Strafrecht overig

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren voor het plegen van twaalf…

Rechtbank Oost-Brabant, 2 november 2026

Zaakgegevens

Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 november 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
02-335518-22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7686
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren voor het plegen van twaalf woninginbraken waarvan elf in vereniging, drie niet voltooide woninginbraken in vereniging en negen autodiefstallen in vereniging, gepleegd in 2022 en 2023. De feiten zijn gepleegd in georganiseerd verband en er zijn (zeer) waardevolle goederen weggenomen die in sommige gevallen ook veel emotionele waarden hadden. Beslissingen op acht vorderingen van benadeelde partijen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 02-335518-22

Datum uitspraak: 2 november 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

ten tijde van de inhoudelijke behandeling op 30 september wonende te [woonplaats] ,

volgens een Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 3 oktober 2026 per 1 oktober 2026 ingeschreven op het adres [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juni 2023, 31 augustus, 9 november 2023, 8 maart 2024, 30 september 2026 en 26 oktober 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 mei 2023. De tenlastelegging is gewijzigd conform het bepaalde in artikel 314 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op 8 maart 2024. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 30 september 2026 is de tenlastelegging op vordering van de officier van justitie twee keer gewijzigd conform het bepaalde in artikel 313 Sv. Van deze vorderingen is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is, na wijziging en kort samengevat, ten laste gelegd dat hij:

Feit 1

in de periode van 24 november 2022 tot en met 22 januari 2023, op verschillende plaatsen in Nederland, samen met een of meer anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van 15 woninginbraken, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot die woningen hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Feit 2

in de periode van 25 november 2022 tot en met 24 december 2023, op verschillende plaatsen in Nederland, samen met een of meer anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van 8 pogingen tot woninginbraken, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot die woningen hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Feit 3

in de periode van 4 februari 2023 tot en met 9 maart 2023, op verschillende plaatsen in Nederland, samen met een of meer anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van 9 autodiefstallen van het merk Toyota, type RAV4, terwijl verdachte en/of zijn mededaders de auto’s onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De volledige tenlastelegging is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

De verdachte wordt verweten als medepleger betrokken te zijn bij (onder feit 1) vijftien voltooide woninginbraken, (onder feit 2) acht pogingen tot woninginbraak en (onder feit 3) negen autodiefstallen. Kort samengevat wordt de verdachte in verband gebracht met deze feiten door onder meer peilbakengegevens van twee auto’s waarin verdachte zich volgens de politie verplaatste, historische verkeersgegevens van telefoons die aan verdachte worden toegeschreven en camerabeelden. In het procesdossier en de tenlastelegging wordt naar de verschillende feiten verwezen met zaaksnummers. De rechtbank zal in dit vonnis en de bewijsmiddelen waar nodig ook verwijzen naar de afzonderlijke feiten onder vermelding van de zaaksnummers.

Bewijsuitsluiting?

In deze zaak bestaat een groot deel van het bewijs uit peilbakengegevens die zijn verkregen door de plaatsing van twee peilbakens onder twee auto’s die gekoppeld worden aan de tenlastegelegde woninginbraken en autodiefstallen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat de peilbakens die op de Opel Vectra en de Citroën C3 geplaatst zijn beide onrechtmatig zijn geplaatst, en dat sprake is van twee ernstige vormverzuimen. De inzet van het peilbaken op de Opel Vectra en daarmee ook de stelselmatige observatie zijn aangevangen voordat het benodigde bevel (op 2 december 2025) was gegeven, waardoor verdachte in de periode van 14 november tot en met 1 december 2025 zonder bevel daartoe stelselmatig is geobserveerd. Over het plaatsen van het peilbaken op de Citroen C3 bevat het dossier niets, zodat niet voldaan is aan de verbaliseringsplicht. Het primaire standpunt van de verdediging is dat, gelet op de aard en ernst van deze vormverzuimen, de verkregen onderzoeksgegevens van de peilbakens moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de onrechtmatig verkregen bakengegevens die zien op de periode voorafgaande aan het verleende bevel ex artikel 126g Sv van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Dit betekent dat de onderzoeksresultaten van het technisch hulpmiddel niet in de zaken 4 tot en met 8 voor het bewijs gebezigd zouden mogen worden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van vormverzuimen bij de plaatsing van de peilbakens. Op grond van artikel 3 van de Politiewet (hierna: Pw) mag een peilbaken geplaatst worden zolang er geen min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte wordt verkregen. Nu de peilbakengegevens van de Opel Vectra slechts betrekking hebben op drie data (24, 25 en 27 november) in de periode dat nog geen bevel als bedoeld in artikel 126g Sv was gegeven, vormde artikel 3 Pw voldoende grondslag voor het peilbaken. Voor de Citroën C3 geldt volgens de officier van justitie hetzelfde. Als de rechtbank wel van oordeel is dat sprake is geweest van een of meerdere vormverzuimen dient dit in geen geval te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het oordeel van de rechtbank.

Juridisch kader

Ten aanzien van stelselmatige observatie geldt dat observaties door middel van bijvoorbeeld peilbakens waarvoor geen machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 126g Sv, onrechtmatig kunnen zijn indien zij geschikt zijn om een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden zoals de duur, intensiteit, plaats en het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden.

De rechtbank zal het pleidooi van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting hieronder per auto bespreken.

De Opel Vectra

Uit het BOB-dossier volgt dat de officier van justitie op 2 december 2022 en op 27 december 2022 een observatiebevel heeft afgegeven als bedoeld in artikel 126g Sv, op grond waarvan de politie tussen 2 december 2022 en 27 maart 2023 een peilbaken op of aan de Opel Vectra mochten plaatsen en de reisbewegingen van dit voertuig mocht volgen. De rechtbank stelt vast dat het peilbaken eerder, namelijk in week 46 van 2022, dat wil zeggen tussen 14 en 20 november 2022, aan de Opel Vectra is bevestigd. Dit betekent dat het peilbaken gedurende ongeveer twee weken actief is geweest zonder dat daaraan een observatiebevel ten grondslag lag.

De rechtbank constateert dat in het proces-verbaal van plaatsen technisch hulpmiddel baken (p. 1006) wordt verwezen naar het bevel ex artikel 126g lid 3/1260 lid 3 Sv, terwijl er op dat moment nog geen bevel was gegeven. Daarmee is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bij de beoordeling van de ernst van dit vormverzuim en de gevolgen die daaraan moeten worden verbonden stelt de rechtbank voorop dat artikel 359a Sv een bevoegdheid en niet een plicht formuleert om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Een van de mogelijke rechtsgevolgen is dat volstaan kan worden met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.

Het bevel tot observatie is vrij kort na het feitelijk plaatsen van het peilbaken gegeven voor een langere periode en is gevolgd door een tweede bevel. Gelet daarop kan worden aangenomen dat bij tijdige aanvraag ook voor de eerste twee weken een bevel zou zijn gegeven. Het gaat dus in verhouding om een beperkte periode waarin het peilbaken zonder bevel is geplaatst. Bovendien blijkt dat de Opel Vectra niet op naam stond van verdachte en in de observatieperiode door verschillende personen werd gebruikt. Er is in die eerste twee weken dus geen min of meer volledig beeld van het persoonlijk leven van verdachte verkregen. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de ernst van het verzuim en het door verdachte geleden nadeel van het verzuim beperkt is geweest, en dat kan worden volstaan met de constatering dat er een vormverzuim is begaan.

De Citroën C3

De rechtbank stelt met betrekking tot de Citroën C3 vast dat er geen proces-verbaal van plaatsing van het peilbaken in het dossier zit, terwijl de plaatsing van dit peilbaken wel had moeten worden geverbaliseerd. Daarmee is sprake van een schending van de verbaliseringsplicht, wat een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Gelet op het moment dat de Citroën C3 in gebruik is genomen, namelijk begin maart 2023, was er wel een grondslag voor de plaatsing van het baken, namelijk de twee eerder genoemde observatiebevelen. Hoewel de rechtbank bij een gebrek aan het proces-verbaal van plaatsing van het peilbaken niet zelf kan controleren wanneer en op welke wijze het peilbaken is geplaatst, bevat het dossier geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het peilbaken foutief is geplaatst of niet voldeed aan de daaraan gestelde technische eisen. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de ernst van het schenden van de verbaliseringsplicht beperkt is, en dat de verdachte daar geen nadeel van heeft ondervonden. Ook met betrekking tot dit vormverzuim kan daarom worden volstaan met de constatering dat het vormverzuim is begaan.

Standpunten over het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten en de daarin opgenomen zaken wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft daartoe een bewijsmiddelenoverzicht aan de rechtbank en de verdediging overgelegd waarin per zaak een opsomming staat van de voor die zaak redengevende feiten en omstandigheden. In een aantal zaken is verdachte herkend als bestuurder of bijrijder in de Opel Vectra op de route en passend in het tijdsbestek naar/bij diverse strafbare feiten, is de telefoon in gebruik bij verdachte te plaatsen nabij diverse strafbare feiten, zijn tapgesprekken voorhanden die duiden op betrokkenheid van verdachte, zijn gestolen goederen in de woning van verdachte aangetroffen, zijn er observaties van verdachte of is er DNA van verdachte aangetroffen. Deze zaken kunnen zelfstandig bewezen worden verklaard. Om tot een bewezenverklaring te komen van de zaken 4 tot en met 6, 19 tot en met 24, 26, 27, 29 en 35 is schakelbewijs nodig. In de visie van de officier van justitie is voldaan aan de vereisten van de toepassing van schakelbewijs, gelet op de soortgelijke omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en het handelen van verdachte en medeverdachten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van de tenlastegelegde feiten. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de indirecte bewijsmiddelen c.q. de resultaten van het onderzoek in alle zaken onvoldoende basis vormen om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde feiten.

Voor de feiten 1 en 2 is het bewijs is met name gestoeld op peilbakengegevens van de Opel Vectra die aan verdachte wordt toegeschreven en zendmastgegevens, maar uit het dossier blijkt overduidelijk dat naast verdachte ook anderen de Opel Vectra veelvuldig hebben gebruikt. Verder blijkt uit de locatiegegevens dat de Opel Vectra gedurende de ritten ook meerdere keren onderweg is gestopt. Ook als gevolg van deze stops kan niet gezegd worden, zeker niet met voldoende mate van zekerheid, wie op welk moment in de auto heeft gezeten. De peilbakengegevens zeggen dan ook uitsluitend iets over de auto en niets over de daadwerkelijke inzittende(n) van de auto.

Voor wat betreft de telefoongegevens geldt dat het aangestraalde gebied van een zendmast een groot gebied beslaat en derhalve in een te ver verwijderd verband staat van eventuele betrokkenheid bij de woninginbraken. Verder zegt het enkele aanstralen van een zendmast alleen iets over de telefoon en niets over degene die de telefoon op dat moment onder zich

heeft. Bewijs waaruit ondubbelzinnig volgt dat verdachte de telefoon op de momenten dat deze zendmasten aanstraalde onder zich had bevat het dossier niet. Het dossier bevat ook geen camerabeelden van zéér kort voor, tijdens of na de inbraken op grond waarvan verdachte is herkend. Voor feit 3 geldt wat de verdediging betreft hetzelfde als voor de feiten 1 en 2, in die zin dat ook voor de autodiefstallen geen direct bewijs voorhanden is en niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring. De aanwezigheid van DNA van verdachte op het stuur en de pook in zaak 30 maakt dit niet anders, omdat dit DNA ook op andere manieren in de auto kan zijn terechtgekomen.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraken.

De rechtbank acht drie woninginbraken en vijf pogingen daartoe (zaken 4 tot en met 6, 19 tot en met 22 en 24) niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met uitzondering van zaak 4 geldt dat in deze zaken het bewijs voor het medeplegen van de (pogingen tot) woninginbraken enkel kan worden gevonden in de peilbakengegevens van de Opel Vectra die aan de verdachte wordt toegeschreven. In tegenstelling tot de andere zaken die de rechtbank – zoals hierna zal blijken – wel bewezen acht, bevatten de zaaksdossiers van voornoemde zaken geen bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte ook daadwerkelijk een inzittende was van de Opel Vectra, of andere bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte blijkt of kan worden afgeleid.

Ten aanzien van zaak 4 overweegt de rechtbank het volgende. Uit de peilbakengegevens blijkt dat de Opel Vectra voorafgaand aan de inbraak stopt bij het kamp in Tholen, in de nabijheid van de woning van aangever [slachtoffer 20] . De telefoon van verdachte straalt rondom het tijdstip van de inbraak een zendmast aan in Tholen. Op het kamp woont [betrokkene] , die in het dossier wordt aangeduid als een man die een groepering aanstuurt die onder andere woninginbraken zou plegen in Zeeland en Brabant. Uit het dossier volgt dat de eigenaar van het beveiligingsbedrijf dat door aangever [slachtoffer 20] was ingehuurd een contact is van [betrokkene] en wekelijks bij [betrokkene] op het kamp op bezoek komt. De peilbaken- en zendmastgegevens laten de mogelijkheid open dat verdachte ten tijde van de inbraak op het kamp aanwezig was en dat een of meer anderen betrokken zijn geweest bij de inbraak. Daarmee is er een alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van verdachte in de omgeving van de woning van aangever [slachtoffer 20] Dit alternatieve scenario kan op basis van het dossier niet als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven, zodat de rechtbank dit feit (zaak 4) niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die als bijlage I van dit vonnis deel uitmaakt. De bewijsmiddelen dienen in onderling verband en samenhang bezien te worden. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank onder andere de volgende feiten en omstandigheden vast.

De rechtbank stelt voorop dat de onderzoeksgegevens van de peilbakens en de mastgegevens op zichzelf niet redengevend zijn voor het bewijs. Echter, dit is anders als deze gegevens in onderlinge samenhang worden bezien. In alle bewezen zaken zijn er belastende peilbakengegevens en historische verkeersgegevens die, in onderling verband en samenhang bezien, in algemene zin redengevend zijn voor de aanwezigheid van verdachte zeer dicht in de buurt van alle plaatsen delict voor, tijdens en/of na de inbraken in de woningen en/of de autodiefstallen. Daarbij is van belang dat de Opel Vectra en de Citroën C3 in veel gevallen vertrekken bij het woonadres van verdachte, vervolgens op enig moment een of meerdere keren stilstaan of in ieder geval aanwezig zijn (zeer) dicht bij de plaatsen delict rond de tijd van de gepleegde inbraken, en vervolgens (uiteindelijk) ook weer terugkeren bij het woonadres van verdachte. Uit zendmastgegevens volgt dat een van de twee telefoons die bij verdachte in gebruik waren ten tijde van het tenlastegelegde in al deze gevallen meereist met de Opel Vectra en/of de Citroën C3. Niet is onderbouwd of gebleken dat deze telefoon door een ander dan door verdachte werd gebruikt. Daar komt bij dat in meerdere zaken camerabeelden van tankstations zijn uitgekeken die op de routes lagen van de Opel Vectra of de Citroën C3 naar en van de plaatsen delict. Op de camerabeelden zijn verdachte en/of zijn mededaders meermaals herkend als inzittenden van de Opel Vectra of de Citroën C3. In een aantal zaken is er verder aanvullend bewijs voor het daderschap van verdachte, waaronder belastende tapgesprekken, het aantreffen van gestolen goederen in de woning van verdachte, belastende chatgesprekken in de telefoons van (mede)verdachte(n), en DNA-bewijs. Deze bewijsmiddelen maken in onderlinge samenhang bezien de bewijskracht van de peilbaken- en de historische verkeersgegevens in alle zaken groter, omdat ze steun bieden aan de vaststelling dat verdachte inderdaad als inzittende van een van de twee auto’s naar de plaatsen delict is gereisd en daar de inbraken heeft (mede)gepleegd. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte in de directe omgeving van de plaatsen delict aanwezig is geweest voorafgaand aan, tijdens en/of na de inbraken.

. Dat de Opel Vectra en de Citroën C3 in de bewezenverklaarde periode ook door anderen werden bestuurd en gebruikt doet aan dat oordeel niet af.

Van verdachte mag verwacht worden dat hij een verklaring voor deze bevindingen geeft. De rechtbank overweegt dat, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Dat geldt ook voor het oordeel over de vraag of verdachte de tenlastegelegde feiten in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen heeft gepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat steeds (met uitzondering van zaak 25) ten minste twee personen bij de inbraken en autodiefstallen betrokken waren. Ook wanneer niet is komen vast te staan wat de precieze rol van verdachte bij de tenlastegelegde feiten is geweest maar er wel omstandigheden zijn die duidelijk op zijn betrokkenheid bij de feiten wijzen, kan het medeplegen worden bewezen, waarbij de proceshouding van de verdachte een rol kan spelen. Verdachte heeft echter een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en nu er geen sprake is van contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte, samen met een of meer anderen, als medepleger verantwoordelijk is geweest voor de hieronder vermelde feiten. Ten aanzien van zaak 25 blijkt niet van een bijrijder in de Opel Vectra en is er ook geen ander bewijs voor nog een dader, zodat de rechtbank bewezen acht dat verdachte dit feit alleen heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Feit 1
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een of meer goederen in een woning, alwaar verdachte en/of zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:

- op 27 november 2022 in een woning aan de [adres 2] , sieraden die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] ,
- op 27 november 2022 in een woning aan de [adres 3] , sieraden die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 2] ,
- op 10 december 2022 in een woning aan de [adres 4] , sieraden, een kluis met inhoud en een bankpas, die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 3] ,
- op 10 december 2022 in een woning aan de [adres 5] , sieraden en scheerapparaten die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 4] ,
- op 15 december 2022 in een woning aan de [adres 6] , sieraden die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 5] ,
- op 15 december 2022 in een woning aan de [adres 7] , een geldbedrag dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 6] ,
- op 16 december 2022 in een woning aan de [adres 8] , sieraden die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 7] ,
- op 16 december 2022 in een woning aan de [adres 9] , een geldbedrag dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 8] ,
- op 17 december 2022 in een woning aan de [adres 10] , sieraden die geheel en of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 9] ,
- op 17 december 2022 in een woning aan de [adres 11] , sieraden, een kluis met inhoud en een handtas met inhoud die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 10] ,
- op 24 december 2022 in een woning aan de [adres 12] , sieraden die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 11] ,

terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

en

goederen in een woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten: op 20 januari 2023 in een woning aan de [adres 13] , een bodywarmer en flessen drank die toebehoorde aan [slachtoffer 12] .

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

(zaak 4, 7&8, 9&10, 11&12, 13, 15, 17, 18, 19, 21, 35, 24 en 25)

Feit 2
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om:

- op 16 december 2022 in een woning gelegen aan de [adres 14] ,
- op 17 december 2022 in een woning gelegen aan de [adres 15] ,

-
op 24 december 2022 in een woning gelegen aan de [adres 16] ,

alwaar verdachte en zijn mededaders zich tegen de wil van de rechthebbende bevonden, \ goederen van hun gading, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
- het terrein van voornoemde woningen heeft betreden,
- via een achterraam en/of de achterdeur van voornoemde woningen de woningen heeft betreden en
- door voornoemde woningen is gelopen en kasten en/of lades heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(zaak 5, 6, 14, 16, 20, 21, 22 en 23)

Feit 3
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, voertuigen van het merk Toyota RAV4, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:

- op 7 februari 2023 te Gilze met het kenteken [kenteken 1] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 13] ,
- op 7 februari 2023 te Gilze met het kenteken [kenteken 2] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 14] ,
- op 11 februari 2023 te Breda met het kenteken [kenteken 3] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 15] ,
- op 4 februari 2023 te Breda met het kenteken [kenteken 4] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 16] ,
- op 23 februari 2023 te Oosterhout met het kenteken [kenteken 5] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 17] ,
- op 24 februari 2023 te Etten-Leur met het kenteken [kenteken 6] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 18] ,
- op 25 februari 2023 te Breda met het kenteken [kenteken 7] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 21] ,
- op 9 maart 2023 te Dorst met het kenteken [kenteken 8] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 22] en
- op 9 maart 2023 te Bavel met het kenteken [kenteken 9] , die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 23] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming.


(zaak 26&27, 28, 29, 30, 31&32 en 33&34)

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de OM-richtlijnen voor woninginbraken en autodiefstallen, een aantal strafverzwarende factoren, het wettelijke strafmaximum, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de overschrijding van de redelijke termijn. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de eventuele strafoplegging nadrukkelijk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het gegeven dat verdachte een kwetsbare jongeman die onder andere is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking. In de tenlastegelegde periode had verdachte ook geen begeleiding. Verdachte heeft inmiddels goed stappen gezet. De oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou reeds ingezette behandelingstrajecten doen beëindigen waardoor de gezette stappen ongedaan worden gemaakt. Verder zal als gevolg van detentie ook de Wajong-uitkering van verdachte, waarvan ook de partner en drie kinderen van verdachte afhankelijk zijn, wegvallen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twaalf voltooide woninginbraken waarvan elf samen met (een) ander(en) gepleegd, drie niet voltooide woninginbraken in vereniging waarbij wel is ingebroken maar geen goederen zijn weggenomen en negen autodiefstallen in vereniging. De (pogingen tot) woninginbraken zijn gepleegd in een tijdsbestek van twee maanden, en de autodiefstallen in een tijdsbestek van één maand. In deze periodes was de verdachte in georganiseerd verband stelselmatig en voortdurend bezig met het plannen en plegen van woninginbraken, waarbij in veel gevallen ook zeer waardevolle goederen (veelal sieraden) zijn weggenomen. Ook zijn in diverse gevallen sieraden met emotionele waarde weggenomen. De verdachte en zijn mededaders hebben de huizen bijna letterlijk leeggeroofd en in alle gevallen een grote ravage achtergelaten. Uit verschillende vorderingen tot schadevergoeding volgt dat de inbraken en de wijze waarop deze zijn gepleegd veel impact hebben gehad op de slachtoffers. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een inbraak in de woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Daarnaast brengt een woninginbraak voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Met name bij de diefstal van sieraden is naast de financiële schade vaak sprake van grote emotionele schade, omdat deze sieraden niet vervangbaar zijn. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich kennelijk enkel laten leiden door financiële motieven. De verdachte heeft op geen moment gedurende het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting ervan blijk gegeven spijt te hebben van zijn handelen of de ernst daarvan in te zien. Hij heeft voor het door hem toegebrachte leed geen enkele verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank neemt hem dit kwalijk. Met betrekking tot de diefstal van 9 auto’s van het merk Toyota, type RAV4 geldt dat uit de verschillende zaaksdossiers volgt dat deze auto’s iedere keer op dezelfde wijze en in de nachtelijke uren werden gestolen, waarbij ook voorverkenningen zijn gedaan. Dit duidt erop dat ook bij deze diefstallen de verdachte en zijn mededader(s) op professionele wijze te werk zijn gegaan.

Persoon van de verdachte

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de volgende feiten en omstandigheden. Uit het meest recente uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte (het strafblad) blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde, namelijk op 10 september 2021, voor een woninginbraak reeds onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf. De verdachte is verder op 17 april 2023 veroordeeld voor diefstal, meermalen gepleegd. Deze recidive wordt door de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen. Verder blijkt uit het uittreksel dat de verdachte sinds de bewezenverklaarde feiten meermaals is veroordeeld, onder meer voor een woninginbraak gepleegd in juli 2025.

De verdachte is sinds 15 november 2023 geschorst uit de voorlopige hechtenis, waarbij hij onder toezicht staat van de reclassering. De rechtbank heeft kennisgenomen van een voortgangsrapportage van de reclassering van 24 september 2026. De conclusie van dit rapport is – kort gezegd – dat, ondanks dat de schorsingsvoorwaarden over het algemeen goed worden nagekomen, de reclassering zich zorgen maakt om de pro-criminele keuzes die de verdachte kennelijk maakt. De verdachte lijkt sterk afhankelijk van externe sturing. De mogelijkheden van reclasseringsinterventies zijn evenwel uitgeput en de reclassering ziet momenteel geen mogelijkheden meer voor een nieuw reclasseringstoezicht.

LOVS-oriëntatiepunten

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een woninginbraak met recidive is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, en bij veelvuldige recidive 7 maanden. Voor de diefstal van een auto met recidive is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, en bij veelvuldige recidive 4 maanden. Strafverzwarende omstandigheden zijn in deze zaak het georganiseerde verband waarin de inbraken zijn gepleegd, de wijze waarop de woningen overhoop zijn gehaald en de (emotionele) waarde van de weggenomen goederen.

Artikel 63 Sr

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 63 Sr, omdat verdachte sinds het bewezenverklaarde een aantal keer is veroordeeld voor verschillende misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van artikel 63 Sr in dit geval niet leidt tot strafvermindering.

Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen op 9 maart 2023, de dag van de aanhouding van verdachte. Daarmee is de redelijke termijn [in aanzienlijke mate, te weten met ruim 1,5 jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden straf tot gevolg moet hebben.

Strafoplegging

De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank verdachte van enkele van de tenlastegelegde feiten vrijspreekt. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande en in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank in algemene zin verzocht de door de acht benadeelde partijen ingediende vorderingen tot schadevergoeding toe te wijzen voor zover de rechtbank deze voldoende onderbouwd acht, en de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20] .

[slachtoffer 20] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 1, zaak 4 tenlastegelegde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 15.667,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 1, zaak 8 bewezenverklaarde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 13.392,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aandacht gevraagd voor de reeds uitgekeerde schadevergoeding door de verzekering waaruit niet valt op te maken hoe die vergoeding is opgebouwd en voor welke schadeposten geld is uitgekeerd. Verder ontbreekt het ook aan andere onderbouwing van de vordering. De geleden schade is dus niet eenvoudig vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en de omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Verzocht wordt dan ook de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd, nu het op grond van de ingediende stukken onduidelijk is waarom de verzekeraar een aanzienlijk lager schadebedrag heeft uitgekeerd dan in deze procedure wordt gevorderd en onderliggende stukken overigens ontbreken. De benadeelde partij wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2022 tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 1, zaak 9 bewezenverklaarde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 95.396,95.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging – kort samengevat – de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de complexiteit van de vordering en de onduidelijkheid op meerdere punten. Nader onderzoek naar de juistheid en de omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Hoewel het zeer aannemelijk is dat de benadeelde partij als gevolg van de inbraak in haar woning veel materiële schade heeft geleden is het voor de rechtbank op grond van de ingediende vordering niet mogelijk om de juistheid van de aan vordering gehechte taxatie vast te stellen. Daarbij is van belang dat twee bijlagen die wel in de stukken worden genoemd niet aan de vordering zijn gehecht. De rechtbank zal door de aard van de schade – die vrijwel geheel bestaat uit sieraden waarvan de waarde sterk afhangt van een juiste en deskundige taxatie – ook geen gebruik kunnen maken van haar bevoegdheid om de schade te schatten. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 24] .

[slachtoffer 24] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 2, zaak 16 bewezenverklaarde, immateriële schade ten bedrage van in totaal € 300,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid verzocht bij gebrek aan een juridische grondslag voor immateriële schadevergoeding.

Beoordeling.

Voor toewijzing van immateriële schade moet komen vast te staan dat de benadeelde partij is aangetast in haar persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW, aanhef en onder b. Van deze aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

In dit geval is de rechtbank op grond van het dossier en de vordering tot schadevergoeding van oordeel dat geen van de hierboven genoemde situaties zich voordoet. De rechtbank hecht eraan daarbij op te merken dat de gevoelens van angst en onveiligheid bij de benadeelde partij zeer invoelbaar zijn. Er zijn echter geen juridische gronden waarop de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen. Benadeelde partij Imkamp zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 25] .

[slachtoffer 25] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 2, zaak 23 bewezenverklaarde, immateriële schade ten bedrage van in totaal € 300,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het bepleitte vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid verzocht bij een gebrek aan een juridische grondslag voor immateriële schadevergoeding.

Beoordeling.

De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 24] . De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 21] .

[slachtoffer 21] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 3, zaak 32 bewezenverklaarde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 363,43.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om enige matiging toe te passen bij de schadevergoeding voor het hondenrek en de rubberen mat, omdat ten aanzien van die voorwerpen de nieuwwaarde is gevorderd in plaats van de vervangingswaarde. Ten aanzien van de huur heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het overig gevorderde ontbreekt iedere onderbouwing, waardoor de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, vergoeding voor de gemaakte aanschafkosten van het hondenrek en de rubbermat, alsook de huurkosten van een leenauto, ten bedrage van (in totaal) € 216,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding van twee zonnebrillen, nu die kosten niet onderbouwd zijn. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.p

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2023 tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 18] .

[slachtoffer 18] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 3, zaak 31 bewezenverklaarde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 1.058,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging opgemerkt dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en om die reden ook de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij dient te volgen.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Uit de vordering volgt dat de verzekeraar reeds € 250,- heeft uitgekeerd, maar nadere stukken over die uitkering dienaangaande zitten niet bij de vordering. Daardoor kan niet vastgesteld worden hoe de verzekeraar tot dit bedrag is gekomen en of er voor specifieke goederen reeds een uitkering heeft plaatsgevonden. Ook verder ontbreekt het ook aan enige onderbouwing van de vordering. Zo zijn er geen bonnetjes van de goederen, zodat de waarde van de goederen ten tijde van de vermeende ontvreemding niet vastgesteld kan worden.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a Sv compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 26] .

[slachtoffer 26] . heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert, als gevolg van onder feit 3, zaak 31 bewezenverklaarde, materiële schade ten bedrage van in totaal € 20.000,-.

Het standpunt van de verdediging.

Het komt de verdediging vreemd voor dat een nieuwe auto niet allrisk, dan wel minst genomen beperkt casco, wordt verzekerd. Nadere informatie is derhalve noodzakelijk, hetgeen nader onderzoek vergt wat dan weer een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De geschatte dagwaarde van de Toyota is verder op geen enkele wijze onderbouwd. Daarbij blijkt uit het dossier dat er sprake was van een forse kilometerstand,

namelijk 135.000, zodat het voorkomt dat de gevorderde waarde (te) hoog is. Bij gebreke van nadere onderbouwing en het gegeven dat nader onderzoek noodzakelijk zal zijn om de dagwaarde vast te stellen, wordt verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2023 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank acht de opgevoerde en gevorderde dagwaarde van de auto niet onredelijk voorkomen gelet op de afschrijving van soortgelijke auto’s. Een eigenaar van een auto zoals in dit geval [slachtoffer 26] heeft bovendien geen verplichting om schade aan het voertuig te claimen bij de verzekering.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2023 tot de dag der algehele voldoening.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om alle op de beslaglijst met strafrechtelijke beslagtitel vermelde goederen verbeurd te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 19 augustus 2026 vermelde voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden en/of met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

Voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de gevangenneming gevorderd voor de feiten op de tenlastelegging waarvoor eerder geen bevel tot voorlopige hechtenis is afgegeven. Voorts heeft de officier van justitie naar aanleiding van het onaangekondigd vroegtijdig vertrek van verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling, de rechtbank verzocht om het vluchtgevaar toe te voegen als grond voor de voorlopige hechtenis.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd om de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om de schorsing te laten voortduren. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank eerder, na kennisname van het einddossier met daarin vervat alle bewijsmiddelen voor de uiteindelijk tenlastegelegde feiten, de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft bevolen, ondanks een als hoog ingeschat recidiverisico. In de schorsingsperiode heeft verdachte blijkens de justitiële documentatie overtredingen begaan en zijn er verdenkingen geweest van misdrijven. Desondanks heeft het openbaar ministerie niet eerder de opheffing van de schorsing verzocht. De situatie is nu niet anders. Bij de opheffing van de voorlopige hechtenis blijft de verdachte gebonden aan bijzondere voorwaarden die hem uit hoofde van een andere zaak zijn opgelegd. Sinds 8 juni 2026 zijn er geen nieuwe politiemeldingen.

Het oordeel van de rechtbank.

Het verzoek van de raadsman tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wijst de rechtbank af, gelet op dit veroordelend vonnis en de gronden die nog altijd dragend zijn voor de voorlopige hechtenis.

De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat verdachte wordt veroordeeld tot een (langdurige) gevangenisstraf, op zichzelf geen grond is voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze omstandigheid kan wel worden betrokken in de te maken afweging tussen de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. In dit geval brengt deze veroordeling niet met zich mee dat daarmee een zodanig groter gewicht toekomt dat de schorsing moet worden opgeheven. Daarvoor is van belang dat

het openbaar ministerie sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in 2023 geen verzoek heeft ingediend tot opheffing van de schorsing, terwijl het recidiverisico zich sindsdien evident heeft verwezenlijkt. Ook de reclassering heeft in de afgelopen jaren kennelijk geen reden gezien om het schorsingstoezicht te beëindigen. Sinds de meest recente veroordeling is verdachte verder voor zover bekend niet meer in aanraking geweest met politie en justitie. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank het niet proportioneel of noodzakelijk om het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing nu toe te wijzen. In het verlengde van dit oordeel ziet de rechtbank ook geen reden tot toewijzing van de vordering tot gevangenneming de bewezenverklaarde feiten waarvoor verdachte niet in voorlopige hechtenis zat. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte na het horen van de voor verdachte ingrijpende eis van 10 jaren gevangenisstraf en de verzoeken over de voorlopige hechtenis de zittingszaal heeft verlaten, niet betekent dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte zich duurzaam aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken. De rechtbank ziet daarvoor bovendien contra-indicaties, zo was verdachte zonder dat hij daartoe was gehouden in eerste instantie wel fysiek aanwezig bij de inhoudelijke behandeling ondanks de wetenschap dat hij na de zitting mogelijk meteen in detentie zou worden genomen.

Concluderend zal de schorsing van de voorlopige hechtenis voortduren na de einduitspraak.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden, meermalen gepleegd

en

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.

Feit 2:

poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden, meermalen gepleegd.

Feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op: een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- gelast de verbeurdverklaring van de op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 19 augustus 2026 vermelde voorwerpen, te weten:

  • 1 pet (goednummer: 762932);

  • 1 paar handschoenen (goednummer: 762933);

  • 5 telefoons (goednummers 762474, 762475, 762478, 780752 en 762486);

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 26] :

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 26] , van een bedrag van 20.000,00 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 26] , van een bedrag van 20.000,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 21] :

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 21] , van een bedrag van 216,85 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 21] , van een bedrag van 216,85 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 25] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 24] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. M. Lochs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,

en is uitgesproken op 2 november 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.