Strafrecht overig
De verdachte wordt veroordeeld voor verkrachting van een minderjarige en onttrekking aan het wettig over die…
Rechtbank Limburg, 4 november 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11997 · Rechtbank Limburg · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2026-11997
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 03.043139.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11997
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte wordt veroordeeld voor verkrachting van een minderjarige en onttrekking aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd uitoefende tot een gevangenisstraf van 412 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Dergelijke feiten zouden normaal gesproken aanleiding zijn een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar de rechtbank ziet aanleiding om daarvan af te wijken, gelet op de persoon van de verdachte. Voorts dient de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding te betalen van € 4.000,00.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.043139.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 november 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte 1] ,
geboren te [geboortegegevens] 1995,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.G. Peerik, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 oktober 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 10 februari 2025:
Feit 1: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft verkracht;
Feit 2: opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van diegene die dit desbevoegd over haar uitoefende.
3 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van de verdachte, de verklaring van [slachtoffer] afgelegd bij de politie en de Snapchatgesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] . De leeftijd van [slachtoffer] is bij beide feiten geobjectiveerd waardoor het niet van belang is of de verdachte wist dat zij dertien jaar oud was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feit 1, maar enkel aangevoerd dat de verdachte één seksuele handeling betwist, te weten penetratie met de penis in de vagina. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu de leeftijd hier volgens hem niet geobjectiveerd is en het opzet van de verdachte niet gericht was op de minderjarigheid van [slachtoffer] .
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte ter terechtzitting heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit anders dan voor het eerste gedachtestreepje, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 21 oktober 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 11 februari 2025.
Partiële vrijspraak ten aanzien van een aantal seksuele handelingen
De verdachte heeft geen bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van het met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] gaan, op de kont slaan, in de borsten knijpen, met zijn tong in de vagina van [slachtoffer] te gaan en met zijn tong en vinger in de anus van [slachtoffer] te gaan en te likken. Nu zich voor die handelingen onvoldoende steunbewijs in het dossier bevindt, zal de rechtbank de verdachte voor die handelingen partieel vrijspreken.
Feit 2
Bewijsmiddelen
[naam 2] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik doe aangifte van het onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] . Ik heb niemand het recht of toestemming gegeven voor het plegen van dit strafbaar feit. Op 10 februari 2025 is mijn dochter omstreeks 00.40 uur bij een voor mij onbekend persoon in de auto gestapt. Dit is gebeurd bij zorggroep [naam 3] . Zorggroep [naam 3] is gelegen aan [adres 2] . De onbekende persoon nam mijn dochter mee en is een aantal uren weggeweest. Ik heb het eenhoofdige gezag over mijn dochter [slachtoffer] .
[slachtoffer] heeft tijdens het informatief gesprek – zakelijk weergegeven – het volgende met de verbalisanten besproken:
Op 9 februari 2025 heeft een man van 29 jaar oud [slachtoffer] toegevoegd op Snapchat. Hierop volgend heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en de man. [slachtoffer] heeft diezelfde dag via Snapchat met de man afgesproken om in de nacht van 9 februari 2025 op 10 februari 2025 samen sigaretten te roken. De man zou naar de groep komen waar [slachtoffer] op [dat] moment woonachtig was. Zij is uit huis geplaatst. Op 10 februari 2025, rond 00:30 [uur], was de man op de groep aanwezig. [slachtoffer] stapte bij de man in de auto. Vervolgens zijn ze naar [plaatsnaam 1] toe gereden met een tussenstop bij een BP tankstation, 10/20 minuten van [plaatsnaam 2] . In [plaatsnaam 1] zijn ze aangekomen bij het huis van de man. Om 04:03 [uur] zat [slachtoffer] met de man in de auto terug richting de groep.
Tijdens het informatief gesprek heeft [slachtoffer] de verbalisanten Snapchatberichten laten zien tussen haar en de verdachte. Verbalisant [naam 4] heeft foto’s gemaakt van deze berichten. Het slachtoffer gaf aan dat de verdachte niet met zijn volledige naam in deze berichten staat, maar met de letter ‘ [letter] ’ en daarachter is een Marokkaanse vlag zichtbaar. Op deze foto’s is onder meer de volgende gesprekscommunicatie zichtbaar:
[letter] : Ik kan ook rond 00:30 voor de deur staan als niemand buiten staat kan je ook gewoon komen toch
[slachtoffer] : Ja da kn ja
(…)
[slachtoffer] : K kan nu nog ni nr buiten
[letter] : Weet ik
(…)
[slachtoffer] : K kn nog ni kome
[letter] : Is niet erg
[slachtoffer] : K probeer binne 15 miniten te kome
Kn geen risico nemen
(…)
[letter] : Als ik over uur ga rijden ben ik er rond 23:30 ofz
[slachtoffer] : Klop dn kn k nog ni nr buiten
[letter] : Ja drm beter later
[slachtoffer] : Ja
Want mensen gaan ook nog roken dn pakke ze me mss drm beter iets kster
Later
(…)
Hb t over clienten he
(…)
Mensen die hier wonen
[letter] : Ja dat is anders
(…)
[slachtoffer] : Ja me alsnog als hun mij zien hun gaan snitchen
[letter] : Klopt
Beter geen risico nemen
[slachtoffer] : Drm
[letter] : Wrm woon je daar eigenlijk?
[slachtoffer] : Uithuisplaatsing
(…)
[slachtoffer] : Ja mr ja woon al sinds mn 6de op groepen
De verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik ben zzp’er in de gehandicapten- en ouderenzorg. Ik heb de instelling (de rechtbank begrijpt: de instelling waar [slachtoffer] verbleef) opgezocht via Google. Ik hoopte erop dat er alleen volwassenen zaten. Ik heb de opleiding maatschappelijke dienstverlening gevolgd. Het klopt dat ik het had kunnen weten dat het ook minderjarigen waren die daar verbleven.
De verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Het klopt dat ik op 10 februari 2025 vanuit mijn woonplaats naar [plaatsnaam 2] ben gereden en dat ik daar [slachtoffer] heb opgehaald. (…) Het klopt dat zij in mijn appartement is geweest. (…) Ik heb de instelling [naam 3] opgezocht, want ik wilde een beeld krijgen van welke mensen daar wonen. (…) Ik heb haar gevraagd waarom zij er woonde. Zij zei dat zij vanaf haar zesde uit huis is geplaatst. (…) Ik heb de homepagina van [naam 3] gelezen. (…) U, oudste rechter, vraagt mij uit te leggen wat een uithuisplaatsing volgens mij betekent. Dat je uit huis wordt gezet bij je ouders. Dat je niet bij je ouders mag wonen. Dat gaat over kinderen.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 10 februari 2025 [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , bij de instelling [naam 3] in [plaatsnaam 2] heeft opgehaald en vervolgens met haar naar zijn appartement in [plaatsnaam 1] is gereden waar zij samen een aantal uren hebben doorgebracht. Vervolgens heeft hij haar vroeg in de ochtend weer teruggebracht.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1032) is de minderjarigheid in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), anders dan bij artikel 248 Sr, geen geobjectiveerd bestanddeel. Dit betekent dat opzet ten aanzien van dit bestanddeel moet worden bewezen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte opzet heeft gehad op de minderjarigheid van [slachtoffer] .
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was. [slachtoffer] had hem verteld dat zij 18 jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank is echter sprake geweest van verschillende omstandigheden op basis waarvan de verdachte tenminste had moeten twijfelen aan de leeftijd van [slachtoffer] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist dat [slachtoffer] uit huis was geplaatst. Uit de Snapchatberichten blijkt dat de verdachte – voordat hij [slachtoffer] heeft opgehaald – aan haar heeft gevraagd waarom zij bij Woongroep [naam 3] woonde, waarop [slachtoffer] heeft geantwoord dat zij uit huis is geplaatst, hetgeen hij ook ter terechtzitting heeft bevestigd. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt ook dat hij weet wat uithuisplaatsing betekent en dat het in dat geval om kinderen (minderjarigen) gaat. Daarnaast blijkt uit de Snapchatberichten dat [slachtoffer] de woongroep stiekem diende te verlaten. Er werd immers gesproken over ‘geen risico nemen’, omdat [slachtoffer] niet gezien wilde worden, hetgeen erop duidt dat zij niet de vrijheid had gedurende de nacht de woongroep te verlaten. Ook heeft de verdachte de website van Woongroep [naam 3] voorafgaand aan hun afspraak opgezocht waarbij na raadpleging de verdachte toch duidelijk moet zijn geweest dat de instelling niet alleen begeleiding aanbiedt aan volwassenen, maar ook zorg biedt voor/aan minderjarigen. Deze omstandigheden betreffen onmiskenbare indicaties voor het feit dat [slachtoffer] minderjarig was. Dat geldt eens temeer nu de verdachte zzp’er is in de gehandicapten- en ouderenzorg en hij de opleiding maatschappelijke dienstverlenging heeft gevolgd.
Uit al deze omstandigheden in samenhang bezien leidt de rechtbank af dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de minderjarigheid van [slachtoffer] : de verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] minderjarig was.
In het geval de minderjarige zelf bijdraagt aan de onttrekking moet worden beoordeeld of de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding van de minderjarige en degene die op dat moment het wettig gezag over hem of haar had en/of het opzicht over hem of haar desbevoegd uitoefent. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte opzet had om een minderjarige aan dit gezag of opzicht te onttrekken.
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] ten tijde van het feit 13 jaar oud was en zodoende onder het gezag van haar moeder dan wel onder het opzicht van Woongroep [naam 3] stond. Niet ter discussie staat dat de verdachte [slachtoffer] met de auto heeft opgehaald en dat [slachtoffer] zelfstandig in de auto is gestapt. Hij heeft haar vervolgens meegenomen naar zijn appartement in [plaatsnaam 1] en haar een aantal uren later weer terug gebracht. Ondanks dat zij vrijwillig is ingestapt, kon zij niet zelfstandig vertrekken vanuit zijn woning. Zij bevond zich immers midden in de nacht in een omgeving die haar onbekend was, ver van [plaatsnaam 2] , en ze had geen eigen vervoersmogelijkheid. De tussenkomst van de verdachte was dus een essentiële schakel in de (voortduring van de) scheiding van [slachtoffer] en haar moeder dan wel Woongroep [naam 3] . De verdachte had, gelet op reeds voornoemde omstandigheden, moeten beseffen dat het niet de bedoeling was dat [slachtoffer] bij hem zou verblijven gedurende de nacht en hij heeft eraan bijgedragen dat [slachtoffer] een aantal uren niet bij de woongroep heeft verbleven. Zijn bijdrage aan de situatie is van zodanig gewicht geweest dat sprake is van een beslissende invloed op (de voortduring van) de scheiding. Hij heeft dan ook in elk geval het voorwaardelijk opzet gehad op het onttrekken van [slachtoffer] aan het wettig over haar uitgeoefende gezag en/of het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende.
De rechtbank acht, gelet op voorgaande, feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
1
op 10 februari 2025 te [plaatsnaam 1] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- met zijn penis op de vagina van die [slachtoffer] te gaan en
- met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] te gaan en
- met zijn tong op de vagina van die [slachtoffer] te gaan en
- met zijn vinger op en in de vagina van die [slachtoffer] te gaan en
- met zijn tong en vinger op de anus van die [slachtoffer] te gaan en te likken;
2
op 10 februari 2025 te [plaatsnaam 2] , gemeente [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
Feit 2: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
C.D. Ploeg, MSc., GZ-psycholoog, en drs. R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, hebben over de geestvermogens van de verdachte op 14 mei 2025 gezamenlijk een rapport uitgebracht. In hun rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.
Op basis van onderhavig onderzoek is er bij de verdachte sprake van een autismespectrumstoornis (niveau 1, vereist ondersteuning) volgens de criteria van de DSM 5. Genoemde problematiek was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. De psychische stoornis is van invloed geweest op het tenlastegelegde, [te weten de] seksuele handelingen met een minderjarige. Er is geen sprake van doorwerking op het tenlastegelegde onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag. Zijn autismespectrumstoornis in combinatie met zijn lage zelfbeeld zijn van invloed geweest op de gedragskeuzes die de verdachte heeft gemaakt ten aanzien van het tenlastegelegde [feit 1]. Het ligt derhalve in de rede dat de verdachte het tenlastegelegde in een verminderde mate is toe te rekenen.
De deskundigen hebben inzichtelijk gemotiveerd op basis van welke bevindingen zij adviseren de verdachte feit 1 in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies en de onderbouwing ervan. Zij zal feit 1 dus in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Daar er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar. De rechtbank heeft de mate van toerekening bij haar oordeelsvorming over de op te leggen straf betrokken.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 412 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en daaraan te verbinden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht en behandelverplichting, en in aanvulling daarop de bijzondere voorwaarde inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan de bijzondere voorwaarden de zinsneden ‘zolang de reclassering dat nodig acht’ en ‘in overleg met het Openbaar Ministerie’ toe te voegen. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van feit 1, het blanco strafblad en het feit dat de verdachte vanaf het begin heeft geprobeerd oprecht zijn kant van het verhaal te vertellen. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in het opleggen van een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel, omdat de verdachte niet de intentie heeft zelfstandig contact op te nemen met [slachtoffer] en er geen risico bestaat als het contactverbod als bijzondere voorwaarde komt te vervallen. De officier van justitie heeft een lange proeftijd gevorderd, gelet op zijn behandeling bij [naam 5] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen met daarnaast eventueel nog een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf op te leggen. De raadsman heeft verwezen naar jurisprudentie (ECLI:NL:RBGEL:2026:2835) waarbij het eveneens ging om seksueel contact met een dertienjarige en de strafmaatoverwegingen sluiten nagenoeg naadloos aan op onderhavige zaak. De rechtbank heeft in die zaak acht heeft geslagen op de proceshouding van de verdachte, zijn spijtbetuiging, het feit dat hij niet uit was op seksueel contact met een dertienjarige en de opportuniteit van behandeling tegenover gevangenisstraf. De raadsman heeft benadrukt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is bevonden voor feit 1 en heeft verzocht dat ook te doen voor feit 2. Zijn blanco strafblad, diepe spijt en kwetsbare persoonlijkheid rechtvaardigen een op maat toegesneden vonnis dat hem in staat stelt om zich effectief te laten behandelen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte, een (destijds) 29-jarige man, heeft via Snapchat contact gelegd met de (destijds) 13-jarige [slachtoffer] . Vlak na het eerste contact spraken zij met elkaar af. De verdachte zou [slachtoffer] gaan ophalen bij haar zorggroep in [plaatsnaam 2] . Volgens [slachtoffer] was het de bedoeling alleen ergens wat te gaan roken. Ze zijn vervolgens echter naar de woning van de verdachte gereden. Daar heeft de verdachte seksuele handelingen verricht, waarbij hij met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer] is geweest en met zijn penis in haar mond. Het handelen van de verdachte kwalificeert daarom als een verkrachting. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de onttrekking aan het wettig over [slachtoffer] gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd uitoefende. Hierdoor heeft de verdachte het Woongroep [naam 3] , waar zij op dat moment verbleef, onmogelijk gemaakt om het opzicht over haar uit te oefenen.
Het midden in de nacht ophalen van een minderjarige en deze vervolgens verkrachten zijn schokkende feiten. In de eerste plaats heeft de verdachte hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Uit haar slachtofferverklaring blijkt dat dit ook heftige emotionele en psychische gevolgen voor haar heeft gehad. In de tweede plaats was het voor haar moeder zeer verontrustend niet te weten waar haar dochter was en hoe het met haar ging. Dergelijke feiten zouden normaal gesproken aanleiding zijn een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen aan de dader.
In de onderhavige zaak ziet de rechtbank echter aanleiding daarvan af te wijken, gelet op de persoon van de verdachte. In de eerste plaats blijkt uit het over de verdachte opgemaakte strafblad van 22 september 2026 dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De enige andere vermelding op zijn strafblad is een snelheidsovertreding. Daarnaast blijkt uit de Pro Justitia rapportage zoals hiervoor genoemd, dat bij verdachte sprake is van autisme. De rechtbank heeft uit het dossier en het gesprek met de verdachte ter zitting de overtuiging gekregen dat de verdachte (mede) hierdoor de situatie niet goed heeft overzien/ingeschat. De verdachte heeft aangegeven dat het nooit zijn intentie was iets te doen dat tegen de wil van [slachtoffer] was. Hij heeft de stopsignalen die [slachtoffer] hem heeft gegeven niet als zodanig herkend. Anders had hij deze wel gerespecteerd. Hij was ook niet op zoek naar een minderjarige. De rechtbank vindt de verdachte hierin oprecht overkomen en gelooft hem hierin. De psycholoog bevestigt dat hij waarschijnlijk de signalen en aanwijzingen voor de grenzen van [slachtoffer] niet of onvoldoende heeft begrepen. Dit alles maakt niet dat de verdachte niet strafbaar is, maar hierdoor is een andere straf op zijn plaats dan normaal aan de orde zou zijn.
Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de rapportage volgt dat er een matig risico is op het opnieuw komen tot een zedendelict. Om het risico op recidive te verlagen is het van belang dat de verdachte een poliklinische behandeling krijgt. Allereerst is het van belang dat de verdachte psycho-educatie krijgt over zijn autismespectrumstoornis, zodat hij meer zicht krijgt op wat een autismespectrumstoornis voor hem inhoudt en de bijbehorende problemen waar hij vanwege zijn problematiek tegenaan loopt. Daarnaast is het van belang dat de behandeling zich richt op het (cognitief) begrijpen wat er in anderen omgaat, het aanleren van sociale vaardigheden (ook in de omgang met vrouwen), het versterken van het zelfbeeld en het aanleren van adequate copingstrategieën bij oplopende spanning. Genoemde behandeling kan gerealiseerd worden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 6 oktober 2026. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als gemiddeld en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als laag. Verder is onder meer vermeld dat de verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is verwezen naar [naam 5] in Utrecht. Hij volgt daar een behandeling en hij houdt zich aan de afspraken met zijn behandelaar. De resultaten van deze behandeling zijn goed, maar er zijn nog behandeldoelen die niet bereikt zijn. Voortzetting van de behandeling acht de reclassering noodzakelijk om het recidiverisico verder omlaag te brengen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de verdachte tot slot verklaard dat hij zijn excuses wenst aan te bieden – en heeft dit ook gedaan aan/via mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland – en dat hij een grote fout heeft gemaakt en dit nooit heeft gewild.
De rechtbank zal, alle relevante omstandigheden afwegende tegen de ernst van het bewezenverklaarde, conform de eis van de officier van justitie, de verdachte een gevangenisstraf van 412 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk opleggen. Gelet op de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, betekent dit dat hij niet (opnieuw) de gevangenis in moet. Hieraan zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering in haar advies van 6 oktober 2026 heeft geformuleerd, te weten een meldplicht en een behandelverplichting.
Nu de deskundigen hebben vermeld dat sprake is van een matig risico op recidive, de reclassering het risico op recidive als gemiddeld heeft ingeschat en de verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis van ongeveer anderhalf jaar geen contact met [slachtoffer] heeft opgenomen, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat oplegging van een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel niet noodzakelijk is. Zij zal wel een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde opleggen.
Ook zal de rechtbank ten aanzien van alle voorwaarden opnemen dat deze zullen voortduren zolang de reclassering dat nodig acht en dat de invulling ervan mede in overleg met het Openbaar Ministerie zal plaatsvinden.
Ten aanzien van de proeftijd merkt de rechtbank nog het volgende op. Op grond van artikel 14b, tweede lid, Sr bedraagt de proeftijd bij een voorwaardelijke straf ten hoogste drie jaren en kan de proeftijd ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu de deskundigen en de reclassering het recidiverisico als matig/gemiddeld hebben ingeschat en in het reclasseringsrapport is vermeld dat de behandelaar niet verwacht dat er een langere dan gebruikelijke proeftijd nodig zal zijn voor de resterende behandeling, zal de rechtbank – anders dan gevorderd – een proeftijd van drie jaren aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden.
7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) heeft haar moeder met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 4.000,00 ter zake van immateriële schade. Tevens is namens [slachtoffer] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, nu de vordering voldoende is onderbouwd en het gevorderde bedrag passend is. Voorts heeft de officier van justitie verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging geen opmerkingen heeft over de vordering van de benadeelde partij en dat de verdachte de gevraagde schadevergoeding wil betalen.
Het oordeel van de rechtbank
De aan de verdachte tenlastegelegde verkrachting en onttrekking aan het wettig gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd uitoefende zijn bewezen verklaard. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van die bewezenverklaarde strafbare feiten schade heeft geleden.
De gevorderde immateriële schadevergoeding van een bedrag van € 4.000,00 is door de verdachte niet betwist. De vordering komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt.
De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 februari 2025. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
-
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 412 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
-
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
-
dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat, in overleg met het Openbaar Ministerie, nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan telefonisch bij zijn huidige toezichthouder of diens vervanger;
-
dat de veroordeelde zich laat behandelen door [naam 5] Utrecht of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering in overleg met het Openbaar Ministerie deze behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek;
-
dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang de reclassering dit verbod, in overleg met het Openbaar Ministerie, nodig vindt;
-
geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
-
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
-
wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en feit 2) toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 4.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening;
-
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil;
-
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer], van € 4.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag van de volledige voldoening;
-
bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
-
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. J. van Berchum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 november 2026.
Buiten staat
Mrs. S.L.M. van Venrooij en J. van Berchum zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 10 februari 2025, te [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- met zijn penis in en/of op de vagina van die [slachtoffer] te gaan en/of
- met zijn penis in de mond van die [slachtoffer] te gaan en/of
- meermalen, althans eenmaal op de kont van die [slachtoffer] te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal in de borsten van die [slachtoffer] te knijpen en/of
- met zijn tong op en/of in de vagina van die [slachtoffer] te gaan en/of
- met zijn vinger op en/of in de vagina van die [slachtoffer] te gaan en/of
- met zijn tong en/of vinger in en/of op de anus van die [slachtoffer] te gaan en/of te likken;
2
hij op of omstreeks 10 februari 2025, te [plaatsnaam 2] , gemeente [plaatsnaam 1] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende.