Strafrecht overig

Veroordeling voor bedreiging en voorbereiding van brandstichting. Gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen…

Rechtbank Limburg, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
03.082247.26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:12083
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging en voorbereiding van brandstichting. Gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen waarvan 58 dagen voorwaardelijk.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/082247-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 november 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,

wonende van [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T. Straten, advocaat in Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 oktober 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 18 maart 2026 in Kerkrade:

Feit 1: medewerkers van de gemeente Kerkrade en/of overige personen in het pand van de gemeente Kerkrade heeft bedreigd door te zeggen: “zorg maar dat ik iemand te spreken krijg, want anders zet ik de boel in de fik”;

Feit 2: ter voorbereiding van brandstichting twee flessen lampenolie, twee flessen lampengel, een aansteker en een T-shirt voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de ten laste gelegde bedreiging, met dien verstande dat de uitlatingen van verdachte enkel bedreiging met brandstichting en bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten opleveren. Voor de overige bestanddelen dient partiële vrijspraak te volgen.

Verder heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het voorhanden hebben van de goederen ter voorbereiding van brandstichting, omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op de brandstichting. Hij wilde enkel dreigen en daarom heeft hij ook benadrukt dat mensen geëvacueerd moesten worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 19 maart 2026, pg. 6 en 7:

Plaats delict: Markt 33 in Kerkrade (gemeentehuis Kerkrade)

Op 17 maart 2026 kreeg ik van een collega te horen dat er mogelijk een persoon, met de naam [verdachte] , naar de gemeente Kerkrade zou komen omdat hij iemand van het team adressen wilde spreken voor hulpverlening.

Op 18 maart 2026 was ik werkzaam bij de gemeente Kerkrade als baliemedewerkster. Ik zat aan de balie en ik zag dat er een meneer binnenkwam. Hij liep naar de balie en wilde iemand spreken van team adressen. Ik vertelde tegen hem dat er niemand van dit team aanwezig was. Ik vertelde tegen de man dat ik wel een boodschap achter kon laten. Daar was hij het niet mee eens. Hij wilde onmiddellijk geholpen worden. Als dit niet zou gebeuren dan zou ik het pand moeten evacueren en zou de meneer zichzelf/het pand in brand steken. Ik vroeg zijn naam en hij zei tegen mij dat zijn naam [verdachte] was. Ik zei tegen hem dat hij even plaats moest nemen in de wachtruimte en dat ik iemand zou vragen om hem te woord te staan.

Vervolgens ben ik naar mijn manager toe gelopen. Ik vertelde tegen de manager dat [verdachte] aan de balie stond en dat hij dreigde het gemeentehuis in de fik te steken als hij geen hulpverlening aangeboden zou krijgen. Mijn manager zei tegen een collega dat deze onmiddellijk 112 moest contacteren. Mijn manager liep met mij mee naar de balie en vroeg aan [verdachte] of hij hem kon helpen. [verdachte] vertelde dat hij onmiddellijk hulpverlening nodig had. Mijn manager vertelde tegen [verdachte] dat dit op dit moment niet kon. [verdachte] dreigde toen nogmaals om het gemeentehuis in brand te steken.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] van 18 maart 2026, pg. 9:

Op 18 maart 2026 was ik werkzaam bij de gemeente Kerkrade als [functie] .

Er kwam een voor ons onbekende man het stadskantoor binnengelopen. Mijn collega [naam 1] stond deze man te woord en vroeg naar zijn personalia. De naam welke meneer opgaf betrof: [verdachte] . Deze [verdachte] gaf bij collega [naam 1] aan dat hij wilde spreken met iemand van team adressen. [naam 1] heeft meneer [verdachte] aangegeven dat deze nu niet aanwezig waren en of zij zijn gegevens mocht noteren. Daarop zei [verdachte] tegen collega [naam 1] dat hij hier niet op ging wachten omdat hij altijd al van het kastje naar de muur wordt gestuurd en dat wij maar beter konden evacueren omdat hij anders het gebouw in brand zou steken. Collega [naam 1] is vervolgens richting mij gelopen en vertelde mij dit verhaal. Ik heb toen tegen een collega gezegd dat zij de politie moest bellen.

Ik ben vervolgens meegelopen richting [verdachte] en heb hem nogmaals te woord gestaan en uitgelegd wat we konden doen. Ik hoorde [verdachte] vervolgens zeggen: "Zorg maar dat ik iemand ter spreke krijg want anders zet ik hier de boel in de fik." Ik vroeg hem hoe hij dit dacht te gaan doen. Hij zei dat hij wat wasbenzine zou gebruiken en de fik erin zou steken. Hierbij maakte hij een gebaar over de balie heen, waar wij achterstonden, alsof hij hier wasbenzine overheen goot.

Het proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2026, pg. 14 en 15:

Op 18 maart 2026 kwamen wij, verbalisanten, aan in het stadskantoor van de gemeente Kerkrade. In de publieksruimte zagen wij een man zitten. Wij gingen het gesprek met deze man aan en vroegen de man naar zijn legitimatiebewijs. Hij overhandigde een paspoort met de volgende gegevens: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] .

Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] twee tassen bij zich had staan en één Actiontas in zijn handen hield. Wij verbalisanten hoorden [verdachte] zeggen: "(…) Ik wil nu geholpen worden en anders steek ik de boel hier in de fik."

Wij zagen dat [verdachte] een gele aansteker vasthad in zijn linkerhand.

Wij zagen en hoorden dat [verdachte] zei dat wij hem moesten aanhouden voor poging tot brandstichting en dat hij echt niet nog een keer op straat ging slapen en dat hij wel het gemeentekantoor in brand zou steken om in de cel te belanden. Wij zagen dat [verdachte] in zijn rechterhand de Actiontas omhoog hield en ook zijn linkerhand, met aansteker, omhoog hield.

Wij, verbalisanten, hielden [verdachte] aan. Wij namen de Actiontas en de aansteker van [verdachte] in beslag en zagen dat er in de Actiontas het volgende zat:

- 2 x plasticfles met opdruk Lampoil;

- 2 x plasticfles met opdruk Firegel gele vloeistof;

- oranje shirt met wat natte plekken erop.

Wij zagen dat het shirt op deze flessen lag in de tas en dat van alle vier de flessen de doppen er vanaf waren en los in de tas erbij lagen.

Wij plaatsten [verdachte] in het dienstvoertuig waarna wij hem hoorden zeggen dat hij echt van plan was brand te stichten en dat hij het personeel wel had gewaarschuwd om te ontruimen daar.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 21 oktober 2026:

Ik had op 18 maart 2026 bewust nagedacht over de spullen die ik had meegebracht naar het gemeentehuis in Kerkrade. Het was een combinatie van brandgel en lampolie. Ik weet dat door die combinatie vuur in één klap aan is en het sneller brandt dan alleen wasbenzine.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast, en dat staat in zoverre ook niet ter discussie, dat de verdachte op
18 maart 2026 naar het stadskantoor van de gemeente Kerkrade is gegaan en medewerkers van de gemeente Kerkrade en verbalisanten heeft bedreigd met brandstichting. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

In het licht van feit 2 dient de vraag beantwoord te worden of de verdachte het opzet heeft gehad om brandstichting voor te bereiden. De rechtbank beantwoordt die vraag met de officier van justitie bevestigend. Zij leidt dat enerzijds af uit de combinatie van goederen – geopende flessen met daarin een combinatie van brandgel en lampolie, een shirt en een aansteker – die de verdachte had meegenomen. Anderzijds leidt zij dat af uit de verklaring van de verdachte dat hij bewust de combinatie brandgel en lampolie had meegenomen, omdat hij wist dat door die combinatie vuur in één klap aan is en het sneller brandt. Dat duidt, net als de mededeling van verdachte aan de medewerkers van de gemeente om de personen in het pand te evacueren omdat hij brand zou stichten als hij niet geholpen werd, niet op ‘enkel dreigen’, maar op een gericht plan van verdachte om brand te stichten als er niet naar hem werd geluisterd. Daar komt bij dat de doppen van de flessen brandgel en lampolie waren gedraaid. Dat in combinatie met de uitlatingen van de verdachte hebben de uiterlijke verschijningsvorm van een daadwerkelijk voornemen om brand te stichten. Na zijn aanhouding heeft hij tegenover de politie ook verklaard dat hij daadwerkelijk van plan was om brand te stichten. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de genoemde goederen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van brandstichting, zoals ten laste gelegd onder feit 2.

Gelet op de door de verdachte gedane uitlatingen over het evacueren van personen uit het gebouw, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor het gevaar voor personen bij een brandstichting. De rechtbank zal de verdachte van dat onderdeel vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1

op 18 maart 2026 te Kerkrade medewerkers van de gemeente Kerkrade en overige personen in het pand van de gemeente Kerkrade heeft bedreigd met brandstichting, door die medewerkers en personen dreigend de woorden toe te voegen: "zorg maar dat ik iemand te spreken krijg, want anders zet ik hier de boel in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2

op 18 maart 2026 te Kerkrade, om een feit, bedoeld in artikel 157 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het opzettelijk brand stichten door open vuur in aanraking te brengen met lampenolie en lampengel, ten gevolge waarvan het pand van de gemeente Kerkrade aan de Markt 33, aldaar geheel of gedeeltelijk zou verbranden, in elk geval brand zou ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten zou zijn, voor te bereiden

- twee flessen lampenolie en

- twee flessen lampengel en

- een aansteker en

- een T-shirt,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in de weergave van de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1

bedreiging met brandstichting;

feit 2

voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De klinisch psycholoog P.F.T. Fleurkens heeft over de geestvermogens van de verdachte op 3 juli 2026 een Pro Justitia-rapport uitgebracht.

Volgens de psycholoog is bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsproblematiek met paranoïde, antisociale en schizoïde trekken, met daarbij chronische PTSS en een stoornis in cannabismisbruik (thans in remissie). Dat was ook zo ten tijde van het begaan van onderhavig strafbaar gedrag. Volgens de psycholoog kon verdachte nadat hij zijn huis had opgezegd en geen postadres kreeg in het begin nog rondkomen en hopen op voorspoed. De situatie werd echter meer en meer uitzichtloos omdat de verdachte nergens terecht bleek te kunnen. Vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, met name zijn achterdochtige en antisociale kant, in combinatie met de steeds verder tekortschietende coping, kon verdachte hier steeds minder goed mee omgaan en namen gevoelens als machteloosheid en boosheid steeds verder toe. Toegenomen gebruik van cannabis heeft waarschijnlijk onlustgevoelens als machteloosheid en boosheid verder aangewakkerd, adequate coping nog meer ingeperkt en gedragsontremming veroorzaakt. Elementen van de psychische problematiek hebben volgens de psycholoog de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte voorgaand aan en tijdens het strafbaar gedrag mede bepaald. De psycholoog adviseert daarom het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt dit advies over. De rechtbank komt op basis van de in dit rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies tot de conclusie dat er geen omstandigheden zijn die verdachtes strafbaarheid volledig uitsluiten. Er zijn ook geen andere feiten en omstandigheden naar voren gekomen die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 240 dagen, waarvan 98 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, bij een bewezenverklaring van beide feiten, verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast een voorwaardelijke straf opleggen heeft in de visie van de raadsman geen meerwaarde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is zijn huisvesting kwijtgeraakt, waarna het bergafwaarts is gegaan. Hij had geen postadres meer, zijn zorgverzekering werd gestopt waarna hij niet meer mocht werken in Nederland en hij zijn baan moest opzeggen. Het wegbrengen van verdachtes auto naar de sloop was voor hem de druppel en heeft gemaakt dat verdachte op 18 maart 2026 het standskantoor van de gemeente Kerkrade is binnengelopen en hij tot een wel hele nare bedreiging is gekomen. De verdachte heeft niet alleen gedreigd met brandstichting, maar had daarvoor ook de nodige spullen bij zich om tot een serieuze uitvoering te kunnen komen. En hoewel de persoonlijke situatie van verdachte zijn handelen duiding geeft, kan het niet dienen als excuus. Het zijn vervelende feiten waarbij verdachte anderen angst heeft aangejaagd.

De verdachte is op 18 maart 2026 opgepakt en heeft vervolgens enige tijd in voorarrest doorgebracht. Begin augustus 2026 is verdachte onder voorwaarden geschorst en sindsdien lijkt het de goede kant op te gaan. Hij beschikt inmiddels over een woonplek, betaald werk en praktische zaken zoals zorgverzekering zijn geregeld. Volgens de reclassering lijkt ook verdachtes houding te zijn veranderd: er is ruimte voor zelfreflectie en verdachte is aanspreekbaar op zijn gedrag en denken. De reclassering schat de kans op herhaling in als gemiddeld en om die kans verder te verminderen adviseert zij een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte zoals geadviseerd in het advies van de klinisch psycholoog P.F.T. Fleurkens.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 200 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Het onvoorwaardelijke deel is gelijk aan het reeds ondergane voorarrest (142 dagen) en dat betekent dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan en het risico op herhaling in de toekomst te verminderen.

De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat aansluiting heeft gezocht bij de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 46, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt een gedeelte van de straf, groot 58 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij:

  1. zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

  2. zich laat behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, middelengebruik en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

  3. gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft bij [instelling] , [adres 2] in Maastricht of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is gestart op 6 augustus 2026. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Voorlopige hechtenis:

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en
mr. B.G.P. Hoevenagel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 november 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Kerkrade medewerker(s) van de gemeente Kerkrade en/of overige personen in het pand van de gemeente Kerkrade heeft bedreigd met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling, en/of

- brandstichting,

door die medewerkers en/of personen dreigend de woorden toe te voegen: "zorg maar dat ik iemand te spreken krijg, want anders zet ik hier de boel in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2

hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Kerkrade, om een feit, bedoeld in

artikel 157 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het opzettelijk brandstichten door open vuur in aanraking te brengen met lampenolie en/of lampengel, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan het aan pand van de gemeente Kerkrade aan de Markt 33, aldaar geheel of gedeeltelijk zoud verbranden, in elk geval brand zou laten ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor personen en/of dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten zou zijn, voor te bereiden

- twee flessen lampenolie en/of

- twee flessen lampengel en/of

- een aansteker en/of

- een t-shirt,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2026046328, gesloten op 19 maart 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 58.