Strafrecht overig

Verdachte heeft rond zijn dertigste levensjaar gedurende ongeveer anderhalf jaar een seksuele relatie gehad…

Rechtbank Limburg, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
22 juli 2026
Zaaknummer
03.001270.26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:7405
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft rond zijn dertigste levensjaar gedurende ongeveer anderhalf jaar een seksuele relatie gehad met een meisje in de leeftijd van 14 tot en met 16 jaar oud. Zij was werkzaam in het bedrijf van de verdachte en als oppas voor zijn kind. Veroordeling voor verkrachting van een aan de verdachte ondergeschikt kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren en zestien tot achttien jaren. Oplegging gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, en een separaat contact- en locatieverbod (38v). Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/001270-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ,

nu gedetineerd in [PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.A.L.C. van Putten, advocaat in Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 juli 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[naam] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. L.C.J. Schobbers, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. L.M.E. Kleczewski, beiden advocaat in Venlo. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1

in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 december 2025 [naam] , een kind tussen de twaalf en zestien jaren, die ondergeschikt aan hem was, heeft verkracht;

feit 2

in de periode van 9 december 2025 tot en met 3 januari 2026 [naam] , een kind tussen de zestien en achttien jaren, die ondergeschikt aan hem was, heeft verkracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van [naam] en de verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde ondergeschiktheid van [naam] aan de verdachte. [naam] werkte weliswaar bij het bedrijf waar de verdachte medeoprichter van is, maar dat maakt hem nog niet tot direct leidinggevende van [naam] . Ook het feit dat [naam] soms oppaste op het dochtertje van de verdachte maakt haar niet ondergeschikt aan hem. Bij de scouting heeft hij evenmin rechtstreeks verantwoordelijkheid gehad over [naam] .

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Omdat de verdachte ten aanzien van deze feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen.

Feiten 1 en 2

  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 juli 2026;

  • het proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 januari 2026;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2026;

- het proces-verbaal van verhoor [naam] van 9 januari 2026;

- het proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2026.

Ondergeschikt?

Met het begrip ‘ondergeschikt kind’ als bedoeld in de Wet seksuele misdrijven doelt de wetgever op het bestaan van een arbeidsrelatie waarin de dader een leidinggevende positie uitoefent ten opzichte van het jeugdige slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van ondergeschiktheid. Uit de verklaring van de verdachte bij de politie is af te leiden dat hij begin 2025 door een vriend werd benaderd om samen een logistiek bedrijf te starten. Kort nadat beiden daarmee begonnen, is [naam] bij dit bedrijf komen werken. De verdachte heeft zelf ter terechtzitting van 9 april 2026 verklaard dat hij bij dit bedrijf in principe haar direct leidinggevende is geweest. Daarnaast paste [naam] in de onder feit 2 tenlastegelegde periode tevens op het dochtertje van de verdachte waar zij voor werd betaald. Ook dat kan onder het begrip arbeidsrelatie worden geschaard, zij het op een informelere manier. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1

op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 december 2025 in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a, omschreven omstandigheid, te weten jegens een aan verdachte ondergeschikt kind;

feit 2

op meer tijdstippen in de periode van 9 december 2025 tot en met 3 januari 2026 in Nederland, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [naam] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl dit feit werd begaan jegens een aan verdachte ondergeschikt kind.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1

verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een aan diegene ondergeschikt kind, meermalen gepleegd;

feit 2

verkrachting in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, begaan jegens een aan diegene ondergeschikt kind, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een contactverbod met [naam] en een locatieverbod voor Belfeld op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren, met 2 weken vervangende hechtenis per overtreding en een maximum van 6 maanden (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht te volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel van gelijke duur is als de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf en/of maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zo’n anderhalf jaar lang een seksuele verhouding gehad met [naam] , een minderjarig meisje. De seksuele handelingen begonnen toen zij veertien jaar was, terwijl de verdachte op dat moment zelf negenentwintig was. Dit misbruik eindigde pas anderhalf jaar later, op 3 januari 2026, toen [naam] door haar ouders als vermist werd opgegeven en in de werkbus van de verdachte werd aangetroffen waar zij kort daarvoor seks met de verdachte had gehad.

Het misbruik kent een lange aanloop. De verdachte leerde [naam] kennen via scouting. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte het contact met haar bleef opzoeken, ook nadat hij naar eigen zeggen door collega’s van de scouting werd gewaarschuwd om een passende afstand te behouden. Desondanks ging de verdachte in zijn contacten met [naam] telkens een stapje verder, van telefonisch contact naar persoonlijke ontmoetingen hetgeen al snel resulteerde in seksueel contact. In die periode ging [naam] werken voor het bedrijf van de verdachte en werd later ook de oppas van het dochtertje van de verdachte. De verdachte wist naar eigen zeggen dat wat hij deed fout was en is op geraffineerde wijze te werk gegaan om te zorgen dat niemand op de hoogte zou raken van het misbruik. Zo verstopte hij de telefoon van [naam] tussen pallets op het werk om de schijn op te houden dat zij op het werk was, terwijl hij in werkelijkheid op een andere locatie seks met haar had. Dit deed de verdachte ook op 3 januari 2026, de dag dat zij werd vermist. De moeder van [naam] heeft de verdachte toen nog ongerust gebeld met de vraag of hij wist waar haar dochter was. Hij hield zich van de domme, terwijl [naam] naast hem in de auto zat. Tot op het laatste moment heeft de verdachte het misbruik willen verhullen.

De verdachte heeft de feiten bekend, spijt betuigd en te kennen gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hier staat echter tegenover dat hij blijft benadrukken dat de seks vrijwillig was, het voelde als een gelijkwaardige relatie en hij meermalen heeft geprobeerd om afstand van [naam] te nemen. Voor de strafbaarstelling doet dit er niet toe: seksueel contact met een kind onder de zestien jaren en, onder omstandigheden, tussen de zestien en achttien jaren, is strafbaar. Daarnaast legt de verdachte met dergelijke uitlatingen de verantwoordelijkheid bij [naam] en miskent daarmee het schadelijke van zijn eigen handelen. Deze indruk wordt nog eens versterkt wanneer de verdachte zijn afkeur uitspreekt over een andere volwassen man die dickpics naar [naam] zou hebben gestuurd. Deze persoon zou slechte intenties hebben, terwijl de verdachte naar eigen zeggen altijd goed voor haar is geweest. De verdachte lijkt het laakbare van zijn handelen dan ook onvoldoende in te zien.

Ook de reclassering ziet dat de verdachte nog veel stappen te zetten heeft. Enerzijds zegt hij te beseffen dat hij schade heeft aangericht, anderzijds is hij nog steeds van mening dat er sprake was van liefdevol contact. Het risico op herhaling van een seksueel delict wordt ingeschat als gemiddeld en geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling onder andere gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en een contact- en locatieverbod om het risico op herhaling in te perken en de verdachte op afstand van [naam] en haar omgeving te houden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling. Omdat een dergelijke behandeling, mede gelet op de houding van verdachte, de nodige tijd in beslag zal nemen, zal de rechtbank de proeftijd op 3 jaar bepalen. Het voorwaardelijk strafdeel dient als forse stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank acht heeft geslagen op straffen in min of meer vergelijkbare zaken.

De rechtbank zal als extra waarborg een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De verdachte lijkt [naam] maar niet los te kunnen laten, hetgeen hij zelf ook ter zitting heeft erkend. De reclassering noemt het een punt van aandacht dat de verdachte het idee moet loslaten dat hij voor haar moet zorgen. [naam] zal daarom tegen verdachte beschermd moeten worden. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [naam] en een locatieverbod voor Belfeld. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 3 jaren. Voor elke keer dat de verdachte één van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van 2 weken worden opgelegd tot een maximale duur van 6 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam] heeft een schadevergoeding gevorderd van 18.122,11 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

  1. reiskosten: 122,11 euro

  2. toekomstige materiële schade: 1.000 euro

  3. immateriële schade: 13.000 euro

  4. toekomstige immateriële schade: 4.000 euro

De benadeelde heeft verzocht om de toekomstige schade, in totaal 5.000 euro, nu niet-ontvankelijk te verklaren, zodat zij die in een eventueel hoger beroep nader kan toelichten.

De benadeelde heeft verzocht het resterende bedrag, 13.122,11 euro, toe te wijzen met vermeerdering van de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het gevorderde bedrag aan toekomstige schade af te wijzen en voor de hoogte van de immateriële schade aansluiting te zoeken bij de onder verkrachting genoemde categorie ‘tamelijk ernstig’ van de Rotterdamse Schaal, waardoor maximaal een bedrag tot 7.500 euro kan worden toegewezen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreekse schade is toegebracht. De gevorderde reiskosten zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank wijst dit bedrag, 122,11 euro, volledig toe.

De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen. De rechtbank acht dan een vergoeding van 7.500 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde (5.500 euro) is onvoldoende onderbouwd en de benadeelde zal daarvoor niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij, conform haar verzoek, niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade (in totaal 5.000 euro).

Samenvattend: de rechtbank acht de gevorderde schade toewijsbaar tot een bedrag van 7.622,11 euro, bestaande uit 122,11 euro aan materiële schade en 7,500 euro aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 245, 246, 248 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij:

  1. zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd telefonisch tussen 09:00 uur en 12:00 uur meldt bij Reclassering Nederland via het telefoonnummer 088-8041504 (Eekbrouwersweg 6 te 's-Hertogenbosch). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Rooyse Wissel (Forensische polikliniek) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek;

  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Vrijheidsbeperkende maatregel (contact- en locatieverbod)

- legt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op en beveelt de verdachte dat hij zich voor de duur van 3 jaren:

  1. onthoudt van – direct of indirect – contact met [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;

  2. niet bevindt in Belfeld;

- beveelt dat vervangende hechtenis van 2 weken wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel (t.a.v. feiten 1 en 2)

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam], van een bedrag van 7.622,11 euro, bestaande uit 122,11 euro aan materiële schade en 7.500 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
    [naam] , van een bedrag van 7.622,11 euro, bestaande uit 122,11 euro aan materiële schade en 7,500 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 december 2025 in de gemeente Venlo en/of Weert, althans in Nederland,

met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam]

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht,

terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a, omschreven omstandigheid, te weten jegens een aan verdachte ondergeschikt kind;

feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 december 2025 tot en met 3 januari 2026 in de gemeente Venlo, althans in Nederland,

met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [naam] ,

een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht,

terwijl dit feit werd begaan jegens een aan verdachte ondergeschikt kind;

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer 2026001331, gesloten op 4 mei 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 135. Pagina 104. Pagina 3. Pagina 25 tot en met 37. Pagina 42.