Strafrecht overig

Vonnis van de rechtbank inzake onderzoek Meike

Rechtbank Oost-Brabant, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
01/043305-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7829
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vonnis van de rechtbank inzake onderzoek Meike

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.043305.24

Datum uitspraak: 4 november 2026.

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2024, 23 september 2024, 7 september 2026, 9 september 2026 en 27 oktober 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 mei 2024. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 september 2024 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2023 tot en met 25 maart 2024 in Best, Den Bosch, Den Haag, Dordrecht, Drunen, Eindhoven, Geldrop, Helmond, Mierlo, Oirschot, Oss, Valkenswaard en/of Veldhoven, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte en (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk oplichting van personen als bedoeld in artikel 326 Wetboek van

Strafrecht;

Feit 2:

hij in of omstreeks 9 december 2023 tot en met 25 maart 2024, te Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten grote geldbedragen

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

In december 2023 zijn, met name in de regio Eindhoven/Helmond, tientallen (hoog)bejaarden opgelicht door een groepering die hen telkens op dezelfde wijze geld afhandig maakte. Slachtoffers werden telefonisch benaderd, waarbij de verdachten zich voordeden als medewerkers van de bank. Zij vertelden de slachtoffers dat criminelen op dat moment bezig waren geld van hen afhandig te maken en dat een medewerker bij hen langs zou komen om te helpen. Deze “medewerker” nam een SumUp-terminal mee, waarna veelal de pincode van het slachtoffer werd gevraagd om vervolgens zonder medeweten van het slachtoffer geld over te maken. Ook werd er gevraagd om contant geld en sieraden te overhandigen, zodat deze tijdelijk veilig zouden kunnen worden opgeborgen bij de bank. Bij slachtoffers zijn tot duizenden euro's afhandig gemaakt. De uit het opsporingsonderzoek voortgekomen bevindingen hebben geleid tot de aanhouding, de vervolging en de veroordeling van medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 7 september 2026. Verdachte zou zich kort gezegd, samen met [medeverdachte 6] , hebben beziggehouden met de financiën van de criminele organisatie. Het geld dat verdiend werd met de oplichtingen werd door (onder andere) verdachte witgewassen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van zowel feit 1 (criminele organisatie) als feit 2 (witwassen) moet worden vrijgesproken, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 9 september 2026. Verdachte is weliswaar aanwezig geweest bij het afhalen van telefoons op 14 december 2023, het opnemen van geld door [medeverdachte 6] op 28 december 2023 en er zijn twee rekeningen gebruikt voor overschrijvingen van een beperkt aantal geldbedragen, maar deze gedragingen zijn zowel qua duur als aard beperkt. Deze beperkte handelingen zijn niet voldoende om te kunnen spreken van deelneming aan een criminele organisatie. Voor wat betreft feit 2 geldt dat de rol van verdachte hiervoor ook onvoldoende is om van witwassen te spreken en dat alles in de richting van [medeverdachte 6] wijst. Subsidiair is de verdediging ten aanzien van feit 2 van mening dat de rechtbank enkel tot een bewezenverklaring kan komen van het schuldwitwassen van een zeer beperkt aantal bedragen in een beperkte periode in december 2023.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis verwijst de rechtbank voor de gebezigde bewijsmiddelen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage, die van dit vonnis deel uitmaakt.

Bewijs- en vrijspraakoverwegingen.

Feit 1: deelneming aan een criminele organisatie.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat het oogmerk van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gericht moet zijn op het plegen van misdrijven. Van deelneming aan zo’n organisatie kan slechts sprake zijn, indien de verdachte (i) behoort tot het samenwerkingsverband en (ii) een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning verleent aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband.

In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 lid 1 Sr ligt ook het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De criminele organisatie.

In de periode rond december 2023 was een criminele organisatie actief die zich bezighield met oplichtingen van bejaarde mensen volgens de hierboven beschreven bankhelpdeskfraude-methode.

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hadden een aansturende rol en belden met de slachtoffers. Ook [medeverdachte 3] belde met de slachtoffers. De loopjongens gingen vervolgens aan de deur om het geld en waardevolle goederen buit te maken. Deze loopjongens werden geronseld door [medeverdachte 7] . [medeverdachte 6] hield zich onder meer bezig met het beheer en het witwassen van het buitgemaakte geld. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren onder meer verantwoordelijk voor het ophalen en wegbrengen van de loopjongens naar de slachtoffers. Alle genoemde personen zijn veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie.

De rol van verdachte [verdachte] .

Verdachte was in die periode bijna dagelijks samen met [medeverdachte 6] , zo ook op het moment dat er telefoons in twee [winkel 1] winkels werden opgehaald die door middel van één van de oplichtingen waren verkregen. Ook was verdachte aanwezig toen [medeverdachte 6] geld pinde met een pinpas, afkomstig van een slachtoffer van oplichting.

Tot slot heeft verdachte meerdere (buitenlandse) bankrekeningen op zijn naam geopend. Op een aantal van deze rekeningen zijn beperkte bedragen gestort die te maken hebben met de oplichtingen.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte van een geringe omvang zijn. Deze gedragingen zijn ook qua duur en aard beperkt. Daar komt bij dat onvoldoende vaststaat dat verdachte in zijn algemeenheid wist dat er sprake was van een organisatie die zich bezighield met het plegen van misdrijven. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk behoorde tot het samenwerkingsverband zoals dat hiervoor uiteen is gezet. In dat verband acht de rechtbank het ook relevant dat geen enkele medeverdachte (met uitzondering van [medeverdachte 6] ) weet wie verdachte is en wat eventueel zijn rol zou zijn geweest.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en spreekt hem van dat feit vrij.

Feit 2: medeplegen van witwassen.

Onder feit 2 is ten laste gelegd dat verdachte grote geldbedragen heeft witgewassen.

De rechtbank begrijpt uit het dossier dat het om de volgende geldbedragen gaat:

  • pinbedragen bij de [pinautomaat] in Rotterdam;

  • de geldbedragen waar de telefoons bij de [winkel 1] van zijn gekocht;

  • overboekingen op/van de rekening van verdachte (€ 4.727,00) en

  • pinnen bij het [Bedrijf] in Boskoop.

Van andere concrete bedragen is niet gebleken.

Juridisch kader medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Pinnen bij de [pinautomaat] en in het [Bedrijf] .

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij deze pintransacties het volgende vast.

Op 28 december 2023 is er gepind bij de [pinautomaat] in de [winkel 2] aan het [adres 2] in Rotterdam van een bankrekening waarop – kort gezegd – opbrengsten van oplichtingen werden gestort. Op de beelden is te zien dat [medeverdachte 6] viermaal pint en het geld vervolgens in zijn zak stopt. Verdachte staat naast medeverdachte [medeverdachte 6] en zij hebben contact met elkaar. Op de beelden zijn verder geen handelingen van verdachte waargenomen. Verdachte ontkent dat hij een rol had bij het pinnen. Hij dacht dat het geld afkomstig was van de eigen rekening van [medeverdachte 6] . Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 6] niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor het witwassen van de gepinde bedragen bij de [pinautomaat] .

Daarnaast is er op drie verschillende dagen in december 2023 geld gepind bij het [Bedrijf] in Boskoop. Hierbij is gebruik gemaakt van een rekeningnummer op naam van [slachtoffer 1] . Uit het dossier maakt de rechtbank op dat zij één van de katvangers binnen het onderzoek Meike is geweest. Uit de camerabeelden is gebleken dat verdachte, samen met [medeverdachte 6] , op die drie dagen in het [Bedrijf] is geweest. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat verdachte die dagen heeft gepind, terwijl verdachte hierover een ontkennende verklaring heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat zij in dit geval de verklaring van de ene persoon niet geloofwaardiger kan achten dan die van de ander. Er zijn ook geen beelden beschikbaar waarop te zien is wie er die dagen heeft gepind. Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte betrokken is geweest bij het witwassen van de gepinde bedragen bij het [Bedrijf] . Verdachte kan dus ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor het witwassen van deze gepinde bedragen.

De gekochte telefoons bij de [winkel 1] .

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van oplichting. Zij verklaarde dat zij op 14 december 2023 werd gebeld door een medewerker van de fraude afdeling of alarmcentrale van de bank. Er zou vanaf de rekening van [slachtoffer 2] gepind worden in Amsterdam. [persoon] , een medewerker van de technische dienst van de bank, zou langskomen om te helpen. [slachtoffer 2] moest inloggen op haar internetbankieren, waarna [persoon] verschillende handelingen verrichtte. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] meerdere malen haar pinpas in de SumUp-terminal geplaatst. Er hebben meerdere transacties plaatsgevonden vanaf het rekeningnummer van [slachtoffer 2] , waaronder drie betalingen van € 939,00 aan de [winkel 1] .

Met het voorgaande is vastgesteld dat de geldbedragen waarmee drie telefoons zijn gekocht afkomstig zijn van misdrijf namelijk de oplichting van [slachtoffer 2] .

Betrokkenheid en rol verdachte.

Op de camerabeelden van de twee [winkel 1] winkels is te zien dat verdachte en [medeverdachte 6] op 14 december 2023 drie iPhones (met een waarde van € 939,00 per stuk) op komen halen. Beiden nemen de iPhone(s) aan. Enkele uren later op diezelfde dag vindt er een chatgesprek plaats tussen verdachte en [medeverdachte 6] waaruit blijkt dat verdachte telefoons tegen een lagere prijs dan de verkoopprijs wil verkopen. De rechtbank wijst op de volgende berichten: “laten we zeggen 6 tellies” (de rechtbank begrijpt: telefoons), “waar je allemaal 2b verlies op draait”, “tot 250€”, “Dan is het dus die totaalbedrag”, “-1200 tot 1500”.

De rechtbank is van oordeel dat deze constructie precies past in een witwasconstructie waarbij telefoons die gekocht zijn met crimineel geld onder de marktwaarde worden verkocht met als doel de criminele herkomst van het geld te verhullen.


Het chatgesprek en het feit dat er drie telefoons zijn opgehaald strookt niet met de verklaring van verdachte dat hij dacht dat de telefoons voor de opa en oma van [medeverdachte 6] waren. De verklaring van verdachte acht de rechtbank daarom ongeloofwaardig.

Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat verdachte het geld heeft omgezet en de drie telefoons voorhanden heeft gehad, terwijl hij (in ieder geval) voorwaardelijk opzet heeft gehad op de omstandigheid dat de geldbedragen waarmee de telefoons zijn gekocht en dus ook de telefoons afkomstig waren uit misdrijf. Verdachte heeft het feit gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 6] . Daarom is ook het medeplegen bewezen.

Overboekingen via de rekeningen van verdachte.

In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen de overgemaakte geldbedragen van in totaal € 4.727,00 en een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs, waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Daarbij moeten de volgende stappen worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank zal het verwijt dat verdachte wordt gemaakt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen.

Uit het dossier is het volgende gebleken. In de periode van 11 december 2023 tot en met 29 december 2023 hebben er in totaal 113 voltooide betalingen plaatsgevonden via een SumUp-terminal. Deze SumUp-terminal was gekoppeld aan het account “ [gebruikersnaam] ”. Dit account stond op naam van [naam] , maar werd gebruikt door [medeverdachte 6] . Van die 113 voltooide betalingen zijn er 99 betalingen te herleiden naar aangiftes binnen het onderzoek Meike. In totaal ging dit om € 82.925,00.

Daarnaast valt uit het SumUp-rekeningnummer af te leiden dat er in nagenoeg dezelfde periode verschillende transacties zijn geweest van en naar rekeningnummers van verdachte. Allereerst is er € 400,00 van een Spaans rekeningnummer van verdachte bijgeschreven op het rekeningnummer van het SumUp-account. Daarnaast is er vanaf het rekeningnummer van het SumUp-account tweemaal een bedrag overgemaakt naar twee verschillende bankrekeningnummers van verdachte, te weten een Ierse en de Spaanse bankrekening. Het gaat om een bedrag van € 3.525,00 en € 802,00.

Op grond van deze omstandigheden, het feit dat noch uit het dossier noch uit de verklaring van verdachte blijkt waarop de overboekingen betrekking hebben en het feit dat het rondpompen van geld door veelvuldige overschrijvingen tussen verschillende rekeningen een bekende vorm van witwassen is, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van deze drie bedragen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van deze overboekingen, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand onwaarschijnlijk is.

Verklaring verdachte.

Verdachte heeft geen enkele verklaring afgelegd over de herkomst van de overboekingen, hij geeft enkel aan dat hij voor [medeverdachte 6] een paar bankrekeningen heeft geopend, maar verder niet wist wat daarmee gebeurde. Verdachte heeft dus niets concreets ingebracht tegen het vermoeden van witwassen. Hierdoor kan het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf waardoor het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Opzet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door voornoemde buitenlandse rekeningen zelf te openen, telkens als hij onder de hierboven geschetste omstandigheden geldbedragen van of naar zijn verschillende bankrekeningen stortte/liet storten/gestort kreeg en daarmee deze geldbedragen voorhanden had, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze van misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist (minst genomen in voorwaardelijke zin) dat dergelijke overboekingen een criminele herkomst zouden hebben. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte 6] volgens verdachte tegen hem had gezegd ‘dat het een trucje was, dat ze hem niet konden traceren en hij geen belasting hoefde te betalen.’ Door onder die omstandigheden de rekeningen te openen en betalingen te doen en te ontvangen, heeft verdachte bewust het risico genomen dat hij hiermee geld zou witwassen.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

Feit 2.

in of omstreeks de periode van 11 december 2023 tot en met 29 december 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten, dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 263 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 240 uren. De officier van justitie ziet geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn mee te wegen in de strafmaat. Het bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie bevindt zich in het digitale dossier.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring heeft de raadsman verzocht de straf te matigen. De rechtbank dient rekening te houden met de beperkte rol, de coöperatieve houding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast is sprake van een fors tijdsverloop.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen van in totaal bijna € 7.000,00. Verdachte heeft hierbij een actieve en faciliterende rol gehad door onder andere meerdere buitenlandse rekeningen te openen.
Hoewel verdachte wellicht niet precies op de hoogte was van de activiteiten van de criminele organisatie die vele oude mensen heeft opgelicht, blijkt wel duidelijk uit het dossier dat verdachte er geen enkel probleem mee had om anderen te faciliteren en te ondersteunen bij hun criminele plannen.

Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden en andere goederen wordt verhuld. Door de vermenging met legale goederen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft enkel gehandeld uit eigen financieel gewin. Ook dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Redelijke termijn

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn van berechting (twee jaar tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden) is aangevangen op 25 maart 2024, de dag van de inverzekeringstelling van verdachte. Gelet op de uitspraakdatum (4 november 2026) is de termijn met ruim een half jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding enige matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Op te leggen straf.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Daarnaast legt de rechtbank, gelet op het financiële karakter van het feit, een geldboete op van € 4.000,00.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Binnen het onderzoek Meike zijn verschillende vorderingen ingediend.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de volgende vorderingen, met toekenning van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd:

Benadeelde partij inzake Meike

Toewijsbaar bedrag

[slachtoffer 3]

€ 25.894,10

[slachtoffer 4]

€ 60,00

[slachtoffer 5]

€ 3.412,50

[slachtoffer 6]

€ 27.202,60

[slachtoffer 7]

€ 1.740,30

[slachtoffer 8]

€ 400,00

[slachtoffer 9]

€ 1.095,00

[slachtoffer 10]

€ 1.500,00

[slachtoffer 11]

€ 2.000,00

[slachtoffer 12]

€ 1.700,00

[slachtoffer 13]

€ 31.165,00

[slachtoffer 14]

€ 2.500,00

[slachtoffer 15]

€ 1.400,00

[slachtoffer 16]

€ 6.950,00

[slachtoffer 17]

€ 4.900,00

[slachtoffer 18]

€ 2.800,00

[slachtoffer 19]

€ 1.500,00

Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor deze vorderingen vanwege de gevraagde bewezenverklaring van feit 1 (criminele organisatie). De vorderingen van de overige benadeelde partijen moeten worden afgewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Ook subsidiair heeft de raadsman bepleit dat alle vorderingen moeten worden afgewezen aangezien er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de gedragingen van verdachte en de schade en/of de schade onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de vordering van de [slachtoffer 6]

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, het volgende bedrag, te weten € 2.817,00 (drie keer € 939,00) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (14 december 2023) tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Er bestaat namelijk onvoldoende verband tussen het bewezenverklaarde witwassen en de overige door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit waarvoor een schadevergoeding wordt toegewezen samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader [medeverdachte 6] samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor deze totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag (€ 2.817,00) tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (14 december 2023) tot de dag der algehele voldoening.

Overige vorderingen.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde witwassen en de door de benadeelde partijen gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden.

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] , [slachtoffer 27] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 30] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 32] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] dan ook niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.

De benadeelde partijen kunnen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Omdat aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade zijn opgelegd, is hij van zijn betalingsverplichting bevrijd als hij aan één van beide heeft voldaan.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon (G2189762) vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit een voorwerp is met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan of voorbereid. Met deze telefoon zijn door verdachte namelijk berichten gestuurd die zien op het witwassen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht

DE UITSPRAAK

Vrijspraak

Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder feit 1 aan hem is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 2: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Straf.

Legt op de volgende straffen:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Een geldboete van 4.000,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 40 dagen.

t.a.v. feit 2:

Beslissing over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan bovengenoemd benadeelde partij, van een bedrag van 2.817,00 euro. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader [medeverdachte 6] is betaald.

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van bovengenoemd benadeelde partij van een bedrag van 2.817,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit toegewezen schadebedrag betreft een materieel schadebedrag.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] , [slachtoffer 27] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 30] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 32] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 19] .

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen slechts bij de burgerlijk rechter kunnen aanbrengen.

Omdat aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade zijn opgelegd, is hij van zijn betalingsverplichting bevrijd als hij aan één van beide heeft voldaan.

Beslissing over de in beslag genomen voorwerpen.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen telefoon met goednummer G2189762.

Voorlopige hechtenis.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden. De voorlopige hechtenis was reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,

en is uitgesproken op 4 november 2026.