Strafrecht overig

Opzettelijk aanwezig hebben van 1026,72 gram cocaïne & 2374 gram hennep en voorhanden hebben van een…

Rechtbank Limburg, 2 november 2026

Zaakgegevens

Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
2 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
03/093900-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:11855
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk aanwezig hebben van 1026,72 gram cocaïne & 2374 gram hennep en voorhanden hebben van een getransformeerd gaspistool. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en daarnaast een taakstraf van 240 uren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/093900-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 november 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1990,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 oktober 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 21 maart 2025 in Reuver al dan niet met een of meer anderen:

feit 1: opzettelijk 1026,27 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;

feit 2: opzettelijk 2374 gram hennep aanwezig heeft gehad;

feit 3: een (getransformeerd) gaspistool voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte. De verdovende middelen en het wapen had verdachte, samen met zijn dealer, opzettelijk aanwezig.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Omdat de verdachte de feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

t.a.v. feit 1:

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 19 oktober 2026;

  • de kennisgeving van inbeslagneming;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen;

- de rapporten van het NFI.

t.a.v. feit 2:

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 19 oktober 2026;

  • de kennisgevingen van inbeslagneming;

- het proces-verbaal van bevindingen, met daarin de bevindingen over de indicatieve test.

t.a.v. feit 3:

- de verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens zijn verhoor bij de politie op 26 maart 2025;

- de kennisgeving van inbeslagneming;

- het proces-verbaal van onderzoek aan het wapen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. feit 1:

op 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1026,72 gram (netto) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

t.a.v. feit 2:

op 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 2374 gram (netto) hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

t.a.v. feit 3:

op 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool, van het merk Zoraki, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, naar rato van 2 uren per dag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het positieve advies van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij acht een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf, zoals voorgesteld door de officier van justitie, passend. Ten aanzien van de hoogte heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in maart 2025 schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van iets meer dan een kilo cocaïne en bijna 2,5 kilo hennep. Ook heeft hij een getransformeerd gaspistool voorhanden gehad, waarmee door de transformatie kogelpatronen konden worden afgeschoten. Naar eigen zeggen had de verdachte de verdovende middelen en het wapen in zijn schuurtje in bewaring voor zijn dealer. Hij ontving in ruil hiervoor drugs en kon op deze manier in zijn eigen verslaving blijven voorzien.

Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan (het in stand houden van) het criminele drugscircuit met alle kwalijke neveneffecten van dien. Drugshandel gaat namelijk vaak gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en is een gevaar voor het milieu en de volksgezondheid.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is een man van 36 jaar die al meerdere malen in beeld is gekomen bij politie en justitie. Hij staat inmiddels ruim 17 maanden onder schorsingstoezicht van de reclassering. De reclassering stelt in haar rapport van 2 oktober 2026 dat de verdachte zich in deze periode goed aan de afspraken heeft gehouden, een positieve ontwikkeling heeft laten zien en hard heeft gewerkt. Hij heeft zijn verslaving door middel van een gerichte leefstijltraining onder controle gekregen en de reclassering vermeldt dat hij zijn afhankelijkheid van drugs lijkt te hebben overwonnen. Ter zitting is verder besproken dat de verdachte zeer recent voor de tweede keer vader is geworden en zijn leven weer heeft opgebouwd. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en ziet geen noodzaak meer voor verdere begeleiding of andere bijzondere voorwaarden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit die de afgelopen periode is bereikt.

De rechtbank overweegt dat de verdachte nadat hij 2 maanden in voorarrest had doorgebracht in mei 2025 is geschorst. Gedurende een periode van bijna 1,5 jaar is met behulp van toezicht en begeleiding stabiliteit op alle leefgebieden bereikt. Hoewel de strafbare feiten in beginsel een gevangenisstraf rechtvaardigen, acht de rechtbank dit om herhaling te voorkomen, net als de officier van justitie, niet langer passend. Een dergelijke straf zal de positieve ontwikkeling van de verdachte doorkruisen.

De rechtbank wil de verdachte een kans geven deze positieve ontwikkeling voort te zetten. Het moet hierbij voor de verdachte duidelijk zijn dat zijn handelen volstrekt onaanvaardbaar was en het verstrekkende gevolgen zal hebben op het moment dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt. Daarom zal de rechtbank, zoals gevorderd door de officier van justitie, aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen en daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren. De toegepaste periode van voorarrest komt op de taakstraf in mindering. Dat betekent dat de verdachte 120 uren zal moeten werken. De verdachte zal deze kans met beide handen moeten aangrijpen.

Omdat geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie wordt opgelegd, zal de rechtbank het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.

7 Het beslag

In het dossier bevindt zich een beslaglijst met daarop een geldbedrag van €340,00.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de teruggave van het geldbedrag gevorderd aan de rechthebbende [naam] , omdat niet is gebleken dat de verdachte het geldbedrag door middel van of uit de baten van het strafbare feit heeft verkregen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de rechthebbende.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag gelasten aan de partner van de verdachte, [naam] , omdat zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt gelet op de verklaringen van de verdachte en [naam] bij de politie.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Taakstraf

  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

Beslag

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [naam] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:

- 340,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2300-2025045553-G1790237);

Voorlopige hechtenis

- heft op het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.D. Geraads, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 november 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

t.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1026,72 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2374 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Reuver, gemeente Beesel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) gaspistool, van het merk Zoraki/Glock, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025045725, gesloten op 19 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 262. Kennisgeving van inbeslagneming van 21 maart 2025, p. 201-205. Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 23 april 2025, p. 98-105. NFI-rapporten van 18 april 2025, p. 106-112. Kennisgevingen van inbeslagneming van 21 maart 2025, p. 208-211. Proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2025, p. 52-53. Proces-verbaal verhoor verdachte van 26 maart 2025, p. 159, 163-164. Kennisgeving van inbeslagneming van 21 maart 2025, p. 216. Proces-verbaal onderzoek wapen met bijlage van 15 mei 2025, p. 113-119.