hij op 22 januari 2023 te Heerlen [naam 10] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam 10] dreigend de woorden toe te voegen “Ik schiet je kapot” en/of “Jij krijgt de kogel”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3 primair:
hij op of omstreeks 2 februari 2023 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 11] en [naam 12] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto achteruit is gereden, waardoor voornoemde [naam 11] door het geopende bijrijdersportier werd gelanceerd ten gevolge waarvan voornoemde [naam 11] ten val is gekomen en waardoor [naam 12] door het geopende bijrijdersportier werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:
hij op 2 februari 2023 te Heerlen een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

03.293228.22

feit 1 primair:

hij op 4 november 2022 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht, door die [naam 1] meermalen (met kracht) te slaan en te trappen;

feit 2:

hij op 4 november 2022 te Kerkrade openlijk, te weten op de [straat 2] ,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [naam 2] , door die [naam 2] meermalen, (met kracht) te slaan, te trappen en te duwen;

feit 3:

hij op 4 november 2022 te Kerkrade openlijk, te weten op de [straat 2] ,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed te weten een personenauto (Volkswagen), door meermalen tegen voornoemde auto te trappen, tegen de spiegel van de auto te trappen en de ruitenwisser om te buigen.

03.184001.23


hij op 13 juni 2023 in de gemeente Sittard-Geleen een (heren)fiets, Batavus Verona, die aan [naam 13] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, door die [naam 13] van zijn fiets te duwen/trekken en/of de fiets (met kracht) bij die [naam 13] weg te nemen en/of tegen die [naam 13] te zeggen: "Laat de fiets los, anders ga ik je slaan" en/of die [naam 13] tegen zijn gezicht te trappen/schoppen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Kennelijke taal- en schrijffouten in de tenlasteleggingen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

03.065980.23

feit 3 subsidiair:

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 4:

poging tot diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

03.095922.23

feit 1:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3 primair:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 4:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

03.293228.22

feit 1 primair:

zware mishandeling;

feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 3:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

03.184001.23

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog drs. J.P.M. van der Leeuw heeft in de zaak met parketnummer 03.065980.23 over de geestvermogens van de verdachte op 2 november 2023 een rapport uitgebracht. In dit rapport komt de deskundige niet tot het oordeel dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank volgt de deskundige in dit oordeel.

De verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 7,5 jaar, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de officier van justitie niet te volgen en een veel lagere straf op te leggen. Het is van groot belang is dat de verdachte zo snel mogelijk (klinisch) wordt behandeld. Bovendien heeft de verdachte al een lange tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een gevangenisstraf van beperkte duur te combineren met een maximale taakstraf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een reeks misdrijven waarbij, welhaast zonder uitzondering, de gezondheid en veiligheid van anderen in gevaar is gebracht. Het aan het verkeer deelnemen onder invloed van verdovende middelen, hoewel op zich al zeer laakbaar, is daarbij misschien nog wel het minst erge. De verdachte heeft zich daarnaast namelijk ook schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn bij een beroving, aan een poging tot inbraak in vereniging, aan het mishandelen van zijn levensgezellin, aan het bedreigen van een ander, aan een poging om, bij zijn aanhouding, twee verbalisanten zwaar te mishandelen door zijn auto als wapen te gebruiken, aan het samen met anderen zwaar mishandelen van iemand en aan het plegen van openlijk geweld tegen iemand en tegen een auto, en aan een beroving waarbij hij met geweld een fiets van een minderjarige voorbijganger heeft afgepakt.

Persoon van de verdachte

Voor deze daden neemt de verdachte geen verantwoordelijkheid. Zijn levensgezellin wordt kennelijk bewogen haar aangifte in te trekken, de bewijsbare betrokkenheid bij de diverse geweldplegingen wordt ontkend en, in het algemeen, liggen volgens de verdachte de feiten anders en minder erg dan voorgesteld. Dat verontrust de rechtbank, zoals ook de verdere inhoud van het dossier de rechtbank verontrust. De verdachte lijkt namelijk, afgaande op de gesprekken/chats in het dossier, betrokken te zijn bij veel meer feiten. Nu deze feiten niet ten laste gelegd (en bewezen verklaard) zijn, kan voor deze feiten geen straf volgen, maar de inhoud van de gesprekken/chats versterken wel de indruk die verdachte bij de rechtbank heeft achtergelaten. En wel als iemand die alleen maar aan zijn eigen belang denkt en bereid is om bij het nastreven en verwezenlijken van dat eigenbelang te liegen, te bedriegen en een spoor van ellende voor anderen te trekken. Die houding, weinig berouwvol en pro-crimineel, betrekt de rechtbank in haar strafmaat. De maatschappij dient namelijk tegen dergelijke personen beschermd te worden.

NIFP rapportage

In het hiervoor onder 6. benoemde rapport van de forensisch psycholoog komt het volgende naar voren.

Bij de verdachte was ten tijde van de [onder parketnummer 03.065980.23 ten laste gelegde] feiten sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Dit beïnvloedde zijn keuzes en gedragingen op dat moment. Er was sprake van het vooropstellen van zijn eigen belang, een gebrek aan vermogen om zich een voorstelling te maken van de gevolgen van zijn gedrag voor anderen, een gebrek aan remming op negatief gedrag, een gebrek aan verantwoordelijkheid en beperkingen in gewetensontwikkeling waardoor andermans grenzen gemakkelijk kunnen worden overschreden. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 adviseert de deskundige om deze feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank volgt deze deskundige in zijn bevindingen en advies en zal daarom de feiten 3 en 4 in de zaak met parketnummer 03.065980.23 aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.

Straf

De verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven in te zien dat hij hulp nodig heeft en wil ook werken aan zijn problemen. Hij heeft de rechtbank echter daarvan niet kunnen overtuigen, in ieder geval niet in die mate dat de rechtbank oordeelt dat de verdachte zo snel mogelijk in de gelegenheid moet worden gesteld om in (voorwaardelijke) vrijheid behandelingen en therapieën te ondergaan. Hij heeft die kans bovendien gekregen toen zijn voorlopige hechtenis op 6 maart 2024 werd geschorst. Deze kans heeft hij niet gegrepen: deze schorsing is opgeheven vanwege het overtreden van de schorsingsvoorwaarden. Een deels voorwaardelijke straf acht de rechtbank daarom ook niet aan de orde. Vanzelfsprekend is één van de strafdoelen de speciale preventie, een straf moet ertoe bijdragen dat een verdachte minder snel zal recidiveren, maar hier staan andere strafdoelen op de voorgrond, te weten de vergelding en, zoals hierboven al uiteengezet, de beveiliging van de maatschappij. Dat wil niet zeggen dat wat de rechtbank betreft de verdachte niet in de gelegenheid moet worden gesteld om aan zichzelf te werken, maar dat werken zal moeten plaatsvinden onder de voorwaarden die in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, aan de achterkant van de straf, gesteld kunnen worden.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 3]

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 3.012,-, vermeerderd met de wettelijke rente, aan immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam 4]

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 1.717,20, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

  1. keukenkraan: € 80,-;

  2. koel-vriescombinatie: € 140,-;

  3. camerasysteem: € 1.115,-;

  4. reiskosten: € 7,20

  5. immateriële schade: € 375,-.

[naam 1]

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij een aantal schadeposten ingetrokken. Dit betreffen de posten huishoudelijke hulp, verlies zelfwerkzaamheid en de schade aan en doorlopende kosten van de auto. Ten aanzien van de schadepost ‘vloeibaar voedsel’ heeft hij de vordering beperkt tot 50% van het oorspronkelijk gevorderde bedrag, derhalve € 15,39.

Dit houdt in dat de benadeelde partij thans schadevergoeding tot een totaalbedrag van

€ 10.449,66 vordert. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

  1. fysiotherapie en eigen risico: € 714,-

  2. reis- en parkeerkosten: € 75,78

  3. gederfde inkomsten: € 4.789,49,-;

  4. overige kosten (vloeibaar voedsel en telefoon): €370,39;

  5. immateriële schade: € 4.500,-.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam 2]

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij één schadepost ingetrokken. Dit betreft de post ‘huishoudelijke hulp’. Dit houdt in dat de benadeelde partij thans schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 3.047,89 vordert. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

  1. gederfde inkomsten: € 482,94,-;

  2. jas en telefoon: € 64,95,-;

  3. immateriële schade: € 2.500,-.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

[naam 3]

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam 3] , nu zij tot vrijspraak heeft gerekwireerd van het feit waarop deze vordering betrekking heeft.

[naam 4]

De vordering van [naam 4] kan worden toegewezen, nu deze goed is onderbouwd. Het hoofdelijk toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden toegepast.

[naam 1] en [naam 2]

De officier van justitie heeft tot de gehele en hoofdelijke toewijzing geconcludeerd van de verzoeken tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] , nu deze niet ingewikkeld van aard en voldoende onderbouwd zijn.

8.3

Het standpunt van de verdediging

[naam 3]

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, vanwege de door haar bepleite vrijspraak van het feit waar deze vordering betrekking op heeft.

[naam 4]

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 4] .

[naam 1] en [naam 2]

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen bepleit ten aanzien van de posten ‘gederfde inkomsten’, nu deze posten te ingewikkeld zijn om in deze strafrechtelijke procedure te beoordelen en dit een te zware belasting zou opleveren voor het strafproces.

Ten aanzien van de vordering van [naam 2] ontbreekt het causaal verband tussen de schade aan de jas en de telefoon en het ten laste gelegde feit, en dient de benadeelde partij ten aanzien van die schadeposten niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

[naam 3]

Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

[naam 4]

Materiële schade

Op grond van de onderbouwing van de schadeposten en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, acht de rechtbank die schade aannemelijk. De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag voor zover dit ziet op de materiële schade, zijnde € 1.342,20, hoofdelijk toewijzen.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:95 BW bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling die het volgende inhoudt: ‘voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…). Indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’

Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet al sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De benadeelde partij heeft geen concrete en objectieve gegevens bijgevoegd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is (geweest) van geestelijk letsel. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending (een poging tot woninginbraak in vereniging) en de aard en ernst van de gevolgen daarvan, hoewel de rechtbank begrijpt dat dit feit gevoelens van angst en onveiligheid voor de benadeelde partij tot gevolg heeft gehad, niet zodanig voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partij, gelet op het vorenstaande, niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover het de immateriële schade betreft.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met de medeverdachte aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen en over het toe te wijzen bedrag van € 1.342,20 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

[naam 1]

Materiële schade

De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de in de zaak met parketnummer 03.293228.22 onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 5.949,66. Dit bedrag is opgebouwd uit de posten:

  1. Fysiotherapie en eigen risico: € 714,-,

  2. reis- en parkeerkosten: € 75,78

  3. gederfde inkomsten: € 4.789,49,

  4. overige kosten (vloeibaar voedsel en telefoon): € 370,39,

derhalve in totaal € 5.949,66.

Op grond van de onderbouwing van de schadeposten in de bijlagen bij het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij en hun advocaat naar voren is gebracht, acht de rechtbank die schade aannemelijk en zal zij deze schade hoofdelijk toewijzen.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van fysiek letsel. Daarvan is sprake nu het slachtoffer, als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03.293228.22 onder 1 bewezen verklaarde feit, een hoofdwond en een breuk in de kaak en het jukbeen heeft opgelopen. Reeds om die reden kan hij aanspraak maken op smartengeld.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 4.500,- gevorderd.

Dat het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde feit ook psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank, ook zonder nadere onderbouwing van een deskundige, aannemelijk vanwege de bijzondere ernst van de normschending. De rechtbank acht het bedrag dat wordt gevorderd passend en zal dit dan ook geheel toewijzen.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met de medeverdachte aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen en over het toe te wijzen bedrag van € 10.449,66, vermeerderd met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

[naam 2]

Materiële schade

De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03.293228.22 onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 547,89. Ook de schade aan de jas en de telefoon staan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende causaal verband tot het bewezenverklaarde. Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit de posten:

  1. gederfde inkomsten: € 482,94,-;

  2. jas en telefoon: € 64,95,-.

Op grond van de onderbouwing van de schadeposten in de bijlagen bij het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij en hun advocaat naar voren is gebracht, acht de rechtbank die schade aannemelijk en zal deze dan ook hoofdelijk toewijzen.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van fysiek letsel. Daarvan is sprake nu het slachtoffer, als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03.293228.22 onder 2 bewezen verklaarde feit, diverse blauwe plekken heeft opgelopen. Reeds om die reden kan zij aanspraak maken op smartengeld.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,- gevorderd.

Dat het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde feit ook psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank, ook zonder nadere onderbouwing van een deskundige, aannemelijk vanwege de bijzondere ernst van de normschending. De rechtbank acht het bedrag dat wordt gevorderd passend en zal dit dan ook geheel toewijzen.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor de verdachte samen met de medeverdachte aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen en over het toe te wijzen bedrag, zijnde € 3.047,89, vermeerderd met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 48, 57, 141, 285, 300, 302, 304, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met parketnummer 03.065980.23

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het hem onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • verklaart het onder 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat onder 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

in de zaken met parketnummers 03.095922.23, 03.293228.22 en 03.184001.23

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

in de zaken met parketnummers 03.065980.23, 03.095922.23, 03.293228.22 en 03.194001.23

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[naam 3]

  • verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[naam 4]

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 4] , van een bedrag van € 1.342,20, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 4] , van een bedrag van € 1.342,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

[naam 1]

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van € 10.449,65, bestaande uit € 5.949,65 materiële schade en € 4.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van € 10.449,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 87 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

[naam 2]

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 2] , van een bedrag van € 3.047,89, bestaande uit € 547,89 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] , van een bedrag van € 3.047,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. K.G. Witteman en mr. P.J.C.M. Vervuren, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 mei 2024.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

03.065980.23

feit 1:

hij op of omstreeks 5 januari 2023 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas (merk Moose Knuckles) en/of een portemonnee (inhoudende onder meer een bankpas) en/of Euro 200,- en/of iPhone en/of een sleutelbos, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een wapenstok in de buik van die [naam 5] te prikken en/of die [naam 5] te dwingen het trappenhuis in te gaan en naar boven te lopen en/of een vuurwapen op die [naam 5] te richten en/of de polsen van die [naam 5] met tiewraps aan elkaar te maken;

feit 2:

hij op of omstreeks 15 januari 2023 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, autosleutels en/of een (personen)auto (KIA Picanto, [kenteken] ) en/of sleutels , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] en/of [naam 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 3] en/of die [naam 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door, voorzien van een (vuur)wapen, bij die [naam 3] en [naam 6] in de auto te stappen en/of, nadat die [naam 3] en [naam 6] uit de auto waren getrokken en/of gevlucht, achter die [naam 3] en/of [naam 6] aan te rennen en die [naam 3] bij de jas vast te grijpen en/of die [naam 3] met een (vuur)wapen, in elk geval een hard voorwerp, op het hoofd te slaan en/of die [naam 6] op het hoofd te slaan en/of te stompen;

feit 3 primair:

hij op of omstreeks 26 januari 2023 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 8 flessen (lach)gas en/of (ongeveer) Euro 1000,-, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 7] en/of [naam 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een mes tegen/op de keel van die [naam 8] te houden/drukken en/of met een mes in de buik van die [naam 8] te duwen/drukken;

feit 3 subsidiair:

een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) op of omstreeks 26 januari 2023 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 8 flessen (lach)gas en/of (ongeveer) Euro 1000,-, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 7] en/of [naam 8] , in elk geval aan een ander dan aan die perso(o)n(en) en/of zijn/hun mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een mes tegen/op de keel van die [naam 8] te houden/drukken en/of met een mes in de buik van die [naam 8] te duwen/drukken,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 26 januari 2023 in de gemeente Kerkrade opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door als bestuurder van een (personen)auto die perso(o)n(en) naar de [straat 1] te rijden en/of (vervolgens) tijdens het plegen van het feit door die perso(o)n(en) op de uitkijk/op wacht te staan en/of (vervolgens) de flessen lachgas in (zijn) auto heeft (laten) opbergen en/of met die perso(o)n(en) is weggereden.;

feit 4:

hij op of omstreeks 17 augustus 2022 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , om een of meer goederen en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, via de garage de tuin in is geklommen en/of (vervolgens) een steen door een raam/ruit (achterzijde woning) heeft gegooid en/of door de (gehele) woning is gelopen en/of meerdere kasten in de woning heeft geopend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

03.095922.23
feit 1:
hij op één of meerdere tijdstippen of omstreeks 22 januari 2023 te Heerlen zijn levensgezel, [naam 9] , heeft mishandeld door voornoemde [naam 9] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of tegen het lichaam te schoppen en/of voornoemde [naam 9] (vervolgens) tegen/op de grond te gooien;

feit 2:
hij op of omstreeks 22 januari 2023 te Heerlen [naam 10] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 10] dreigend de woorden toe te voegen "Ik schiet je kapot" en/of "Jij krijgt de kogel", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:
hij op of omstreeks 2 februari 2023 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 11] en/of [naam 12] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto achteruit is gereden, waardoor voornoemde [naam 11] en/of voornoemde [naam 12] door het geopende (bijrijders)portier werd(en) gelanceerd en/of geraakt, ten gevolge waarvan voornoemde [naam 11] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 februari 2023 te Heerlen, (een) ambtena(a)r(en), [naam 11] en/of [naam 12] , beide hoofdagent van politie Eenheid Limburg, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening heeft mishandeld door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto achteruit te rijden, waardoor voornoemde [naam 11] en/of voornoemde [naam 12] door het geopende (bijrijders)portier werd(en) gelanceerd en/of geraakt, ten gevolge waarvan voornoemde [naam 11] ten val is gekomen;

feit 4:
hij op of omstreeks 2 februari 2023 te Heerlen een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

03.293228.22
feit 1:
hij op of omstreeks 4 november 2022 te Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of gebroken jukbeen, heeft toegebracht, door die [naam 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of te trappen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 november 2022 te Kerkrade openlijk, te weten, op/aan de [straat 2] en/of een fietspad aangrenzend aan de [straat 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [naam 1] door die [naam 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of te trappen en/of met een ploertendoder, althans een (hard) voorwerp, in de richting van die [naam 1] te slaan en/of zwaaien;

feit 2:
hij op of omstreeks 4 november 2022 te Kerkrade openlijk, te weten, op/aan de [straat 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [naam 2] , door die [naam 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of te trappen en/of te duwen;

feit 3:
hij op of omstreeks 4 november 2022 te Kerkrade openlijk, te weten, op/aan de [straat 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed te weten een personenauto (Volkswagen), door meermalen, althans eenmaal, tegen voornoemde auto te trappen en/of tegen de spiegel van de auto te trappen en/of de ruitenwisser om te buigen;

03.184001.23
hij op of omstreeks 13 juni 2023 in de gemeente Sittard-Geleen een (heren)fiets, Batavus Verona, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 13] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [naam 13] van zijn fiets te duwen/trekken en/of de fiets (met kracht) bij die [naam 13] weg te nemen en/of tegen die [naam 13] te zeggen: "Laat de fiets los, anders ga ik je slaan" en/of die [naam 13] tegen zijn gezicht te trappen/schoppen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03.065980.23, 03.095922.23, 03.293228.22 en 03.194001.23 (ttz. gev.)

Proces-verbaal van de openbare zitting van 28 mei 2024 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

wonende te [adres 1] ,

gedetineerd in [P.I.] .

Raadsvrouw is mr. G.L.P. Biesmans, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zittingzaal aanwezig. Ter terechtzitting van 14 mei 2024 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.