Strafrecht overig
Veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest…
Rechtbank Limburg, 2 november 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11863 · Rechtbank Limburg · 2 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2026-11863
Zaakgegevens
Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 2 november 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 03/020308-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11863
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest voor het medeplegen van het teweegbrengen van twee ontploffingen met zwaar vuurwerk in december 2024 waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor anderen te duchten was.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/020308-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 november 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2000,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. Z. El Wali, advocaat te Diemen.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 oktober 2026. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en de besloten vennootschap [benadeelde 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is op de zitting gehoord [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland. Namens [benadeelde 3] is verschenen [naam 2] . De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] (parketnummer 03/004385-25).
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich, al dan niet met een of meer anderen, in december 2024 twee keer schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het op schrift gestelde en ter terechtzitting overgelegde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van bewijs voor daderschap van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de aangetroffen DNA-sporen op de jerrycan en het karton slechts op bronniveau een verband tussen de verdachte en die goederen leggen, maar niet uitsluiten dat deze op een eerder moment door andere handelingen of via indirecte overdracht zijn achtergelaten. Voorts kan op basis van het kenteken van de Citroën C4, de zoekslagen op 112meldingen.nl en de telefoongesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte op de plaatsen delict aanwezig is geweest of op enige wijze betrokken is geweest bij de ontploffingen. De verdachte heeft immers verklaard dat haar voertuig en haar telefoon door meerdere personen werden gebruikt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de hieronder genoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. Daarbij wordt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor bewijs van het feit of de feiten waarop het in het bijzonder betrekking heeft.
Bewijsmiddelen
Bij de bewijsmiddelen zijn afbeeldingen bijgevoegd. Deze kunnen wegens de publicatie van dit vonnis niet worden weergegeven.
[naam 3] verklaarde in zijn aangifte namens [benadeelde 1], voor zover hier van belang, - zakelijk weergegeven – het volgende:
Plaats delict: [adres 2] te Kerkrade
Pleegdatum: 24 december 2024 om 22:31 uur.
Op dinsdag 24 december 2024, omstreeks 22.30 uur, was ik in mijn woning, gelegen op
de [adres 3] in Kerkrade. Ik zag opeens een lichtflits door de ramen aan de voorzijde van mijn woning komen. Ik hoorde dat er iets tegen het raam op kwam. Vervolgens hoorde ik een harde knal. Ik herkende het geluid als zijnde vuurwerk. Ik zag dat er geprobeerd was om de woning (de rechtbank begrijpt: [adres 2] te Kerkrade) van mijn vader in brand te steken middels vuurwerk. Ik zag op de weg een jerrycan liggen. Ik zag dat de voordeur beschadigd was. Ik zag zwarte vegen over de voordeur, wat ik herkende als de gevolgen van vuurwerk. Ik zag dat het kozijn en de voordeur, door de druk van het vuurwerk, beschadigd waren. Ik zag op de grond overal metalen bollen liggen.
[naam 3] verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang, - zakelijk weergegeven - het volgende:
Mijn auto een Ford Focus met kenteken, [kenteken 1] , stond voor het pand van mijn ouders op de openbare weg in een parkeervak Ik zag dat brandvlekken aanwezig waren op de motorkap van mijn auto en bij het spatbord rechtsvoor. Deze waren niet aanwezig toen ik mijn auto aldaar parkeerde.
Verbalisant [naam 4] relateert, voor zover hier van belang, - zakelijk weergegeven –, het volgende:
Op 24 december 2024, omstreeks 22:30 uur kwam een melding binnen van een vuurwerkbom bij de woning gelegen aan de [adres 2] in Kerkrade. Om 22:58 uur kwamen wij ter plaatse. Ik zag dat voor de woning een Ford Focus stond. Ik zag dat tussen de Ford en de woning, [adres 2] in Kerkrade, een doorzichtige jerrycan lag. Over de gehele stoep, vanaf de Ford Focus tot [adres 4] , waren delen van papier van vuurwerk zichtbaar. Tussen de resten lagen diverse zwarte ronde balletjes met een diameter van een halve centimeter. De balletjes waren hard. We vermoeden dat de balletjes een onderdeel waren van het vuurwerk en werden met de vuurwerkresten veiliggesteld. Op het plaats delict troffen we ongeveer 25 balletjes aan. Aan de binnenzijde van de voordeur was aan de scharnierzijde brandschade zichtbaar. Ik zag dat er brandschade zat op de Ford Focus. Ik zag dat dit voertuig voor de [adres 2] in Kerkrade geparkeerd stond.
De hierboven genoemde jerrycan is in beslag genomen onder goednummer 1766587.
Verbalisant [naam 5] relateert, voor zover hier van belang, - zakelijk weergegeven- het volgende:
Ik was doende met het onderzoek naar de brandstichting op de [adres 2] te Kerkrade, gepleegd op 24 december 2024 omstreeks 22:30 uur.
Camerabeelden [adres 10]
Ik zag op de beelden dat op 24 december 2024, om 22:28:59 uur een voertuig in beeld kwam, komende uit de richting van de Sint Bernadettestraat en reed in de richting van de Calbertsweg. Ik zag dat het voertuig vermoedelijk grijs van kleur was. Ik zag op de beelden dat op 24 december 2024, om 22:29:05 uur een soortgelijk voertuig in beeld kwam zoals eerder beschreven, uit de richting van de Sint Bernadettastraat en reed in de richting van de Calbertsweg. Ik zag dat het voertuig vermoedelijk grijs van kleur was.
Camerabeelden [adres 2]
Ik zag op de beelden dat op 24 december 2024, om 22:30:03 uur de verdachte NN1, donker gekleed, vanuit de Calbertsweg de [adres 8] kwam ingelopen. Ik zag dat hij naar de voordeur van [adres 2] Kerkrade liep. Ik zag dat om 22:30:51 uur vermoedelijk iets door de verdachte NN1 bij de voordeur van [adres 2]
ontstoken werd doordat er een oplichting te zien was. Ik zag dat verdachte NN1 vrijwel direct nadat de oplichting op de beelden te zien was, wegliep en uiteindelijk wegrende in de richting van de Calbertsweg. Ik zag dat om 22:31:02 een kleine explosie te zien was bij de voordeur en dat kort erna direct rookontwikkeling te zien was. Ik zag dat om 22.31.05 uur een tweede explosie plaatsvond. Ik zag dat deze explosie aanzienlijk groter was dan de eerste.
Camerabeelden [adres 10]
Ik zag om 22:31:26 uur dat verdachte NN1 in beeld liep, komende uit de richting van de Calbertsweg lopende in de richting van de Sint Bernadettestraat. Ik zag ook een voertuig, rijdende op de Calbertsweg. Ik zag om 22:31:29 uur een soortgelijk voertuig, grijs van kleur, die in het begin van dit proces-verbaal beschreven wordt, vanuit de Calbertsweg de Sint Eugeniusstraat inreed. Ik zag verdachte NN1 begon te rennen. Ik zag om 22:31:35 zag het voertuig afremde.
Gezien het feit dat NN1 en NN2 met het voertuig vertrekken op de St. Eugeniusstraat om 22:31:39 uur en het eerste omschreven voertuig op de [adres 8] ter hoogte van huisnummer [nummer 1] in beeld verscheen om 22:32:00 uur (21 seconden) en het feit dat dit voertuig qua (lichte) kleur het meest overeenkomt met het voertuig van NN1 en NN2 acht ik het meest aannemelijk dat dit het voertuig is alwaar NN1 en NN2 zich in verplaatsten.
Er is onderzoek gedaan naar de grijskleurige auto op de camerabeelden van 24 december 2024 bij de [adres 2] . Verbalisant [naam 5] relateert dat het expertisecentrum voertuigcriminaliteit kenbaar heeft gemaakt dat het bijna zeker gaat om een Citroën C4 van de 2e generatie, die is geproduceerd van eind 2010 tot en met 2018.
Verbalisant [naam 6] , relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
Volgens de politiesystemen heeft [verdachte] een grijze Citroën C4, uit 2013, met het Belgische kenteken [kenteken 2] op haar naam staan.
Bij een observatie van het voertuig met kenteken [kenteken 2] is gebleken dat het voertuig linksachter voorzien was van een zwarte stalen velg die afweek van de drie andere lichtmetalen velgen.Verbalisant [naam 7] relateert hierover, voor zover hier van belang, het volgende:
Op 14 januari 2025 vond door het observatieteam van de politie Eenheid Limburg een observatie plaats op genoemde [medeverdachte] . Hij verplaatste zich op dat moment samen met een NN vrouw, welke later bleek te zijn, [verdachte] , geboren op [geboortegegevens] , in de Citroen C4, grijskleurig, met het Belgische kenteken [kenteken 2] . Door het observatieteam werd een video gemaakt van de Citroen C4, waarin zij op dat moment reden. Het observatieteam viel op dat de velg linksachter afweek van de overige
drie velgen van het voertuig. De Citroen was linksachter voorzien van een zwarte stalen velg die afweek van de drie andere lichtmetalen velgen. Dit filmpje werd gedeeld met het onderzoeksteam van politie
(…)
Ik zag op de camerabeelden afkomstig van het adres [adres 10] te Kerkrade dat de Citroen C4 voorbij reed op 24 december 2024 te 22:31.31 uur. Ik zag dat de linker achter velg afweek van de linker voorvelg Ik zag dat er in de linker achter velg gecentraliseerd een soort van ronde bolling zat, deze bolling was niet zichtbaar in de linker voorvelg.
Verbalisant [naam 8] relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
Op 25 december 2024 heb ik een onderzoek ingesteld aan de ingeleverde jerrycan. Nadat ik deze opende rook ik een sterke benzinegeur. Gezien de aangetroffen jerrycan is het vrijwel zeker dat een persoon een Vuurwerk Brandstof Combinaie (VBC) bij de deur heeft geplaatst. Doordat de jerrycan, met daarin ongeveer 10 liter brandbare vloeistof, werd weggeslingerd tijdens de explosie van het vuurwerk bleef de brandschade beperkt tot de brandschade veroorzaakt door het vuurwerk. Deze explosie is veroorzaakt is door een persoon die opzettelijk een VBC bij de deur van het pand plaats en het vuurwerk aansteekt. Bij het ontbranden van een VBC ontstaat er gevaar. Het gevaar voor goederen is mede afhankelijk van de omgeving waarin de VBC tot ontploffing wordt gebracht, bijvoorbeeld tussen dicht opeenstaande bebouwing. Dan zal er door de ontploffing en de ontbranding van de brandstof een drukgolf kunnen ontstaan, waardoor de kans bestaat dat ruiten breken of muren worden ontzet.
Het volgende spoor heb ik veiliggesteld: AASN2229NL, handvat en dop jerrycan.
Verbalisant [naam 8] en [naam 9] relateren, voor zover hier van belang, het volgende:
Op zondag 17 november 2024 om 09:15 uur kwamen wij, naar aanleiding van een explosie, gevolgd door een brand, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] , [postcode 1] Kerkrade.
Bij deze brand is er gevaar geweest voor uitbreiding. Gelet op de ligging, de
bouwwijze van het pand, de aangrenzende, dichte bebouwing en de aanwezigheid van
bewoners is er bij deze brand sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen en
levensgevaar voor personen.
De rechtbank heeft dit bewijsmiddel opgenomen vanwege de omschrijving van de omgeving van [adres 2] , [postcode 1] Kerkrade in verband met het gemeen gevaar voor goederen bij brand.
Uit de rapportage van het TMFI van 3 januari 2025 blijkt dat op het spoor AASN2229NL DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte [medeverdachte] . Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [medeverdachte] in de bemonstering AASN2229NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [medeverdachte] en twee onbekende personen. Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. De matchkans is één op één miljard.
Uit de rapportage van het TMFI van 3 januari 2025 blijkt dat op het spoor AASN2229NL DNA is aangetroffen van een onbekende vrouw A, DNA profielcluster 60482.
Uit de rapportage van het TMFI van 11 maart 2025 is een match naar voren gekomen met DNA-profielcluster 60482, afkomstig van spoor AASN2229NL en het DNA van de verdachte. Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] in de bemonstering AASN2229NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende personen. Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.
Verbalisant [naam 6] relateert, voor zover hier van belang, – zakelijk weergegeven – het volgende:
Uit het opsporingsonderzoek ontstond het vermoeden dat bij de brandstichtingen /aanslagen op het adres [adres 2] te Kerkrade op 16 november 2024 (23:46 uur) en 24 december 2024 (22:30 uur) door de verdachten/daders gebruik werd gemaakt van een grijskleurige Citroen C4, bouwjaar 2013, voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] .
Het onderzoeksteam kwam in het bezit van alle ANPR-gegevens in Nederland van de Citroën C4 met het Belgische kenteken [kenteken 2] . De Citroen C4 met het Belgische kenteken [kenteken 2] op 24 december 2024, 33 minuten voor de aanslag/brandstichtingen reed over de autosnelweg A79 .hectometerpaal 1.9, komende uit de richting van Maastricht en gaande richting Heerlen;
• Dat de Citroen C4 met het Belgische kenteken [kenteken 2] op 24 december 2024, 16
minuten na de aanslag, reed over de autosnelweg A79 .hectometerpaal 1.9, komende uit
de richting van Heerlen en gaande richting Maastricht;
• De reisduur, uitgaande van een reissnelheid die is toegestaan, tussen de autosnelweg A79 hectometerpaal 1.9 en de plaats delict, [adres 2] te Kerkrade, is 18 minuten.
Verbalisant [naam 10] relateert, voor zover hier van belang, – zakelijk weergegeven – het volgende:
Uit de ANPR-gegevens uit België van het voertuig met kenteken [kenteken 2] op naam van [verdachte] , bleek het volgende:
Kosovo (aanslag op 16 november 2024, omstreeks 23:46 uur)
Op 16 november 2024 om 22:57 uur reed het eerdergenoemde Belgische voertuig door de ANPR t.h.v grens Vroenhoven vanuit Riemst richting Nederland. Op 16 november 2025 om 00:22 uur reed het voertuig weer door eerdergenoemde ANPR richting België. Oekraïne (aanslag op 16 november 2024 , omstreeks 22:30 uur)
Op 24 december 2024, om 13:50 uur reed het eerdergenoemde voertuig richting Nederland. Op 24 december 2024, om 23:11 uur, reed het eerdergenoemd voertuig weer richting België.
Uit de routeplanner blijkt dat de afstand tussen de grensovergang Vroenhoven (A) en [adres 2] te Kerkrade (B), 35 km is. De reistijd is 32 minuten. Dit tijdstip past in de reisbewegingen van het voertuig.
Verbalisant [naam 11] relateert, voor zover hier van belang het volgende:
Ik verrichte onderzoek aan de telefoon met beslagnummer 1776946. Device naam: XCoverS van [verdachte] . Ik zag dat er in de telefoondata een aantal accounts stonden: TikTok met e-mailadres [e-mailadres 1]
Snapchat met e-mail [e-mailadres 2] : Alle 70 op de
telefoon aanwezige Snapchat chats (gesprekken) zijn van het account “ [accountnaam] ”
Google account: gebruikersnaam [e-mailadres 3] .
(…)
In de maand juni van 2024 vond onderstaande conversatie plaats via sms tussen [verdachte] en “ [nummer 2] [naam 12] ", men had geld nodig, [verdachte] zegt: “lk ben bereid om alles te doen” en “Vrijdagen zaterdagen zijn beste dagen om dealers te overvallen”.
In onderzoek Zwitserland werd een vuurwerk(bom)explosief tot ontploffing gebracht op woensdag 4 december 2024 bij [benadeelde 3] gelegen aan de [adres 11] te Geleen. Op een eerder moment, in de nacht van 9 november 2024 te 01:26 uur (UTC+1) (Werkelijke tijd) vond er een explosie/brand plaats bij [benadeelde 3] . In de chronologische tijdlijn van de onderzochte telefoon (Timeline) zag ik dat er vanaf 9 november 2024 01:32:57 uur (UTC+0), dus werkelijke tijd 02:32:57 uur, gezocht werd op de internetsite “p2000- online.net” en “Alarmeringen.nl”. Te 01:37:39 uur (UTC+0), dus ongeveer 71 minuten na het incident werd er specifiek geselecteerd op de melding:” Buitenbrand op [adres 12] in Geleen" en vervolgens “112MELDINGEN.NL I P 2 BLB-01 BR BUITEN [adres 12] GELEEN 240735”. Deze melding op de [adres 12] te Geleen is een en dezelfde melding als de explosie bij [benadeelde 3] ( [adres 11] Geleen) op 9 november 2024. In de politieregistratie van het incident op 9 november 2024 schrijven de betrokken politieagenten: “Hier zou een ontploffing zijn geweest en een brand” en “Betrof een klein brandje wat vermoedelijk een plastic fles met brandbare vloeistof was”. Conclusie: er is ongeveer 71 minuten na de explosie/brand op 9 november 2024, op de XCoverS-telefoon, welke in gebruik is bij [verdachte] , gekeken naar meldingen op 112meldingen.nl, van de honderden meldingen per dag op deze internetsite is specifiek de melding: “112MELDINGEN.NL | P 2 BLB-01 BR BUITEN [adres 12] GELEEN 240735”, gekozen.
(…)
In onderzoek Oekraïne vond er op 24 december 2024 omstreeks 22:31 uur (werkelijke tijd) een explosie en brand plaats op het adres [adres 2] te Kerkrade. In de tijdlijn van de XCoverS-telefoon, welke in gebruik was bij [verdachte] , werd er op 24 december 2024 23:17:55 uur (UTC+0) (werkelijke datum en tijd is
25 december 00:17:55 uur) gezocht op de internetsite genaamd “112meldingen.nl” en dan specifiek gekozen:” 112MELDINGEN.NL I P 2 BLB-01 BR BUITE [adres 8] KERKRADE 242131”. De eerste keer dat er deze dag gekeken werd op de internetsite “112meldingen.nl” was te 22:35:22 uur (werkelijke tijd) dit is 4
minuten na het plaatsvinden van het incident.
[naam 2] deed aangifte namens [benadeelde 3] Hij verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang, - zakelijk weergegeven - het volgende:
Op 4 december 2024 omstreeks 01:15 uur kwam ik ter plaatse bij het pand van [benadeelde 3] gelegen aan de [adres 11] in Geleen. Ik zag dat de meest rechtervoorruit van het pand niet meer intact was. Ik zag dat er stukken glas in de voorruit hingen. Ik zag dat er allemaal sterren en barsten in het glas zaten. Ik zag dat er ook meerdere glasscherven op de grond lagen die afkomstig waren van de voorruit. Ik zag dat de varkensrug die voor de voorruit staat ook beschadigd was. Ik zag dat er een stuk af was. Dit was voorheen niet.
Verbalisanten [naam 13] en [naam 14] relateren, voor zover hier van belang het volgende:
Op 4 december 2024 om 00 35 uur, kregen wij de melding van brandstichting. Betrof [adres 11] te Geleen. Wij zagen dat het het bedrijf [benadeelde 3] betrof. Wij zagen dat het rechterraam vernield was. Wij zagen dat het dubbelglas betrof en dat het voorste raam kapot was. Wij zagen meerdere glasscherven op de grond liggen. Wij zagen dat er een natte plek voor het raam lag op de grond, mogelijk van benzine. Wij roken ook een benzinelucht. Wij zagen dat een krat afgefikt was, deze lag bij de vloeistof en voor het vernielde raam. Voor het vernielde raam stond een varkensrug. Wij zagen dat de varkensrug deels vernield was. Wij spraken omstanders. Wij hoorden dat ze zeiden dat ze een knal hoorden en dat ze daarop gingen kijken. Wij hoorden dat ze zeiden dat ze een brand zagen voor het bedrijfspand [benadeelde 3] . Daarop hadden zij meteen geschakeld om de brand te blussen. Ik, [naam 14] , bekeek het afgefikte krat. Ik zag dat dit mogelijk een fles wasmiddel was. Ik zag dat iets aan de fles was vastgetaped met ducttape. Ik zag dat er nog een stuk karton opzat. Ik zag een stuk tekst met 'Shel' daarop beschreven. Mogelijk dat hier een Shelbom zat vastgeplakt.
Verbalisant [naam 15] relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
Op 4 februari 2025 werden de mobiele telefoons van de verdachten [medeverdachte] (Samsung SM-N960F) en [verdachte] (XcoverS-telefoon) in beslag genomen.
Door de afdeling digitale recherche werden de telefoons uitgelezen en geanalyseerd.
Op 3 december 2024 om 23.10.19 uur (werkelijke datum en tijd 04 december 2024 om 00.10.19 uur) maakt [medeverdachte] een foto van een voorwerp, omwikkeld met duct tape waar zilverkleurige metalen balletjes opgeplakt zijn. De metalen balletjes zitten ook onder het ducttape vast geplakt. Aan de rechter kant van het voorwerp is naar wat het lijkt een rood-roze etiket zichtbaar.
Verbalisanten [naam 16] en [naam 17] relateren, voor zover hier van belang, -zakelijk weergegeven - het volgende:
Op woensdag 4 december 2024 werden wij verbalisanten [naam 16] en [naam 17] , door onze assistent operationeel coördinator gestuurd naar [adres 11] in Geleen. Er zouden nog vatbare voorwerpen liggen die mogelijk gebruikt zouden zijn bij deze brandstichting. Wij zagen dat er meerdere glasscherven op de grond lagen en meerdere voorwerpen bij het kapotte raam, waaronder resten van een plastic fles. De plastic fles is voorzien van goednummer 1760907.
Verbalisant [naam 18] relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
In verband met een onderzoek naar een brandstichting te Geleen werd op verzoek van de
Eenheid Limburg op dinsdag 17 december 2024 om 08:48 uur door mij een forensisch
onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager (…) 1760907, Afgebrande jerrycan SIN AARP4063NL. Veiliggestelde sporen: (de gehele etiket zijde van het stuk karton), SIN AARH2685NL.
Het spoor met SIN AARP4063NL is door het NFI vergeleken met DNA-profielcluster 60482 van [verdachte] . Hieruit is een match naar voren gekomen met een matchkans van één of één miljard.
Verbalisant [naam 19] relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
Op 3 december 2024, om 18.50 (UTC+) werd door [nummer 3] [naam 20] een ingesproken bericht verzonden aan [nummer 4] [verdachte] met de volgende tekst: “Want van hieruit gaan we effe naar Geleen, dan naar Heerlen en dan terug naar Geleen. Want ik ga niet onnodig met uh, het is best wel heet* in Heerlen en die kanten dus ik ga daar niet uh. Ik ga die effe in Geleen leggen en dan uh naar Heerlen en terug naar Geleen”. Ambtshalve is bekend dat als iemand zegt dat het ergens heet is dat er veel politie is en dat de pakkans groot is. Verder lijkt het in de chat er op dat [verdachte] , [medeverdachte] gaat ophalen.
[AFBEELDING]
Verbalisant [naam 21] relateert, voor zover hier van belang, het volgende:
Ik heb de beelden uitgekeken van de camera van het bedrijf [naam 22] gelegen aan [adres 13] te Geleen. Ik zag de datum 04-12-2024 staan. Ik heb de beelden bekeken.
00:27:04u Ct.
Ter hoogte van [benadeelde 3] was een explosie met vuurwerk te zien.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten en als mededader aanwezig is geweest bij de haar telastegelegde feiten. Daarbij wordt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor bewijs van het feit of de feiten waarop het in het bijzonder betrekking heeft.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij de ontploffing op de [adres 2] te Kerkade op 24 december 2024 op de camerabeelden een auto te zien die volgens het Landelijk Intelligence en expertisecentrum voertuigcriminaliteit bijna zeker een Citroën C4 van de 2e generatie is, geproduceerd van eind 2010 tot 2018. Uit onderzoek van de politie volgt dat de verdachte een grijze Citroën C4, met Belgisch kenteken [kenteken 3] , bouwjaar 2013, op haar naam heeft staan. De ANPR-gegevens van haar voertuig laten zien dat deze kort voor de ontploffing richting Heerlen rijdt en 16 minuten na de ontploffing terugrijdt. Op de camerabeelden nabij de plaats delict is een voertuig te zien waarbij een afwijking zichtbaar is aan een velg (linksachter). Bij een latere observatie door de politie is de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] gezien in een Citroën C4 waarbij dezelfde afwijking in de velg zichtbaar is. Op de vragen aan de verdachte of het om haar voertuig gaat, antwoordde zij ter terechtzitting dit niet te weten en merkte zij op dat zij haar voertuig vaker uitleende aan derden. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Uit het dossier volgt immers dat het voertuig ook gebruikt is bij een ontploffing op 16 november 2024. Deze ontploffing is niet aan de verdachte tenlastegelegd, maar dat de verdachte haar auto telkens precies op een tijdstip waarop daarmee strafbare feiten worden gepleegd zou hebben uitgeleend aan anderen, is niet aannemelijk gemaakt. Een dergelijke toevalligheid acht de rechtbank onmogelijk. De verdachte heeft namelijk op geen enkele wijze concreet of verifieerbaar verklaard op de – ter terechtzitting meermaals aan haar gestelde – vraag aan wie zij de auto op die specifieke momenten zou hebben uitgeleend.
Aan de hand van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat zij zeer kort na de tenlastegelegde ontploffingen gericht heeft gezocht naar meldingen op 112meldingen.nl en berichtgeving over die ontploffingen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte voorafgaand aan deze zoekslagen door haar mededader via de telefoon op de hoogte was gebracht van de ontploffingen. Ook was zij niet door derden of door openbare bronnen op de hoogte gekomen van de incidenten. De rechtbank leidt uit het gerichte zoekgedrag zo kort na de ontploffingen af dat de verdachte direct betrokken en in de nabijheid van de ontploffingen moet zijn geweest. De stelling van verdachte dat zij ook haar telefoon vaker aan derden uitleende, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, nu verdachte ook hieromtrent – hoewel haar hiertoe ruimschoots gelegenheid is geboden, ook ter terechtzitting – geen concrete of verifieerbare gegevens van deze derden heeft kunnen verstrekken. Een dergelijk toeval bij zowel de auto als de telefoon acht de rechtbank onmogelijk.
Tot slot zijn bij beide ontploffingen voorwerpen, te weten een jerrycan en een kunststof fles wasmiddel, aangetroffen met onderdelen waarop DNA-sporen zaten die matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Hoewel een jerrycan of fles in beginsel een verplaatsbaar object is, weegt de rechtbank in het licht van het belastende bewijs dat hiervoor is besproken zwaar mee dat op twee afzonderlijke plekken – bij twee verschillende incidenten – DNA van de verdachte is aangetroffen op de daadwerkelijk bij de ontploffingen gebruikte voorwerpen. Ook hier heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van haar DNA op deze specifieke jerrycans. De verdachte heeft immers volstaan met de verklaring dat het zou kunnen dat zij die spullen heeft aangeraakt bij het opruimen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – redengevend zijn voor het bewijs en vragen om een aannemelijke verklaring van de verdachte. De verdachte heeft deze verklaring niet gegeven en voor zover zij dat wel heeft willen doen, heeft zij deze op geen enkele wijze concreet kunnen onderbouwen of verifieerbaar gemaakt. Nu een redelijke en aannemelijke verklaring achterwege is gebleven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat de verdachte als mededader betrokken is geweest bij de tenlastegelegde ontploffingen.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit het onderzoek aan de telefoons blijkt dat zij contact hebben gehad rondom de ontploffingen, de reisbewegingen ernaartoe en de verdachte heeft kort na de ontploffingen gericht gezocht op 112meldingen.nl. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij op belangrijke momenten een bijdrage heeft geleverd aan de feiten. Zij dient aldus als medepleger te worden aangemerkt van het teweegbrengen van twee ontploffingen terwijl daarbij gevaar voor goederen te duchten was.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1:
op 24 december 2024 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij de woning van [benadeelde 1] gelegen aan de [adres 2] te Kerkrade, door een vuurwerk brandstof combinatie in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning van die [benadeelde 1] en omliggende woningen en inboedels van die woningen en in de nabijheid geparkeerde auto's te duchten was;
feit 2:
op 4 december 2024 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij het pand gelegen aan de [adres 11] te Geleen ( [benadeelde 3] ), door een vuurwerk brandstof combinatie in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de omliggende panden en inboedels van die omliggende panden te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1 en feit 2:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in december 2024 tweemaal schuldig gemaakt als medepleger aan ontploffingen met een zware vuurwerkbom, bij een woning en een bedrijfspand. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Het tot ontploffing brengen van explosief materiaal in de nabijheid van een woning of bedrijf brengt naar zijn aard een groot gevaar mee voor personen en goederen. Bij de ontploffingen is ook brand ontstaan. Als deze niet op tijd waren ontdekt, had het wellicht heel anders kunnen aflopen. De slachtoffers mogen van geluk spreken dat zij op het moment van de ontploffingen niet in de panden aanwezig waren.
Dergelijke ontploffingen zorgen voor een gevoel van angst en onveiligheid, zeker wanneer dit bij een woning of een bedrijf gebeurt. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de slachtoffers van de aanslag op 24 december 2024, blijkt dat zij nog steeds niet begrijpen waarom juist zij slachtoffer zijn geworden. Dat maakt dat zij tot op heden in onzekerheid verkeren. Het gevoel van een veilig thuis hebben is beschadigd. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij geen enkele verklaring of inzicht heeft willen geven in haar motief of dat van (een) van de medeverdachte(n). De rechtbank heeft de verdachte meermaals gevraagd waarom, maar een antwoord bleef uit. Uit de berichten die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte komt het beeld naar voren dat de verdachte geld nodig had en alles deed om dat te kunnen krijgen. Geldelijk gewin is aldus de enige drijfveer van de verdachte geweest. De verdachte toonde geen enkele vorm van empathie voor de onschuldige slachtoffers waarmee zij geen enkele connectie heeft.
Het teweegbrengen van een ontploffing behoort tot een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare, zeer gevaarzettende situaties voor personen of goederen kunnen ontstaan. De gevaarzetting is bovendien in één geval kracht bijgezet door metalen balletjes in de bom te verwerken. Dergelijke ontploffingen veroorzaken grote angst en onrust in onze samenleving, zeker nu Nederland de laatste jaren in toenemende mate te maken heeft met dergelijke aanslagen.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daaruit blijkt dat een gevangenisstraf van om en nabij de 18 maanden voor het teweegbrengen van één ontploffing geen uitzondering is, zodat de rechtbank dit als uitgangspunt neemt voor de strafmaat waarbij geldt dat de verdachte zich twee keer schuldig heeft gemaakt aan hetzelfde feit.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 8 september 2026, waaruit blijkt dat zij in april 2025 door de Belgische rechter is veroordeeld voor illegaal vuurwapenbezit.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van de verdachte. Zij heeft zich tot aan de inhoudelijke behandeling van haar strafzaak continu op haar zwijgrecht beroepen. Zij heeft geen enkele openheid van zaken gegeven, terwijl haar desgevraagd meerdere malen de gelegenheid is geboden om dat wel te doen. Ook heeft de verdachte geen enkel berouw getoond voor de slachtoffers. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de maatschappij voor een lange periode beschermd moet worden tegen de verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat aansluiting heeft gezocht bij de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en
[benadeelde 2] (feit 1)
De benadeelde partijen vorderen ieder afzonderlijk een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel kunnen worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelden in de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, is de rechtbank van oordeel dat zij door het onder feit 1 bewezenverklaarde feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Het behoeft geen uitleg dat een ontploffing door een zware vuurwerkbom bij de voordeur van een woning een ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners en dat ook de geestelijke integriteit hiermee wordt aangetast. De benadeelden komen daarom in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag gekeken naar de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en met de Rotterdamse Schaal, die voor bedreigende situaties door een ontploffing waarbij de bewoners thuis zijn een bandbreedte kent van € 1.000 - € 5.000, en acht toewijzing tot een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding per benadeelde billijk.
Het gevorderde bedrag van € 5.000,- is blijkens de onderbouwing van de schadeformulieren gebaseerd op de Rotterdamse Schaal, maar daarbij is aansluiting gezocht bij categorie b van het teweegbrengen van een ontploffing. Deze is categorie is echter van toepassing als een slachtoffer op dat moment aanwezig is. Daar is in dit geval geen sprake van. Tevens is aan de verdachte slechts één ontploffing gericht aan het adres van de benadeelden tenlastegelegd en bewezenverklaard terwijl de vordering is gebaseerd op drie ontploffingen. In het meergevorderde aan immateriële schade worden de benadeelden niet-ontvankelijk verklaard.
Wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
Het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen over het schadebedrag, zodat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partijen uit handen wordt genomen door de Staat. Ook deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente.
Hoofdelijkheid
Nu ten aanzien van het tenlastegelegde zowel de verdachte als de medeverdachte verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de schade, zal deze op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 9.240,06. De vordering bestaat uit € 5.240,06 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de aangifte is gedaan namens de benadeelde partij, en een machtiging van de bestuurder of directeur van de vennootschap en/of een uittreksel van de Kamer van Koophandel van de vennootschap ontbreken, waardoor niet is komen vast te staan dat [naam 2] – die de vorderingen heeft ingediend – bevoegd was tot het indienen van de vordering. Ook ontbreekt enige onderbouwing van de hoogte van de gemotiveerd betwiste schade. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen deze beide verzuimen te herstellen en het onderzoek ter terechtzitting daarvoor te schorsen, zou een te grote belasting zijn voor het strafproces.
8 Het beslag
In het dossier bevindt zich een beslaglijst waarop twee mobiele telefoons staan en een geldbedrag van € 1.861,25 na vervreemding van het inbeslaggenomen voertuig van het merk/type Citroën C4 met goednummer 1800785.
De mobiele telefoon met het goednummer 1776946 en de Citroën C4 behoren toe aan de verdachte en zijn gebruikt voor het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Om die reden worden deze telefoon en het (geld na vervreemding van het) voertuig verbeurd verklaard. De mobiele telefoon met goednummer 1800776 behoort ook toe aan de verdachte, maar na onderzoek is gebleken dat hiermee geen strafbare feiten zijn gepleegd. Deze telefoon dient geretourneerd te worden aan de verdachte.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
-
veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)
-
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van 2.000,- euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
-
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
-
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1] , van een bedrag van 2.000,- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
-
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
-
bepaalt dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
-
bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de veroordeelde niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)
-
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van 2.000,- euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
-
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
-
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 2] , van een bedrag van 2.000,- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
-
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
-
bepaalt dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
-
bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de veroordeelde niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 2)
-
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
-
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:
- € 1.861,25 van 1 STK Personenauto;
- 1 STK GSM (goednummer 1776946);
- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:
- 1 STK GSM (goednummer 1800776).
Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en
mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Hartgerink, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 november 2026.
Buiten staat
Mr. Philippart is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1:
zij op of omstreeks 24 december 2024 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan/bij de woning van [benadeelde 1] gelegen aan de [adres 2] te Kerkrade, door een vuurwerk brandstof combinatie althans een brandbaar en/of explosief materiaal en/of een voorwerp in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning van die [benadeelde 1] en/of omliggende woningen en/of inboedels van die woningen en/of in de nabijheid geparkeerde auto's te duchten was;
T.a.v. feit 2:
zij op of omstreeks 4 december 2024 te Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan/bij het pand gelegen aan de [adres 11] te Geleen ( [benadeelde 3] ), door een vuurwerk brandstof combinatie althans een brandbaar en/of explosief materiaal en/of een voorwerp in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de omliggende panden/woningen en/of inboedels van die omliggende panden/woningen en/of in de nabijheid geparkeerde auto’s te duchten was.