Strafrecht overig
Veroordeling voor drie woninginbraken. Schakelbewijs. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een…
Rechtbank Midden-Nederland, 4 november 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7856 · Rechtbank Midden-Nederland · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7856
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 16/351208-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7856
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor drie woninginbraken. Schakelbewijs. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met bijzondere voorwaarden. Beslissing op beslag. Beslissing op vorderingen BP (één gedeeltelijk toegewezen, de ander NO).
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/351208-25
Tegenspraak (art. 279 Wetboek van Strafvordering)
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de officier van justitie: mr. L. Jansen;
-
de uitdrukkelijk gemachtigde advocaat van de verdachte: mr. A.J. Admiraal (hierna: de advocaat);
-
de benadeelde partij: [benadeelde 1] , bijgestaan door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland;
-
de benadeelde partij: [benadeelde 2] .
-
de deskundige H. Mezgouti, jeugdreclasseerder van William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 25 december 2025 in [woonplaats] , samen met een of meer anderen, heeft ingebroken in de woning aan de [adres 2] en sieraden, een eremedaille, een geldbedrag en een doosje met munten van [benadeelde 3] heeft gestolen;
feit 2 primair
in de periode van 24 tot en met 25 december 2025 in [woonplaats] heeft ingebroken in de woning aan de [adres 3] en een (wapen)kluis en diverse zilveren voorwerpen van [benadeelde 1] heeft gestolen;
feit 2 subsidiair
in de periode van 24 tot en met 25 december 2025 in Lelystad diverse zilveren voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat ze van een misdrijf afkomstig waren;
feit 3
in de periode van 3 tot en met 9 december 2025 in [woonplaats] heeft ingebroken in de woning aan [adres 4] en sieraden en een geldbedrag van [benadeelde 2] heeft gestolen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 subsidiair en 3 heeft gepleegd en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 primair.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 1. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2 en 3.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1 is bewezen. De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
-
een proces-verbaal verhoor verdachte in raadkamer van 22 januari 2026, los bijgevoegd, houdende de bekennende verklaring van verdachte;
-
een proces-verbaal van aangifte van 26 december 2025, genummerd PL0900-2025440209-41, pagina 14 e.v., houdende de verklaring van [getuige 1] namens [benadeelde 3] ;
-
een proces-verbaal forensisch onderzoek woning van 26 december 2025, genummerd PL0900-2025440209-55, pagina 47 e.v.;
-
een proces-verbaal van verhoor getuige van 25 december 2026, genummerd PL0900-2025440209-35, pagina 57 e.v., houdende de verklaring van [getuige 2] .
Bewijsmiddelen
De rechtbank is voorts van oordeel dat ook de feiten 2 primair en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de inhoud van de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen feit 3
De advocaat voert aan dat de camerabeelden en stills op grond waarvan de verbalisanten de verdachte hebben herkend van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning op te baseren. Aangezien er geen ander bewijs voorhanden is waaruit volgt dat het de verdachte is geweest die de woninginbraak heeft gepleegd moet hij volgens de advocaat worden vrijgesproken van feit 3.
De rechtbank overweegt dat van de persoon die de inbraak op 8 december 2025 in de woning aan [adres 4] te [woonplaats] heeft gepleegd beeldopnamen zijn gemaakt. De stills van die beelden bevinden zich in het procesdossier. Door verbalisant [verbalisant 1] is verdachte herkend als de persoon die op deze beelden is te zien. Daarnaast is de verdachte door verbalisant [verbalisant 2] herkend op een still van die camerabeelden. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de camerabeelden van voldoende kwaliteit zijn voor een betrouwbare herkenning. Daartoe overweegt de rechtbank dat de specifieke kenmerken waarop de verbalisanten hun herkenning baseren, ook door de rechtbank op het beeldmateriaal zijn waargenomen. Zo komen de jas en de handschoenen die de persoon op de beelden draagt, duidelijk zichtbaar, overeen met de kleding die verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding op heterdaad op 25 december 2025 (feit 1). Voorts beschrijven de verbalisanten de verdachte te herkennen aan specifieke persoonskenmerken zoals zijn snorretje, dikke zwarte wenkbrauwen en krullend haar. De rechtbank constateert dat op de foto op pagina 183 een donkere streep waarneembaar is die gelijkenis vertoont met het snorretje van verdachte.
Gelet op de combinatie van genoemde kleding en dit specifieke gezichtskenmerk komt de rechtbank tot het oordeel dat de herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar zijn voor de overtuiging dat verdachte ook feit 3 heeft begaan.
Bewijsoverwegingen feit 2 primair
De rechtbank overweegt dat de in de nacht van 24 op 25 december 2025 uit de woning aan de [adres 3] weggenomen goederen op 26 december 2025 zijn aangetroffen in de schuur van de woning waar de verdachte verbleef. De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van deze goederen in zijn schuur.
De rechtbank overweegt voorts dat er sterke overeenkomsten zijn tussen de woninginbraak van feit 2 en de woninginbraken van feiten 1 en 3. Bij alle inbraken zijn de woningen volledig overhoop gehaald en zijn sieraden en soortgelijke voorwerpen zoals horloges en munten weggenomen. Bovendien heeft de dader bij de inbraken van feit 2 en feit 3 zich toegang verschaft tot de woning door een raam in te gooien met een steen. Daar komt bij dat de inbraken van feit 1 en feit 2 op of rond dezelfde datum hebben plaatsgevonden in woningen in dezelfde straat terwijl de inbraak van feit 3 kort daarvoor heeft plaatsgevonden.
De hiervoor omschreven omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank redengevend voor de overtuiging dat verdachte ook de onder 2 ten laste gelegde woninginbraak heeft begaan. De rechtbank komt dan ook, anders dan de officier van justitie en de verdediging, tot het oordeel dat feit 2 primair wettig en overtuigend is bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 25 december 2025 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning, te weten in de woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, sieraden, een eremedaille, een geldbedrag en een doosje met munten die aan [benadeelde 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
feit 2 primair
in de periode van 24 tot en met 25 december 2025 te [woonplaats] , in een woning, te weten in een woning gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een wapenkluis en diverse zilveren voorwerpen die aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 3
op 8 december 2025 te [woonplaats] , in een woning, te weten in de woning gelegen aan [adres 4] te [woonplaats] , alwaar verdachte en zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en een geldbedrag die aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
feit 2 primair en feit 3, telkens:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek, dagbesteding en het geven van inzicht in de financiële situatie.
De officier van justitie eist daarnaast opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de oplegging van een lange gevangenisstraf geen meerwaarde zal hebben en dat moet worden ingezet op hulpverlening en begeleiding om de verdachte op het rechte spoor te krijgen. De advocaat acht de jeugdreclassering hiervoor de aangewezen instantie. De advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 57 dagen voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De advocaat voert verder aan dat artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is en verzoekt de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in korte tijd in drie woningen ingebroken, daarbij goederen gestolen en de privacy van de bewoners in ernstige mate geschonden. Dit zijn ernstige feiten. Naast financiële schade leiden woninginbraken tot gevoelens van angst en onveiligheid, met name bij de slachtoffers en hun directe omgeving. Voor de bewoners is het bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een onbevoegde persoon in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Dit kan ertoe leiden dat een woninginbraak nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgt. Maar ook meer in het algemeen zorgen dit soort feiten voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft door zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor de privacy en eigendommen van anderen. Daarnaast neemt de rechtbank het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat twee van de inbraken plaats vonden tijdens Kerstmis.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt naar het strafblad van de verdachte van 9 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten als de onderhavige.
De rechtbank houdt ook rekening met het rapport van Reclassering Nederland van 13 oktober 2026. Uit dit rapport volgt dat de reclassering geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte. De verdachte is opnieuw in aanraking gekomen met de politie en lijkt op de vlucht te zijn.
De reclassering ziet het antisociale netwerk waar de verdachte zich in bevindt als grootste zorg. De verdachte leek hiervan afstand te hebben genomen, maar de onderhavige verdenking en zijn recente contact met de politie wekken een andere indruk. Doordat de verdachte geen openheid geeft over de onderhavige verdenking heeft de reclassering geen antwoord op de vraag of zijn psychosociaal functioneren van invloed is geweest op het delict gedrag. De verdachte stond ten tijde van de onderhavige verdenking reeds onder toezicht van de reclassering. Dit heeft recidive niet kunnen voorkomen. De verdachte leek goed mee te werken met het reclasseringstoezicht maar ging ondertussen heimelijk door met delictgedag. Bij de reclassering bestaan grote vraagtekens bij de meerwaarde van reclasseringstoezicht, nu hij voor de tweede keer wordt in aanraking is gekomen met de politie terwijl hij onder toezicht staat van de reclassering. Diagnostisch onderzoek en behandeling worden noodzakelijk geacht om beter zicht te krijgen op onderliggende problematiek en de mogelijkheden voor recidivebeperking.
De reclassering kan op basis van de beschikbare informatie niet adviseren over de toepassing van jeugdstrafrecht.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden dezelfde voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit betreft een meldplicht bij de reclassering, behandeling gericht op diagnostisch onderzoek en de daaruit volgende problematiek, dagbesteding, begeleiding door Nova Forte Zorg, het geven van inzicht in zijn financiën en meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.
Strafkader
De verdachte was tijdens het plegen van de feiten 20 jaar oud. Het uitgangspunt is dan dat het volwassenenstrafrecht aan de orde is. De rechtbank heeft bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar echter de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van de verdachte zelf of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, daar aanleiding voor geven. Gelet op de persoon van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en uit hetgeen over hem verder naar voren is gekomen, alsmede de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De rechtbank houdt echter wel, in strafmatigende zin, rekening met de leeftijd van de verdachte en zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De rechtbank houdt er bij het bepalen van de op te leggen straf verder rekening mee dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem is gesteld doordat hij zich na het beëindigen van elektronische monitoring niet alleen heeft onttrokken aan het reclasseringstoezicht, maar ook deze strafbare feiten heeft gepleegd.
De rechtbank zal daarom een proeftijd van drie jaar bepalen. Een langere proeftijd is nodig om een gedragsverandering bij de verdachte te kunnen bewerkstelligen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de omstandigheid dat de verdachte kennelijk hardleers is, nu hij de onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens een proeftijd en hij zich niet aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.
Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank er ook rekening mee dat de verdachte, na het plegen van de bewezenverklaarde feiten, op 12 juni 2026 voor meerdere vermogensdelicten is veroordeeld tot een jeugddetentie en een werkstraf. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin de verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.
De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing van 22 oktober 2026 het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven omdat de verdachte, onder meer door zich te onttrekken aan het toezicht van de reclassering en bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak niet ter terechtzitting te verschijnen, de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis overtreden. Gelet op de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt is artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering niet aan de orde.
6 In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de in beslag genomen inbrekerswerktuigen worden onttrokken aan het verkeer, dat de in beslag genomen kleding verbeurd wordt verklaard en dat de teruggave aan de rechthebbende wordt gelast van de in beslag genomen auto en het slot.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank de eis van de officier van justitie te volgen.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- 2 STK Schoeisel (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641441);
- 2 STK Handschoen (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641442);
- 1 STK Plasticzakje (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641850);
- 1 STK Schroevendraaier (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641852);
- 1 STK Schroevendraaier (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641853);
- 1 STK Breekijzer (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641851);
- 1 STK Jas (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641483),
verbeurd verklaren.
Met behulp van deze voorwerpen is het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan.
Teruggave aan de rechthebbenden
De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- 1 STK Personenauto (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3420156) aan de rechthebbende, te weten [A] , zijnde de moeder van de verdachte;
en
- 1 STK Slot (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641864) aan de rechthebbende, te weten [benadeelde 3] , zijnde de eigenaar van de woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] .
7 Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.505,52 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade.
De materiële schade bestaat in de volgende onderdelen:
-
Gestolen sieraden en juwelen: € 2.105,52;
-
Eigen risico Woonhuis Standaard: € 200,00;
-
Eigen risico Inboedel Standaard: € 200,00.
[benadeelde 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 41.201,50 voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
-
Totale verlies: € 35.495;
-
weken niet gewerkt [benadeelde 2] : € 1.591,00;
-
2 weken niet gewerkt [B] : € 2.615,50;
-
Niet kunnen slapen wekenlang: € 1.500,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gehele toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 22.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van benadeelde partij in de vordering voor het overige.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen, gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak voor feit 2 en feit 3.
Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat bij een bewezenverklaring van feit 2 subsidiair de schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd in een te ver verwijderd verband staat tot het feit.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] verzoekt de advocaat subsidiair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde 1]
De vordering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vordering daarom geheel toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 25 december 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
[benadeelde 2]
De advocaat heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de benadeelde partij gelegen om het bestaan van deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met aankoopbewijzen, taxatierapporten of andere documenten waaruit de schade volgt. Dat is niet gebeurd. Zonder deze nadere stukken is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en niet kan worden toegewezen. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
8 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf, maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat de veroordeelde:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
* zich binnen drie werkdagen na onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland te Utrecht zal melden, en zich zal blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* zich onder ambulante behandeling zal stellen van een door de reclassering te bepalen zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan diagnostisch onderzoek, door een door de reclassering te bepalen zorginstelling;
* zich zal inspannen voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding in de vorm van (on)betaald werk en/of scholing en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur, over welke dagbesteding veroordeelde openheid zal geven aan de reclassering;
* de reclassering inzicht zal geven in zijn financiën en zich laat begeleiden op financieel gebied, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* de reclassering inzicht zal geven in zijn sociaal netwerk.
- waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
-
2 STK Schoeisel (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641441);
-
2 STK Handschoen (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641442);
-
1 STK Plasticzakje (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641850);
-
1 STK Schroevendraaier (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641852);
-
1 STK Schroevendraaier (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641853);
-
1 STK Breekijzer (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641851);
-
1 STK Jas (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641483).
- gelast de teruggave van de volgende voorwerpen:
-
1 STK Personenauto (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3420156) aan de rechthebbende, te weten [A] (moeder van de verdachte);
-
1 STK Slot (voorwerpnummer PL0900-2025440209-3641864) aan de rechthebbende, te weten [benadeelde 3] .
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2)
- wijst de vordering van [benadeelde 1] geheel toe tot een bedrag van € 2.505,52, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 2.505,52 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling waarvan 25 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2]
- verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat diens vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.D.M. Osinga, voorzitter, mr. J.T. Pouw en mr. P.C. Quak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2026.
Mr. Quak is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 25 december 2025 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten in de woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden, een eremedaille, een geldbedrag en/of een doosje met munten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
2
hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 25 december 2025 te [woonplaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten in een woning gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een (wapen)kluis en/of diverse zilveren voorwerpen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 25 december 2025 te Lelystad, diverse zilveren voorwerpen, althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3
hij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 9 december 2025 te [woonplaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten in de woning gelegen aan [adres 4] te [woonplaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feit 2 primair
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 25 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon samen met mijn vrouw aan de [adres 3] te [woonplaats] . Op 24 december 2025 omstreeks 16.00 uur hebben mijn vrouw en ik onze woning verlaten. Op 25 december 2025 omstreeks 11.30 uur kwamen we weer bij onze woning. Ik zag direct dat de tuindeur aan de zijkant van de tuin open stond. Ik liep naar de achterdeur. Hier zag ik direct schade aan de onderzijde van de kunststoffen achterdeur. Toen ik in de woonkamer kwam zag ik direct dat er was ingebroken. Ik zag dat de kast in de woonkamer open stond. Ik liep naar de eerste verdieping en zag dat de drie kamers op de eerste verdieping volledig overhoop lagen. Ik liep naar de badkamer aan de voorzijde en zag dat het raam van de badkamer kapot was. Ik zag dat er glas op de grond lag, later hoorde ik van de politie dat er een grote steen op de grond van de badkamer lag. Ik liep naar de kamer aan de achterzijde op de eerste verdieping, hier staat mijn wapenkluis. Ik zag dat de kluis weg was.
Verder zat in deze kluis een boekje met wachtwoorden en ongeveer 500 euro aan contant geld. Er zaten ook verschillende waaronder:
-Zilveren knottekistje met zilveren guldens en rijksdaalders;
-Zilveren tabaksdoosje met Indische motieven;
-Zilveren lepeldoos met een rode fluwelen binnenvoering;
Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning van 2 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 december 2025 kwam ik aan op de locatie [adres 3] , [woonplaats] . Ik zag aan de achterzijde van de woning, op de begane grond, een huiskamerdeur met braakschade in de sluitnaad van, waarschijnlijk, een schroevendraaier.
Ik zag aan de voorzijde van de woning, op de eerste verdieping, een badkamerraam met een kapotte ruit. De daders waren via dit raam de woning binnengeklommen door gebruik te maken van het platte dak onder dit raam. Ik zag de steen liggen, op de badkamervloer, waarmee de ruit waarschijnlijk was ingegooid.
Een proces-verbaal van bevindingen van 26 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie staat [verdachte] ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] . Op vrijdag 26 december 2025 traden wij, verbalisanten, binnen in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] .
Wij, verbalisanten, vervolgden het onderzoek in de schuur welke zich, los van de woning, in de achtertuin bevond. Wij, verbalisanten, zagen dat er in de schuur een boodschappentas stond welke aan de bovenzijde open was. Wij zagen direct en voor het blote oog zichtbaar dat hier een plastic zak in zat welke gevuld was met zilveren voorwerpen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 26 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 december 2025 werd in de schuur van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] een boodschappentas een plastic tas aangetroffen met zilveren voorwerpen. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , heb foto's van deze goederen getoond aan aangever [benadeelde 1] . Ik, verbalisant [verbalisant 3] , hoorde dat [benadeelde 1] zei dat hij deze zilveren spullen volledig herkende als zijn eigendommen die in de kluis zaten.
Bewijsmiddelen feit 3
Een proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2] van 9 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 december 2025 heb ik mijn woning onbeschadigd en afgesloten achter gelaten. Op 9 december 2025 kwamen wij terug van onze vakantie. Bij het betreden van mijn woning zag ik in de hal dat er spullen op de grond lagen die wij daar niet hebben neergelegd. Ik ben toen vervolgens de woonkamer ingelopen. Daar zag ik dat de woonkamer helemaal overhoop was gehaald. In de woonkamer zag ik dat het raam in de achterdeur eruit lag. Ik zag twee stenen op de vloer liggen. Vermoedelijk is het raam in de achterdeur vernield met deze stenen. Vervolgens ben ik naar boven gelopen. Daar zag ik dat alle kamers overhoop waren gehaald. Vervolgens zag ik dat een doos waar mijn sieraden in zaten weg was. Ook zag ik dat een drietal dure horloges wegwaren. Ook had ik contant geld op die kamer liggen wat ook weg was genomen. Er is voor ongeveer een bedrag van 24.000 euro aan contant geld en sieraden weggenomen. Het contant geld betreft een bedrag van 1500 euro aan 50 eurobiljetten. 1500 euro aan muntgeld. De horloges en de sieraden hadden gezamenlijke waarde van ongeveer 21.000 euro. De horloges alsmede het geld en sieraden lagen in de kledingkast op onze slaapkamer.
Een proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 9 december was ik op de [adres 4] te [woonplaats] ter zake een gepleegde woninginbraak. Tijdens het opnemen van de aangifte werd ik aangesproken door een buurvrouw die mij opgaf te zijn, [getuige 3] , van perceel [huisnummer] dat ze van zondag 7 op 8 december 2025, omstreeks middernacht een harde klap had gehoord bij de buren van perceel [huisnummer] .
Ik, verbalisant, zag dat de woning van aangever [benadeelde 2] helemaal overhoop was gehaald. Ik zag dat bijna alles was doorzocht.
Een proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 12 december 2025 zag ik een briefings-slide van een aandachtvestiging vanuit het basisteam Lelystad/Zeewolde. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie
Tussen woensdag 3 december 2025 en dinsdag 9 december 2025 heeft er een woninginbraak plaatsgevonden aan [adres 4] te [woonplaats] .
De aandachtvestiging bevatte 1 still van videobeelden.
De persoon op still 1 herken ik als:
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [voornamen]
Geboren : [2005]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Ik herkende de persoon aan het geheel van kenmerken, waaronder zijn huidskleur, leeftijd, snor, vorm van wenkbrauwen, The North Face jas, de grijze werkhandschoenen.
Een proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 28 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van een gepleegde woninginbraak aan [adres 4] te [woonplaats] werd een herkenning gevraagd van een persoon.
De aandachtvestiging bevatte 1 videofilmpje.
- videofilmpje [still]
De persoon op videofilmpje [still] en de persoon op still 1 herken ik als:
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [voornamen]
Geboren : [2005]
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken.
Ik herkende hem aan zijn snor, lichaamsbouw en leeftijd. Daarnaast herkende ik de persoon aan zijn kleding. Tijdens de aanhouding op 25 december 2025 om 21:40 uur droeg de persoon hetzelfde zwarte jasje van het merk The North Face en hij droeg dezelfde handschoenen.