Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van het opzettelijk voorhanden hebben van…

Rechtbank Noord-Holland, 2 november 2026

Zaakgegevens

Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
2 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
15106430-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14870
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen bestemd om personen of zaken door vuur of ontploffing te treffen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een misdrijf op grond van de Wet explosieven voor civiel gebruik en een misdrijf op grond van de Wet op de economische delicten, doordat hij als particulier opzettelijk een precursor voor explosieven voorhanden had, terwijl dat verboden is. De verdachte had onder meer waterstofperoxide, aceton, zwavelzuur, zwartkruit en een strafbare hoeveelheid kaliumnitraat in zijn bezit, evenals veiligheidsbrillen, halfgelaatsmaskers met filters, maatbekers en vier doosjes lucifers. Tot slot heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een nog niet compleet 3D-geprint vuurwapen. De rechtbank legt hem een jeugddetentie op van 120 dagen, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en verbindt daaraan een proeftijd van twee jaar. Ook krijgt hij een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/106430-26 (P)

Uitspraakdatum: 2 november 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 19 oktober 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en wat de verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Woud, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar (hierna: de jeugdreclassering) en de ouders van de verdachte.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2026 tot en met 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, in elk geval in Nederland ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden hebben en/of vervaardigen, opzettelijk:
- een hoeveelheid grondstoffen voor het maken van TATP en/of een ander explosief, te weten waterstofperoxide en/of aceton en/of zwavelzuur en/of
- een hoeveelheid grondstoffen voor het maken van zwartkruit en/of een ander explosief, te weten kaliumnitraat en/of
- (daarbij) een (aantal) veiligheidsbrillen, halfgelaatsmaskers met filters, maatbekers, zwartkruit en 4 doosjes lucifers bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

feit 2
hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2026 tot en met 9 april 2026, Grootebroek, gemeente Stede Broec, in elk geval in Nederland, als particulier, heeft gehandeld in strijd met de verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019, immers heeft verdachte een of meer precursoren voor explosieven, te weten
- een hoeveelheid zwavelzuur met een percentage van meer dan 15% in bezit heeft gehad en/of gehouden en/of gebruikt;

feit 3
hij op of omstreeks 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een incompleet vuurwapen, van het merk FGC-09 MK II, althans een samenstel van (essentiële) vuurwapen-onderdelen, en/of munitie van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten één knalpatroon kaliber 9mm PAK (Pistol Automatik Knall) voorhanden heeft gehad

feit 4
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, opzettelijk, zonder erkenning, explosieven, te weten

- een hoeveelheid zwartkruit/buskruit en/of
- TATP/acetonperoxide heeft opgeslagen en vervaardigd en gebruikt

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Volgens de raadsman kan dit feit niet gekwalificeerd worden als het voorbereiden van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Partiele vrijspraak feit 4

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 4, tweede gedachtestreepje, ten laste is gelegd. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte weliswaar heeft bekend dat hij in de ten laste gelegde periode meerdere keren TATP heeft opgeslagen, vervaardigd en gebruikt, maar dat deze bekennende verklaring niet wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen in het dossier. Evenmin is onder de verdachte TATP aangetroffen. Op grond van artikel 341, vierde lid, in samenhang gelezen met 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan niet uitsluitend berusten op de verklaring van de verdachte. Daarom volgt partieel vrijspraak van feit 4.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van

het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden

opgenomen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij in de periode van 31 maart 2026 tot en met 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren is gesteld, te weten voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden hebben en opzettelijk:
- een hoeveelheid grondstoffen voor het maken van een ander explosief, te weten waterstofperoxide en aceton en zwavelzuur en
- een hoeveelheid grondstoffen voor het maken van zwartkruit en een ander explosief, te weten kaliumnitraat en
- daarbij veiligheidsbrillen, halfgelaatsmaskers met filters, maatbekers, zwartkruit en 4 doosjes lucifers bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

feit 2:
hij in de periode van 31 maart 2026 tot en met 9 april 2026, Grootebroek, gemeente Stede Broec als particulier, heeft gehandeld in strijd met de verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019, immers heeft verdachte een of meer precursoren voor explosieven, te weten
- een hoeveelheid zwavelzuur met een percentage van meer dan 15% in bezit heeft gehad en gehouden;

feit 3:
hij op 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een incompleet vuurwapen, van het merk FGC-09 MK II, althans een samenstel van (essentiële) vuurwapen-onderdelen, en munitie van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten één knalpatroon kaliber 9mm PAK (Pistol Automatik Knall) voorhanden heeft gehad;

feit 4:
hij in de periode van 1 december 2022 tot en met 9 april 2026 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, opzettelijk, zonder erkenning, explosieven, te weten

-een hoeveelheid zwartkruit/buskruit.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 2, de eendaadse samenloop van:

het voorbereiden van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7;

en

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet precursoren voor explosieven, opzettelijk begaan;

feit 4: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 17 van de Wet explosieven voor civiel gebruik, opzettelijk begaan.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de algemene voorwaarde wordt verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging acht een voorwaardelijke jeugddetentie niet passend gelet op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor feit 1. Subsidiair refereert de raadsman zich ten aanzien van de strafmaat aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De aard en de ernst van de feiten

De verdachte heeft thuis gevaarlijke en ontvlambare stoffen bewaard, waarmee een ontploffing veroorzaakt kon worden en mensen zwaar gewond hadden kunnen raken.

De verdachte heeft zelf stoffen gemengd om een explosieve stof te maken en hij was van plan meer explosieve stoffen te vervaardigen. Uit het NFI-rapport in het dossier volgt dat het vervaardigen van mengsels van kaliumchloraat en zwavel zoveel mogelijk moet worden vermeden, omdat deze mengsels zeer gevoelig zijn voor onbedoelde ontsteking door wrijving of stoten. Ook spontane zelfontbranding kan optreden. Daarnaast is kaliumchloraat op zichzelf al gevoelig voor impact, zodat bij een krachtige impact een explosie kan ontstaan. Mengsels van deze stoffen zijn daarmee uiterst explosief en levensgevaarlijk.

De verdachte was bekend met de gevaren van deze stoffen, maar heeft deze stoffen toch opgeslagen in de woning en schuur van zijn ouders en heeft daar ook mee geëxperimenteerd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij, ondanks dat hij bekend was met de ernstige risico’s van zijn handelen, hier toch mee is doorgegaan. Hij heeft niet alleen zichzelf, maar ook zijn ouders en nietsvermoedende omwonenden in potentieel groot gevaar gebracht.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (nog niet compleet) 3D-geprint vuurwapen, waarvan de verdachte zelf heeft verteld dat hij dit vuurwapen werkend kon krijgen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en het risico op gebruik daarvan leveren gevaar op voor de verdachte en voor anderen. Het voorhanden hebben van een wapen brengt daarom een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich mee.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van

3 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder veroordeeld is voor (steek)wapen bezit;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 13 oktober 2026 door

[raadsmedewerker] , als raadsmedewerker verbonden aan de Raad. De Raad adviseert de rechtbank aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarden en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf aan de verdachte op te leggen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte overweegt de rechtbank nog het volgende.

De Raad schat het algemene recidiverisico als zeer hoog in en het dynamische recidiverisico als laag. Dat betekent dat op basis van veranderbare factoren een beperkte kans op herhaling van delictgedrag bestaat. Er is sprake van een positieve thuissituatie met twee betrokken ouders en de verdachte heeft een dagbesteding in de vorm van school en werk. Ook zijn de zorgen omtrent het middelengebruik van de verdachte de afgelopen tijd sterk verminderd, wat positief is. De Raad vindt het zorgelijk dat dit niet de eerste keer is dat de verdachte zich bezighoudt met het maken van explosieven. Hij is meerdere keren gewaarschuwd, door zowel zijn ouders als de politie. De Raad ziet dat verdachtes innerlijke dwang naar het extreme van grote invloed is op de keuzes die hij maakt. De Raad vindt het zorgelijk dat het vervullen van de behoeftes van de verdachte rondom zijn fascinatie in extreme dingen steeds een stapje verder gaat. De Raad vindt het positief dat de verdachte deze behoefte nu op een andere manier vervult, door het wandelen/klimmen, maar ziet wel een risico hoe hij zijn behoeftes zal gaan vervullen wanneer de verdachte is uitgekeken op deze hobby.

Op de zitting heeft de Raad aanvullend naar voren gebracht dat verdere hulpverlening niet nodig lijkt te zijn, omdat de verdachte zich bewust is van de risico’s.

De jeugdreclassering heeft ter zitting toegelicht dat de verdachte een jongen is met fascinaties en dat hij bepaalde onderwerpen graag wil doorgronden. Aan deze fascinaties kleven risico’s en het lukt de verdachte soms niet goed genoeg om daaraan weerstand te bieden. De verdachte heeft inmiddels een andere hobby gevonden, namelijk reizen en klimmen. Ook daarin zoekt hij de grenzen op.

Conclusie rechtbank over de op te leggen straf

De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank gaat daarbij uit van 6 dagen voorarrest. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf een proeftijd van twee jaren verbinden. Aan deze proeftijd wordt de algemene voorwaarde verbonden dat de verdachte zich gedurende deze twee jaar niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit.

Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een werkstraf op voor de duur van 60 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

De voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie is hoger dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht dit aangewezen, omdat de verdachte een stevige stok achter de deur nodig heeft om geen strafbare feiten meer te plegen. De rechtbank ziet verder aanleiding om aan de verdachte een lagere werkstraf op te leggen, dan door de officier van justitie is geëist. De verdachte heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt: hij volgt onderwijs en heeft werk, heeft een veel betere vrijetijdsbesteding gevonden in het klimmen en hij lijkt het kwalijke van zijn handelen en de risico’s die heeft genomen in te zien. De rechtbank acht het van belang dat deze ontwikkeling niet wordt doorkruist door een te lange werkstraf.

De rechtbank overweegt tot slot en ten overvloede dat zij zich zorgen maakt over de kennelijke fascinatie van de verdachte voor ‘het extreme’. De verdachte heeft ter zitting open verklaard over deze fascinatie: hij zoekt graag de grenzen op en schrikt soms ook van zijn eigen gedrag. Zo heeft hij verklaard dat hij zichzelf er regelmatig van probeert te weerhouden om zich verder in te laten met bijvoorbeeld het maken van gevaarlijke explosieven, juist omdat hij zich bewust is van de risico’s, maar dat het hem vervolgens toch niet altijd lukt om weerstand te bieden aan die drang. Hoewel de Raad in dit verband geen hulpverlening heeft geadviseerd en de rechtbank mede daarom geen aanleiding ziet om op dit punt een bijzondere voorwaarde op te leggen, geeft de rechtbank de verdachte wel nadrukkelijk mee hier zelfstandig mee aan de slag te gaan, eventueel met hulp van zijn ouders.

7 Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Munitie, moet worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 46, 55, 57, 77 a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

- 1 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 17 van de Wet explosieven voor civiel gebruik;

- 3 van de Wet precursoren voor explosieven.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van honderdtwintig (120) dagen.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te stellen op zes (6) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot honderdveertien (114) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van zestig (60) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door dertig (30) dagen jeugddetentie.

Bijkomende maatregel - onttrekking aan het verkeer

Onttrekt aan het verkeer: 1 STK Munitie (omschrijving: [omschrijving] )

Beslissing over voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Mireku, voorzitter,

mr. E.G. van Roest en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.E. Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 november 2026.