Strafrecht overig

Veroordeling wegens het wederrechtelijk binnendringen van een woning, mishandeling, en gekwalificeerde…

Rechtbank Oost-Brabant, 2 november 2026

Zaakgegevens

Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 november 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
01.100328.26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7601
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling wegens het wederrechtelijk binnendringen van een woning, mishandeling, en gekwalificeerde opzetverkrachting van zijn ex-vriendin.

Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren.

Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, plus een contact- en locatieverbod zoals verzocht door het slachtoffer.

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij. Oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.100328.26

Datum uitspraak: 2 november 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2026, 12 oktober 2026 en 26 oktober 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:
hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schijndel, althans in Nederland,
met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn vingers en/of penis in haar
vagina en/of
- zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en/of
- zich heeft laten aftrekken door die [slachtoffer] ,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging,

door:

- ’s nachts een raam open te breken en het huis van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of
- haar van de trap naar beneden te werken en/of haar van de trap af naar beneden
te duwen en trekken en/of
- te slaan op/tegen haar lichaam en/of haar gezicht en/of
- aan haar haren te trekken en/of
- bij haar keel te pakken en/of in haar keel te knijpen en/of
- zijn vinger in haar mond/keel te steken en/of
- haar door de kamer heen te trekken en/of
- zijn penis in haar gezicht te duwen en/of
- een glas uit haar handen te slaan en/of haar glas tegen haar lip te slaan en/of haar
glas af te pakken en/of met dat glas op de tafel te slaan en/of
- haar door het glas op de grond heen te trekken en/of
- te roepen dat dit hun laatste moment is samen en/of dat ze samen door gingen
en/of dat zij hem moest neuken en/of pijpen en/of seks met hem moest hebben
en/of dat als het klaar was dat ze samen dood gingen en/of
- haar telefoon af te pakken en/of te zeggen dat ze haar telefoon niet mocht
aanraken en/of
- haar mee naar boven te trekken en/of
- haar uit te schelden en/of met de dood te bedreigen en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet van
die [slachtoffer] .

Feit 2:
hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schijndel, althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld,
door :
- haar van de trap naar beneden te werken en/of haar van de trap af naar beneden
te duwen en trekken en/of
- te slaan op/tegen haar lichaam en/of haar gezicht en/of
- aan haar haren te trekken en/of
- bij haar keel te pakken en/of in haar keel te knijpen en/of
- zijn vinger in haar mond/keel te steken en/of
- haar glas tegen haar lip te slaan en/of
- haar door de kamer heen te trekken en/of
- haar door het glas op de grond heen te trekken.

Feit 3:
hij op of omstreeks 2 april 2026 te Schijndel, althans in Nederland,
in de woning, gelegen aan de [adres 2] te Schijndel,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, conform het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de drie tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van de woning van aangeefster en mishandeling van aangeefster, zoals ten laste gelegd onder 2 en 3. Hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de gekwalificeerde opzetverkrachting, zoals ten laste gelegd onder feit 1. Volgens verdachte is er na de incidenten van feit 2 en 3 sprake geweest van “goedmaakseks”, waarbij sprake was van vrijwilligheid en wederzijdse instemming. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging, conform de overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van de gekwalificeerde opzetverkrachting. Voorts is aangevoerd dat de verklaring van aangeefster te veel vragen oproept en onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat geen sprake is geweest van het onder 2 ten laste gelegde “van de trap naar beneden werken en/of haar van de trap af naar beneden duwen en trekken” (eerste gedachtestreepje) en “door het glas op de grond heen trekken” (laatste gedachtestreepje).

Het oordeel van de rechtbank.

T.a.v. feit 2 en 3:

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de nacht van 2 april 2026 wederrechtelijk de woning van aangeefster is binnengedrongen (feit 3). Verdachte heeft eerst, midden in de nacht, lange tijd aangebeld en op de deur van de woning gebonkt. Hij was onder invloed van drugs en alcohol en verkeerde in alle staten. Hij was extreem boos en schreeuwde dat aangeefster open moest doen. Verdachte wilde binnenkomen. Toen aangeefster de deur niet opendeed, heeft hij een hand door het kiepraam aan de voorzijde van de woning gestoken en dit raam opengebroken. Verdachte is door het geforceerde raam wederrechtelijk de woning van aangeefster binnengedrongen.

Toen hij eenmaal binnen in de woning was, heeft hij aangeefster in haar woning mishandeld (feit 2). Verdachte heeft aangeefster, die bovenaan de trap stond, van de trap naar beneden gewerkt en haar door de kamer getrokken. Hij heeft haar geslagen op haar oor, kaak en linker- en rechter slaap. Verdachte heeft aangeefster aan haar haren getrokken en haar geslagen op haar borst en schouders. Verder heeft hij haar bij de keel gepakt en in haar keel geknepen en heeft hij zijn vingers in haar mond en/of keel gestoken. Op het moment dat zij uit een glas dronk, heeft hij dat glas tegen haar lip geslagen. Door deze geweldshandelingen van verdachte heeft aangeefster pijn en letsel opgelopen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde huisvredebreuk en de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling.

T.a.v. feit 1:

Bij de beoordeling van feit 1, ziet de rechtbank zich voor de vragen gesteld of bewezen kan worden dat sprake is geweest van de seksuele handelingen zoals tenlastegelegd, en zo ja of deze tegen de wil zijn geweest van aangeefster en of de verdachte dit wist. Indien deze vragen bevestigend beantwoord kunnen worden, zal de rechtbank beoordelen of al dan niet sprake is geweest van dwang, geweld en/of bedreiging en daarmee van de gekwalificeerde opzetverkrachting zoals is betoogd door de officier van justitie.

Algemeen juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs, stelt de rechtbank voorop dat het in zedenzaken regelmatig voorkomt dat verklaringen van een slachtoffer en de verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan. Het gaat immers vaak om seksuele handelingen waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Als de verdachte de tenlastegelegde gedragingen ontkent, zoals in de onderhavige zaak ook het geval is ten aanzien van de onvrijwilligheid van de seks, is de verklaring van het slachtoffer vaak het enige directe wettig bewijsmiddel.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige (zoals een slachtoffer) in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.

Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak allereerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster zal beoordelen. Als de verklaringen naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier.

Dit zogenaamde ‘steunbewijs’ in zedenzaken hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet per definitie te zien op de verrichte handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Indien een verklaring van een getuige bijvoorbeeld (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van bijvoorbeeld de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het ten laste gelegde.

Voorts is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat de gedragingen zijn gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.

Betrouwbaarheid verklaringen van aangeefster

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en overweegt hiertoe als volgt. Aangeefster heeft op vier momenten een verklaring afgelegd: direct na het incident aan het politiebureau, een paar uur later bij de politie tijdens het informatieve zedengesprek op 2 april 2026, vervolgens bij de aangifte op 7 april 2026 en ten slotte bij de rechter-commissaris op 9 september 2026. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster op al deze momenten consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zowel de seksuele en geweldshandelingen zelf, als over de omstandigheden daaromheen. De verklaringen komen op essentiële punten overeen en vullen elkaar op die punten gedetailleerd aan. Aangeefster is consistent in haar verklaring over de volgorde van de gebeurtenissen en wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid is dat zij direct (met ondersteuning van een vriend) naar de politie is gestapt. Bij aangeefster is van meet af aan ook letsel gezien door de politie. Aangeefster heeft haar verklaringen over de gebeurtenissen niet groter of erger gemaakt, wat bijdraagt aan het waarheidsgetrouwe karakter daarvan. Zij heeft in haar verklaring bijvoorbeeld ook aangegeven wat er niet gebeurd is. Zo verklaart zij dat verdachte haar tijdens de verkrachting, ondanks het feit dat de seks niet vrijwillig was, geen pijn heeft gedaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaringen van aangeefster te twijfelen en acht die verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar. De rechtbank zal de verklaringen van de aangeefster daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Steunbewijs

Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen in het dossier.

Allereerst betrekt de rechtbank bij de bewijsvoering de getuigenverklaring van getuige [getuige 1] . Toen aangeefster de volgende ochtend kans zag haar woning te ontvluchten, is ze direct naar getuige [getuige 1] gegaan en heeft hem verteld wat er die nacht was gebeurd. Getuige [getuige 1] heeft waargenomen dat aangeefster doodsbang was. Hij verklaart dat aangeefster helemaal zat te shaken en te huilen. Ook heeft hij verschillende letsels waargenomen bij aangeefster. Hij zag dat haar oor rood was en dat ze blauwe plekken op haar arm had. Ook heeft hij gezien dat haar keel rood was. Verder zag hij dat ze een tand door haar lip had, waarvan het bloeden net gestopt was. De rechtbank is van oordeel dat zowel de door deze getuige omschreven gemoedstoestand van aangeefster als de bij haar waargenomen letsels nauw aansluiten bij wat zij heeft verklaard over wat haar die nacht was overkomen.

Samen met getuige [getuige 1] , is aangeefster vervolgens direct naar de politie gegaan en heeft daar haar verhaal verteld. Door een verbalisant is toen waargenomen dat aangeefster emotioneel werd en begon te huilen toen ze vertelde dat ze erg bang was voor verdachte. De rechtbank is van oordeel dat ook de door deze verbalisant omschreven gemoedstoestand van aangeefster aansluit bij de door haar afgelegde verklaringen. Net als getuige [getuige 1] , heeft ook deze verbalisant diverse letsels bij aangeefster waargenomen, die naar het oordeel van de rechtbank passen bij de geweldshandelingen waarover aangeefster heeft verklaard. De letsels van aangeefster zijn ook waargenomen door de verbalisanten die aanwezig waren bij het informatief gesprek zeden op 2 april 2026.

Uit het forensisch onderzoek aan het lichaam van aangeefster op 2 april 2026 blijkt dat zij meerdere (recente) letsels over haar hele lichaam had. Zo was sprake van een verdikking en huidverkleuring aan de bovenzijde van de linkeroorschelp, een verdikking en huidverkleuring onder de linkerslaap/voor het linkeroor, een huidverkleuring op de linkerzijde van de hals, huidverkleuringen rondom op de rechter bovenarm, huidverkleuringen op de het linker bovenbeen en een verdikking en huidbeschadigingen op de bovenlip en op de binnenzijde van de onderlip. Aangeefster heeft tegenover de forensisch arts verklaard dat ze pijn had aan haar rechterknie en dit was ook zichtbaar aan haar houding en beweging. De rechtbank is van oordeel dat de waargenomen letsels de verklaringen van aangeefster ondersteunen ten aanzien van de geweldshandelingen.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte geprobeerd heeft zijn vinger in haar keel te steken. Dit vindt steun in het bij verdachte geconstateerde letsel aan zijn rechter wijsvinger. Uit forensisch onderzoek aan het lichaam van verdachte op 2 april 2026 is gebleken dat hij een wondje aan de bovenzijde van zijn rechter wijsvinger had. Tijdens zijn verhoor op 9 april 2026 hebben de verbalisanten waargenomen dat verdachte een wondje met daarop een korstje had aan zijn wijsvinger. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat zij in zijn vinger heeft gebeten toen hij probeerde zijn vinger in haar keel te steken. Hoewel verdachte tijdens zijn verhoor op 9 april 2026 heeft verklaard dat dit een oud wondje was waar al een korstje op zat, merkt de rechtbank op dat dit genezingsproces en de duur daarvan past bij de omstandigheid dat het incident een week daarvoor heeft plaatsgevonden.

Tot slot wordt de verklaring van aangeefster voor een groot deel ondersteund door de

verklaringen van verdachte zelf. Ten aanzien van de inhoud van deze verklaringen, verwijst

de rechtbank naar de hierna volgende overwegingen ten aanzien van opzetverkrachting en

de toepassing van dwang, geweld en bedreiging.

In voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, ziet de rechtbank voldoende steun in het dossier voor de verklaringen van de aangeefster.

Opzetverkrachting

In deze zaak staat niet ter discussie dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Met uitzondering van het zich laten pijpen door aangeefster, heeft verdachte erkend dat de ten laste gelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Gelet op de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en het aanwezige steunbewijs, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich door aangeefster heeft laten pijpen.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of er in dit verband sprake is geweest van opzetverkrachting.

Van opzetverkrachting is sprake als een verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die ander, terwijl de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.

Verdachte stelt dat de seks gezien moet worden als “goedmaakseks” na de agressieve en gewelddadige incidenten die kort daarvoor hadden plaatsgevonden (te weten: de gedragingen zoals beschreven onder feit 2 en 3). Volgens verdachte vond de seks dan ook geheel vrijwillig en met wederzijdse instemming plaats. De rechtbank acht deze stelling volstrekt ongeloofwaardig en gaat daar niet in mee. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaringen van aangeefster, die worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat verdachte uiterst agressief en gewelddadig was en dat aangeefster doodsbang voor hem was. Aangeefster heeft verklaard dat zij duidelijk aan verdachte heeft aangegeven dat zij op dat moment – mede onder de gegeven omstandigheden – geen seks met hem wilde. Zowel uit haar aangifte als haar verklaring bij de rechter-commissaris volgt evident dat aangeefster geen seks met verdachte wilde en dat zij dit ook meerdere malen tegen hem, op niet te misverstane wijze, heeft gezegd. Daar komt bij dat het, gelet op de gebeurtenissen die aan de seks vooraf gingen, te weten de agressieve, intimiderende en gewelddadige houding van verdachte en de omstandigheid dat aangeefster doodsbang was voor verdachte, het voor verdachte volkomen duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster geen seks met hem wilde. Hoewel verdachte wist dat aangeefster geen seks met hem wilde, heeft hij het seksuele contact toch voortgezet. Tegen haar wil heeft verdachte meerdere malen met zijn penis haar vagina gepenetreerd. Ook heeft verdachte aangeefster, tegen haar wil, gevingerd en zich door haar laten pijpen en aftrekken.

Gelet op het bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster, terwijl verdachte wist dat bij aangeefster de wil daartoe ontbrak.

Met toepassing van dwang, geweld en bedreiging

Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging.

Vaststaat dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden nadat verdachte wederrechtelijk de woning van aangeefster was binnengedrongen en hij haar had mishandeld. Verdachte heeft het wederrechtelijk binnendringen van haar woning en de mishandeling, zoals ten laste gelegd onder feit 2 en 3 ook erkend en de rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Nu dezelfde gedragingen ook als verfeitelijking zijn opgenomen onder feit 1, overweegt de rechtbank dat vastgesteld kan worden dat verdachte deze gedragingen heeft begaan.

Daarnaast volgt uit de verklaringen van aangeefster dat verdachte beneden al aandrong op seks. Dat heeft verdachte ter terechtzitting ook erkend. Aangeefster heeft meerdere malen duidelijk gemaakt dat ze onder de gegeven omstandigheden geen seks met verdachte wilde. Hij heeft zijn penis in haar gezicht geduwd en bleef aandringen op seks. Verdachte heeft tegen aangeefster gezegd dat zij hem moest neuken en pijpen en seks met hem moest hebben. Verdachte bleef aangeefster ook maar intimideren door haar uit te schelden en te bedreigen, onder meer met de dood. Aangeefster was doodsbang voor verdachte. Ze dacht dat hij haar die nacht zou vermoorden. Door al deze omstandigheden zag aangeefster uiteindelijk geen andere uitweg meer, dan maar met verdachte mee te bewegen toen hij zei dat ze met hem naar boven moest gaan. Zelfs tijdens en na de seks bleef hij doorgaan met het uitschelden en bedreigen van aangeefster. Hij had bovendien haar telefoon afgepakt en haar dwingend toegesproken dat zij het niet in haar hoofd moest halen haar telefoon aan te raken.

Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank ervan uitgaat dat het seksuele contact tussen aangeefster en verdachte tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden en voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd is door dwang, geweld en bedreiging. Daarmee is sprake van gekwalificeerde opzetverkrachting.

Conclusie

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dat deze in voldoende mate ondersteund worden door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en heeft zij de overtuiging gekregen dat verdachte degene is geweest die de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen gepleegd heeft.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting.

Eendaadse samenloop

Ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten overweegt de rechtbank dat deze feiten op dezelfde tijd en plaats hebben plaatsgevonden en zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1:
op 2 april 2026 te Schijndel, met [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn vingers en penis in haar vagina en
- zich heeft laten pijpen door die [slachtoffer] en
- zich heeft laten aftrekken door die [slachtoffer] ,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door:

- ’s nachts een raam open te breken en het huis van die [slachtoffer] binnen te dringen en
- haar van de trap naar beneden te werken en
- te slaan op/tegen haar lichaam en haar gezicht en
- aan haar haren te trekken en
- bij haar keel te pakken en in haar keel te knijpen en
- zijn vinger in haar mond/keel te steken en
- haar door de kamer heen te trekken en
- zijn penis in haar gezicht te duwen en
- een glas uit haar handen te slaan en haar glas tegen haar lip te slaan en met dat glas op de tafel te slaan en
- te roepen dat dit hun laatste moment is samen en dat ze samen door gingen en dat zij hem moest neuken en pijpen en seks met hem moest hebben en dat als het klaar was dat ze samen dood gingen en
- haar telefoon af te pakken en te zeggen dat ze haar telefoon niet mocht aanraken en
- haar uit te schelden en met de dood te bedreigen en
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet van
die [slachtoffer] .

T.a.v. feit 2:
op 2 april 2026 te Schijndel, [slachtoffer] heeft mishandeld, door:
- haar van de trap naar beneden te werken en
- te slaan op/tegen haar lichaam en haar gezicht en
- aan haar haren te trekken en
- bij haar keel te pakken en in haar keel te knijpen en
- zijn vinger in haar mond/keel te steken en
- haar glas tegen haar lip te slaan en
- haar door de kamer heen te trekken en
T.a.v. feit 3:
op 2 april 2026 te Schijndel, in de woning, gelegen aan de [adres 2] te Schijndel,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals geformuleerd door de reclassering in het advies van 27 juli 2026. Daarnaast dienen het contact- en locatieverbod, zoals verzocht door het slachtoffer, als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te worden verbonden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring van feit 2 en 3 en vrijspraak van feit 1 dient te worden volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest. In dat geval is een aanvullend voorwaardelijk strafdeel niet meer aan de orde, gelet op het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien de rechtbank tot een veroordeling van alle feiten komt, is – onder meer onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte – verzocht bij de bepaling van de strafmaat aan te sluiten bij het advies van de reclassering, te weten: een (deels) voorwaardelijke straf met de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De aard en ernst van de strafbare feiten

Aangeefster was de ex-vriendin van verdachte. In de nacht van 2 april 2026 was verdachte in alle staten omdat hij had vernomen dat aangeefster met zijn beste vriend naar bed was geweest. Onder invloed van ketamine en alcohol ging hij bij aangeefster verhaal halen. Terwijl zij boven lag te slapen, heeft hij een raam opengebroken en is hierdoor haar woning binnengedrongen. Hij heeft haar vervolgens net zo lang mishandeld, totdat zij toegaf seks te hebben gehad met zijn beste vriend. Met toepassing van dwang, geweld en bedreiging heeft verdachte aangeefster vervolgens verkracht. Ondanks herhaaldelijk aangeven van aangeefster dat zij geen seks met hem wilde, is verdachte toch doorgegaan. Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Hij heeft haar waardigheid aangetast en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van aangeefster. De rechtbank weegt ook mee dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de relationele sfeer. Verdachte was een bekend en vertrouwd persoon voor haar. Aangeefster had zich bij hem veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft daarentegen het vertrouwen dat aangeefster in hem had, op grove wijze beschaamd. Hij is totaal voorbij gegaan aan de wensen van aangeefster en haar afwijzende houding. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen frustratie en emoties, heeft aangeefster als zijn bezit beschouwd, macht over haar uitgeoefend en haar gevoelens ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeften. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

In zijn algemeenheid zijn de gepleegde feiten – met name de verkrachting – schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenissen die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor een slachtoffer. Dat de combinatie van alle strafbare feiten in de betreffende nacht een enorme impact hebben gehad op aangeefster, blijkt ook uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en uit de slachtofferverklaring die de raadsvrouw van aangeefster namens haar ter zitting heeft voorgedragen. Aangeefster heeft zich in de betreffende nacht ontzettend bang en machteloos gevoeld. Zij heeft geen andere uitweg gezien dan mee te bewegen met verdachte. Daar komt bij dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in haar eigen woning. Dit is bij uitstek een plek die veilig behoort te zijn. Sinds deze nacht heeft zij zich daar niet meer prettig en veilig gevoeld en heeft zij stappen gezet om te verhuizen. De impact van de feiten is op aangeefster dus heel groot geweest. De rechtbank rekent ook dit verdachte zwaar aan.

Hoewel verdachte de huisvredebreuk en de mishandeling erkent, is verdachte zich op het standpunt blijven stellen dat de seks op basis van vrijwilligheid en wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden. Voor aangeefster moet deze stellingname extra pijnlijk zijn. Uit het gedrag van verdachte spreekt dan ook een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, normbesef en respect voor aangeefster.

Persoonlijke omstandigheden

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank acht geslagen op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 9 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedendelict, mishandeling of huisvredebreuk. Wel is verdachte eerder veroordeeld ter zake van een bedreiging.

Over verdachte is op 27 juli 2026 een rapport opgesteld door de reclassering. Hieruit volgt onder meer dat er sprake is van langdurig en intensief middelengebruik. Het gaat hierbij om het gebruik van cannabis, speed, ketamine en alcohol. Het gebruik is structureel en problematisch. Verdachte gebruikt middelen onder andere als coping voor stress, ADHD-klachten en relationele problemen. Middelengebruik vormt een kernrisico voor recidive: het leidt tot ontremming, impulsiviteit en agressie. De bewezenverklaarde feiten zijn onder invloed gepleegd. Verdachte lijdt naar eigen zeggen aan ADHD. In welke mate de ADHD-klachten van verdachte gerelateerd zijn aan zijn impulsiviteit en mogelijk moeite hebben met omgaan met emoties, is voor de reclassering niet duidelijk. Wel ziet de reclassering dat verdachte snel ontregeld kan raken bij stress en relationele spanningen. Verdachte beaamt dit ook. Een beschermende factor is de bereidheid tot hulp en het zoeken naar ondersteuning binnen detentie. De reclassering heeft verdachte verwezen naar VNN forensische polikliniek ten behoeve van diagnostiek en behandeladvies, waar verdachte ook akkoord mee is gegaan. Hij is gezien door een GZ-psycholoog van VNN forensische polikliniek. VNN FP adviseert een ambulante behandeling. De reclassering concludeert dat zonder strikte behandeling en reclasseringstoezicht de kans op recidive, die nu als hoog wordt ingeschat, niet zal afnemen. Om recidive te voorkomen en abstinentie te bereiken is een integrale aanpak, op vrijwel alle leefgebieden, noodzakelijk. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering bij een bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met daaraan verbonden de navolgende bijzondere voorwaarden:

  1. Meldplicht bij reclassering

  2. Ambulante behandeling

  3. Mogelijke kortdurende opname

  4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

  5. Verbod verdovende middelen (drugs)

  6. Alcoholverbod

  7. Contactverbod

  8. Dagbesteding

  9. Aflossing schulden

  10. Beheersing middelengebruik

Door de reclassering wordt ook het opleggen van reclasseringstoezicht wenselijk geacht.

Verder heeft het slachtoffer verzocht om een contact- en locatieverbod.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard aan alle door de reclassering geformuleerde voorwaarden te houden en heeft zich tevens bereid verklaard te houden aan het door het slachtoffer verzochte contact- en locatieverbod.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Er zijn binnen de rechtspraak nog geen oriëntatiepunten geformuleerd voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, Sr, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 Sr (oud). Voor verkrachting met ernstig geweld of met een daarmee vergelijkbare dwang geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden. Gelet op alle omstandigheden en het geheel van gedragingen waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd, neemt de rechtbank deze categorie als uitgangspunt bij de bepaling van de straf.

De rechtbank ziet, gelet op alles wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en acht die straf passend en geboden.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is.

Met het voorwaardelijke strafdeel wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en de behandeling en begeleiding te waarborgen die verdachte nodig heeft.

Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen dan ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geformuleerd door de reclassering in het advies van 27 juli 2026. Ook zal de rechtbank hieraan het contact- en locatieverbod verbinden, zoals verzocht door het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Nu de gevorderde materiële schadevergoeding toekomstige schade betreft en onduidelijk is of deze kosten gemaakt gaan worden, heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering. De gevorderde immateriële schade dient volledig te worden toegewezen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f Sr opgelegd dient te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen gelet op de bepleitte vrijspraak ten aanzien van feit 1, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Daarnaast is ten aanzien van de gevorderde materiële schade aangevoerd dat er pas op 15 september 2026 voor het eerst is gesproken over urgentie, terwijl de feiten dateren van 2 april 2026. Of de urgentie aanvraag wordt toegewezen en aangeefster daadwerkelijk kan verhuizen, is nog maar de vraag. Dat maakt de toekomstige schadepost voor verhuis- en inrichtingskosten op dit moment onvoldoende concreet. Bovendien bestonden er al verhuisplannen bij aangeefster voorafgaand aan de gebeurtenissen op 2 april 2026. De hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt betwist. Hoewel door de benadeelde partij aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse Schaal en aangehaalde jurisprudentie, is de Rotterdamse Schaal niet bindend en past de zaak beter bij schaal c (categorie “tamelijk ernstig”), met een schadebedrag tussen de 2.500,- en 7.500,- euro. Subsidiair wordt dan ook verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding (flink) te matigen en aansluiting te zoeken bij de hiervoor genoemde categorie.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten.

De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt 7.926,- euro en ziet blijkens de toelichting op de vordering op toekomstige verhuis- en inrichtingskosten.

De rechtbank overweegt dat de gevorderde materiële schadevergoeding mogelijke toekomstige schade betreft. Of de benadeelde partij gaat verhuizen en of er in dat verband ook schade geleden wordt, en zo ja, hoeveel, is op dit moment nog niet duidelijk. Nu de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd is, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Het vragen om een nadere onderbouwing, waarmee de zaak zou moeten worden aangehouden, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt 17.500,- euro en bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de vordering uit vergoeding voor de gezamenlijke aantasting van haar lichamelijke integriteit, seksuele autonomie, psychische integriteit, persoonlijke levenssfeer en gevoel van veiligheid. Voor de begroting van deze schade heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de jurisprudentie en categorie 15.1 (verkrachting), onder b (categorie ‘ernstig’) van de Rotterdamse Schaal.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade (deels) voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en de ernst van de normschending heeft benadeelde partij recht op vergoeding van de immateriële schade.

Gelet op alle omstandigheden waaronder de (gekwalificeerde opzet-)verkrachting heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de jurisprudentie en categorie 15.1 (verkrachting), onder b (categorie ‘ernstig’) van de Rotterdamse Schaal, waarbij een schadebedrag geïndiceerd is tussen de 7.500,- en 15.000,- euro. De rechtbank stelt de immateriële schade, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend, vast op een bedrag van 12.500,- euro. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 2 april 2026, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het delict is gepleegd, te weten 2 april 2026, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 55, 138, 243, 300 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

gekwalificeerde opzetverkrachting

T.a.v. feit 2:

mishandeling

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn in eendaadse samenloop gepleegd.

T.a.v. feit 3:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren

Algemene voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1) meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering in het arrondissement waar veroordeelde zich gaat vestigen, of de reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

2) ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd (na de klinische behandeling te hebben afgerond) laat behandelen door een forensische ambulante instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na veroordeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

3) kortdurende klinische opname

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie / stabilisatie / observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

4) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een forensische woonsetting of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na veroordeling en of na afronding van de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

5) drugsverbod

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest.

De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

6) alcoholverbod

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek/speekseltest.

De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

7) beheersing middelengebruik

Dat veroordeelde, niettegenstaande de onder 5 en 6 geformuleerde voorwaarden, te weten een drugs- en alcoholverbod, voor het geval de reclassering toestemming geeft voor enig gebruik, gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

8) aflossing schulden

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

9) dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

10) contactverbod

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer, te weten: [slachtoffer] .

11) locatieverbod

Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet bevindt in de volgende straten:

  1. [adres 2] te Schijndel

  2. [adres 3] te ’s-Hertogenbosch ( [adres 3] )

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 12.500,- euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

2 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 12.500,- euro aan immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

2 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 87 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Maas, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van F.E.M. Freese - de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 2 november 2026.