Strafrecht overig
De verdachte heeft in januari 2025 samen met anderen geprobeerd om spullen uit een woning te stelen. Toen het…
Rechtbank Limburg, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:7736 · Rechtbank Limburg · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2026-7736
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 03.030784.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:7736
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft in januari 2025 samen met anderen geprobeerd om spullen uit een woning te stelen. Toen het slachtoffer onverwachts thuis bleek te zijn renden ze weg. Het slachtoffer kwam naar buiten en rende achter de verdachte en haar partner aan. Er ontstond een vechtpartij waarbij het slachtoffer geweld gebruikte tegen (met name) de partner van verdachte, die er niet in slaagde hieraan te ontsnappen. De verdachte probeerde haar partner te ontzetten en heeft het slachtoffer éénmaal in de rug gestoken met een mes. De rechtbank honoreert het beroep op noodweer, acht de bewezenverklaarde poging tot doodslag niet strafbaar en zal de verdachte ter zake hiervan ontslaan van alle rechtsvervolging. Voor de poging tot diefstal legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 79 dagen voorwaardelijk. Voor het dragen van het mes legt de rechtbank aan de verdachte een geldboete van 240 euro op. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/030784-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te Sittard op [geboorte datum] 1999,
wonende te [woonplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.M. van Venrooij-Nieuwenhuis, advocaat te Landgraaf.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 juli 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is [jurist] , werkzaam als jurist bij Slachtofferhulp Nederland, op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 28 januari 2025 te Geleen:
feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden (primair) dan wel heeft geprobeerd hem zwaar te verwonden door hem met een mes in de rug te steken (subsidiair);
feit 2: een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie heeft gedragen;
feit 3: samen met anderen heeft geprobeerd om (een) goed(eren) uit de woning van [slachtoffer] te stelen.
3 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 januari 2025 samen met anderen heeft geprobeerd om goederen weg te nemen uit de woning van [slachtoffer] (feit 3). Daartoe heeft hij verwezen naar de aangifte, de verklaring van de verdachte en de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Ook acht hij bewezen dat de verdachte diezelfde dag een mes op de wijze zoals tenlastegelegd heeft gedragen (feit 2) en dat zij [slachtoffer] met dat mes heeft gestoken in zijn rug. Door het mes met behoorlijke kracht in de rug van [slachtoffer] te steken, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood zou intreden. Daarmee kan ook de tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag omdat de verdachte daartoe geen opzet, in welke zin dan ook, heeft gehad. De subsidiair tenlastegelegde variant kan volgens de raadsvrouw wel wettig en overtuigend worden bewezen. De raadsvrouw heeft zich verder ten aanzien van het bewijs voor het dragen van het mes en de poging tot diefstal in vereniging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en daarbij opgemerkt dat de medeverdachte [medeverdachte 2] de enige was die een deel van zijn gezicht had bedekt met een sjaal. Van een gewapende en gemaskerde overval was volgens de raadsvrouw daarom geen sprake.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Bewijsmiddelen
De aangifte van [slachtoffer] vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:
Vandaag, 27 januari 2025, was ik in mijn woning aan [plaats delict] in Geleen. Ik hoorde de deurbel van mijn voordeur. Dit gebeurde op 28 januari 2025 omstreeks 00:10 uur. Ik keek door het keukenraam naar buiten. Ik zag daar voor mijn voordeur een man met een zwarte muts/capuchon en een zwarte sjaal voor de mond. Ik zag dat hij wegrende. Ik wilde weten wie dit was en waarom hij op dit tijdstip aanbelde. Daarom ging ik naar buiten en rende ik hem achterna. Toen we buiten de flat stonden, ter hoogte van de garagepoort, had ik hem ingehaald en gaf ik hem een duw, waardoor hij viel. Ik herkende deze persoon als [medeverdachte 2] . Toen ik [medeverdachte 2] die duw gaf, vloog [verdachte] mij aan. Ik zag dat ze vanuit de richting van de laadpalen kwam. Er werden onderling klappen uitgedeeld. Ik ging tekeer als een rambo. Toen kwam [medeverdachte 1] erbij. Ik hoorde dat hij tegen [verdachte] zei: “Wat heb je in je handen?” Ik zag dat ze een mes vasthad en dat ze het wegstopte. Ik hoorde dat een buurvrouw riep dat ze de politie gebeld had. Op dat moment renden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] weg. Pas na ongeveer tien minuten voelde ik dat mijn shirt nat was op mijn rug. Ik voelde en zag dat er bloed aan mijn handen zat. Daardoor wist ik dat ik gestoken was, eerder had ik het niet gemerkt.
Op 28 januari 2025 is het letsel van [slachtoffer] door een forensisch arts beoordeeld. Uit de letselrapportage volgt het volgende:
Conclusie: dhr. [slachtoffer] is een 48-jarige man met een steekwond in zijn rug. De steekwond bevindt zich links van de wervelkolom, heeft een lengte van ongeveer 4 centimeter en een diepte van 8 tot 10 centimeter. Behalve bloedverlies heeft hij schade opgelopen van diepgelegen spieren. Hij was gedurende een dag opgenomen in het ziekenhuis.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie volgt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:
Op zaterdag 8 februari 2025 werd medeverdachte [medeverdachte 1] aanvullend gehoord. Op de vraag waar het mes nu was, gaf [medeverdachte 1] aan dat hij het mes in een put op de [adres] had gegooid. Nadat het verhoor was afgelopen, zijn wij omstreeks 16:30 uur naar de [adres] in Geleen gereden. Een medewerker van de Forensische Opsporing heeft een onderzoek in de desbetreffende put ingesteld. Hierbij werd een mes in een kunststof foedraal aangetroffen.
Het mes werd veiliggesteld en in beslag genomen. Verbalisant [verbalisant] relateerde daarover - zakelijk weergegeven - het volgende:
Op woensdag 19 februari 2025 werd het inbeslaggenomen mes aan mij overgedragen om deze te beschrijven. Ik zag:
? dat het een universeel werkmes was met een voorgevormde kunststofgreep met een stootblok en een lemmet van metaal;
? dat het handvat tweekleurig was, grijs met oranje, en dat de merknaam Morakniv aan weerszijde was aangebracht;
? dat het handvat ongeveer 12 centimeter lang was;
? dat het lemmet van een zilverkleurig metaal was en aan één zijde de indruk “Morakniv” had;
? dat het zwarte mes aan één zijde een snijkant had;
? dat het lemmet een lengte had van ongeveer 9 centimeter;
? dat de totale lengte van het mes ongeveer 21 centimeter was;
? dat de bijbehorende mantel met broekclip geheel van een grijze kunststof was gemaakt.
Gelet op de aard van het mes en/of de omstandigheden waaronder dit mes werd aangetroffen en/of het gedrag dat de verdachte vertoonde ben ik, verbalisant, van mening dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit mes voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan een persoon toe te brengen of hiermee te dreigen. Derhalve is dit mes een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie IV onder sub 7 van de Wet wapens en munitie. De vrijstellingen en de uitzonderingsbepalingen genoemd in de Wet Wapens en Munitie zijn op de verdachte en op de in dit proces-verbaal omschreven voorwerpen niet van toepassing.
De verdachte heeft bij de politie op 19 februari 2025 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard over het incident op 28 januari 2025 te Geleen:
V: Waar haalde jij dat mes vandaan?
A: Uit mijn jaszak.
V: Wat was je idee om het mes mee te nemen?
A: Ik was sowieso al bang voor [slachtoffer] . Voor mijn veiligheid nam ik het mes mee. Voor als er wat zou gebeuren.
V: Waar heb jij [slachtoffer] geprikt? Waar in zijn lichaam?
A: In de onderrug.
O: 1 keer.
A: Ja.
V: Hoe weet jij zeker dat jij hem geraakt hebt?
A: Dat ik het erna zag en toen in paniek raakte. Ik dacht ‘wat heb ik nu gedaan’.
V: Wat zag je dan?
A: Bloed op zijn broek. Achter op zijn broek, waar ik dat had gedaan.
Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn rug heeft gestoken. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier die erop duiden dat de verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer] te doden. Vol opzet kan dan ook niet worden bewezen. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door haar gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van [slachtoffer] . Om die vraag te beantwoorden moet de rechtbank eerst vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] gedood kon worden door de handelingen van de verdachte. Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard.
Uit de medische informatie van [slachtoffer] volgt dat gesproken kan worden van in potentie levensbedreigend letsel. [slachtoffer] is in de onderrug, links naast de wervelkolom, geraakt met het mes. Daarbij is het mes 8 tot 10 centimeter diep het lichaam van [slachtoffer] ingegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het op deze manier steken van een mes in de rug, waar zich verschillende vitale organen bevinden, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Door een mes met een lemmet van 9 centimeter volledig in de onderrug van [slachtoffer] te steken, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Feit 2
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 januari 2025 in Geleen een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie heeft gedragen. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de verklaring van de verdachte dat zij [slachtoffer] heeft ‘geprikt’ met het mes dat later door de politie is teruggevonden, afgelegd bij de politie op 19 februari 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen, waarin het mes wordt beschreven en gecategoriseerd.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 januari 2025 in Geleen samen met anderen heeft geprobeerd om goederen uit de woning van [slachtoffer] te stelen. Omdat de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
-
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter zitting op 14 juli 2026;
-
de aangifte van [slachtoffer] van 28 januari 2025;
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] van 28 januari 2025;
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] van 28 januari 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen beschrijving camerabeelden van 17 februari 2025.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1 primair: op 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2: op 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen;
feit 3: op 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om goederen, die aan [slachtoffer] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
- zich de toegang tot de centrale hal van het complex hebben verschaft en;
- ( terwijl) zij gemaskerd waren naar de voordeur van die [slachtoffer] zijn gelopen en hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, omdat [slachtoffer] zowel de verdachte als haar vriend [medeverdachte 2] belaagde. Er waren geen tekenen dat de aanranding uit zichzelf zou stoppen en de verdachte heeft eerst op andere wijze geprobeerd om het geweld te laten stoppen. Zij heeft om hulp geschreeuwd, geprobeerd om aangever te laten stoppen en lichtere vormen van geweld toegepast. Pas toen dat allemaal geen effect had, heeft zij haar toevlucht gezocht tot het mes dat zij had meegenomen. Volgens de officier van justitie was het door de verdachte toegepaste geweld noodzakelijk en proportioneel. Om die reden heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw gesteld dat de verdachte niet degene is die het initiatief tot geweld heeft genomen. Er heeft een escalatie plaatsgevonden en de verdachte heeft volgens de raadsvrouw in stapjes geprobeerd om de situatie op te lossen. Dat is haar niet gelukt. Pas toen de situatie onhoudbaar was geworden, heeft de verdachte [slachtoffer] met het mes gestoken om het geweld te laten stoppen. De verdachte zag geen andere uitweg. Er was dus sprake van noodweer.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de zich in het dossier bevindende verklaringen, de camerabeelden en het verhandelde ter zitting vast dat de feitelijke toedracht, zoals door de verdachte is aangevoerd, voldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van het noodweerverweer uitgaan van onderstaande feiten.
De verdachte is op 28 januari 2025 omstreeks 00:10 uur samen met haar broer [medeverdachte 1] en haar partner [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer] gegaan, met de bedoeling om spullen uit de woning van [slachtoffer] weg te nemen, in de veronderstelling dat hij niet thuis was. Omstreeks 00:24 uur kwamen zij aan bij de centrale toegangsdeur van de flat. Bij toeval konden zij naar binnen. Zij zijn met de lift naar boven gegaan. De broer van de verdachte heeft bij het appartement van [slachtoffer] aangebeld. [slachtoffer] bleek onverwachts thuis te zijn. Toen ze beweging zagen in het appartement zijn ze weggerend. [slachtoffer] begon te schreeuwen en kwam achter hen aangerend. De verdachte is met haar partner alle trappen naar beneden afgerend. De broer van de verdachte is op een andere verdieping blijven staan. Omstreeks 00:29 uur rende de verdachte naar buiten. Enkele seconden later volgde haar partner. Ongeveer vijf seconden daarna kwam [slachtoffer] de trap afgerend en rende achter de verdachte en haar partner aan. Nabij de fietsen, om de hoek van de entree van het appartementencomplex heeft [slachtoffer] haar partner op de grond geduwd en begon hem hard te slaan. [slachtoffer] heeft daarover zelf verklaard dat hij de man een drietal slagen op zijn gezicht heeft gegeven met gebalde vuist, dat hij tekeer ging als een rambo en dat hij de man in een nekklem pakte. Zowel de verdachte als [slachtoffer] verklaren dat de partner van de verdachte op enig moment heeft teruggeslagen, maar dat dit weinig uithaalde. Tijdens het slaan door [slachtoffer] stond hij boven [medeverdachte 2] , terwijl die op de grond lag. [medeverdachte 2] kon geen kant uit. De verdachte stond ernaast en raakte in paniek. Naar eigen zeggen dacht zij dat [slachtoffer] haar partner zou doodslaan. Zij heeft om hulp geschreeuwd. Dat wordt bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige] , die een vrouw keihard hoorde schreeuwen en om hulp heeft horen roepen. De verdachte heeft verklaard dat er niemand was die haar kon helpen, dat de flatdeur dicht was, dat zij [slachtoffer] van haar partner af heeft proberen te trekken en dat zij machteloos was op dat moment. Zij verklaarde dat zij uit paniek één keer in de onderrug van [slachtoffer] heeft geprikt met het mes dat in haar jaszak zat. Daarna raakte ze naar eigen zeggen nog meer in paniek omdat [slachtoffer] doorging met slaan. Op de camerabeelden wordt dat bevestigd. Ongeveer 43 seconden nadat [slachtoffer] naar buiten was gerend, is te zien dat de broer van de verdachte de trap af komt gerend. De verdachte rende naar haar broer toe en wees naar rechts. Aan haar houding en gezichtsuitdrukking is te zien dat ze opgewonden of in paniek was. Zij was aan het schreeuwen tegen haar broer. De broer van de verdachte heeft [slachtoffer] een trap gegeven en daarna is hij met de verdachte en haar partner weggegaan.
Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast moet sprake zijn van de noodzakelijke verdediging van dat lijf, eerbaarheid of goed (de eis van subsidiariteit) en moet het hierbij toegepaste geweld in verhouding blijven met de aanranding (de eis van proportionaliteit). Beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is ter noodzakelijke verdediging hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval.
De rechtbank heeft allereerst gekeken of er voor [slachtoffer] sprake was van een enige rechtvaardiging om de partner van de verdachte buiten de flat aan te vallen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval was. De drie (mede)verdachten waren immers direct weggerend toen [slachtoffer] thuis bleek te zijn. [slachtoffer] had in zijn woning kunnen blijven en had niet naar beneden hoeven te rennen. Zijn handelingen buiten waren op dat moment dan ook niet noodzakelijk en zijn als wederrechtelijk geweld tegen de partner van de verdachte aan te merken. Voor de partner van de verdachte ontstond daarmee een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waaraan hij zich niet kon onttrekken en waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Er was dus sprake van een noodweersituatie. Voor de verdachte geldt de vraag of het door haar toegepaste geweld geboden was en of het in verhouding stond met het geweld dat op haar partner werd uitgeoefend.
Haar partner was duidelijk niet opgewassen tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] is in het dagelijks leven personal trainer en was veel groter en sterker dan de partner van de verdachte, en al helemaal sterker dan de verdachte zelf. [slachtoffer] zegt daarbij zelf dat hij tekeer ging als een rambo. De verdachte heeft pas een mes gepakt, nadat ze meermalen om hulp had geschreeuwd en had geprobeerd om [slachtoffer] van haar partner af te trekken. Gelet op haar bedoeling om het geweld te laten stoppen, kan het gedrag van de verdachte worden aangemerkt als een verdedigingshandeling. Onder die omstandigheden is het éénmaal steken met het mes in de rug ook niet disproportioneel. Ook kan niet worden gezegd dat verdachte zich aan de situatie had moeten onttrekken, nu [slachtoffer] doorging met het geweld tegen [medeverdachte 2] en die geen kant op kon. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het éénmaal steken met het mes in de rug onder deze omstandigheden ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het feit dat [medeverdachte 2] zichzelf onherkenbaar had willen maken niet maakt dat sprake is van culpa in causa. Zoals gezegd had [slachtoffer] in zijn woning kunnen blijven of achter verdachte en haar medeverdachte aan kunnen rennen zónder geweld te gebruiken. Zij waren immers voor [slachtoffer] weg aan het vluchten.
Gezien het voorgaande is aan alle vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer voldaan en de rechtbank zal dit beroep dan ook honoreren. De rechtbank acht de onder 1 primair bewezenverklaarde poging tot doodslag daarom niet strafbaar en zal de verdachte ter zake hiervan ontslaan van alle rechtsvervolging.
De kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De GZ-psycholoog [psycholoog 1] heeft, onder supervisie van GZ-psycholoog [psycholoog 2] , over de geestvermogens van de verdachte op 13 juni 2025 een rapport uitgebracht.
Uit het psychologisch onderzoek komt naar voren dat de verdachte een kwetsbare, meegaande en cognitief beperkte vrouw is. Ten tijde van het ten laste gelegde kampte zij met een lichte verstandelijke beperking, een borderline persoonlijkheidsstoornis, een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en een stoornis in het gebruik van een stimulantium. De verdachte heeft moeite met abstract denken, vooruitzien en het overzien van de gevolgen van haar gedrag. Haar persoonlijkheidsstoornis uit zich in emotionele instabiliteit, een negatief zelfbeeld, moeite met het aangeven van grenzen, verlatingsangst en woedebeheersing.
Het rapport vermeldt als conclusie dat de vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek in aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde een belangrijke rol heeft gespeeld. De verstandelijke beperking belemmerde de verdachte in het overzien van de situatie en het nemen van andere beslissingen. De psycholoog adviseert om het ten laste gelegde - indien bewezen - slechts in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank zal het advies van de psycholoog over de mate van toerekeningsvatbaarheid overnemen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
De verdachte is evenwel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte ten aanzien van feit 3 op te leggen een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding en beheersing middelengebruik. Voor het dragen van het mes (een overtreding) heeft de officier van justitie een aparte geldboete van € 240,00 gevorderd. Daarnaast heeft de officier van justitie met betrekking tot [slachtoffer] een contact- en gebiedsverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd voor de duur van 3 jaren. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de ernst van de gedragingen, de rapportages die over de verdachte zijn uitgebracht en haar blanco strafblad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft een blanco strafblad en door haar beperkingen heeft zij onvoldoende weerstand aan de situatie kunnen bieden. Recentelijk is zij gestart met de behandeling bij Stevig. Een onvoorwaardelijke straf zou haar behandeling doorkruisen. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om een passende, deels voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur. De raadsvrouw acht daarbij een proeftijd van één jaar passend. Zij heeft ten slotte de rechtbank in overweging gegeven om het door de officier van justitie gevorderde contact- en locatieverbod in duur te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft in januari 2025 samen met anderen geprobeerd om spullen te stelen uit een woning en een mes op strafbare wijze op zak gehad. Dergelijke feiten brengen gevoelens van onveiligheid met zich mee en de verdachte heeft hiermee aangetoond dat zij geen respect heeft voor andermans spullen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de door de raadsvrouw naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ook is kennisgenomen van de eerdergenoemde rapportage die over de verdachte is opgemaakt door de GZ-psycholoog. Uit die rapportage komt duidelijk naar voren dat bij de verdachte sprake is van emotionele en cognitieve instabiliteit en tekortschietende coping, wat kan resulteren in verbaal of fysiek geweld wanneer het stressniveau oploopt. Door de psychische problematiek kunnen de strafbare feiten niet volledig aan haar worden toegerekend. Zonder justitieel kader wordt de kans dat de verdachte terugvalt als laag-matig ingeschat. Een ambulante behandeling in de forensische sector gericht op de preventie van geweldsdelicten wordt geadviseerd. Binnen het kader van bijzondere voorwaarden onder toezicht van de reclassering zijn er volgens de deskundige voldoende mogelijkheden om de verdachte effectief te begeleiden en te behandelen en zijn er voldoende waarborgen voor de maatschappelijke veiligheid.
De reclassering heeft op 30 juni 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Zij staat inmiddels ruim 15 maanden onder schorsingstoezicht. In het reclasseringsadvies komt het beeld naar voren van een kwetsbare, emotionele jonge vrouw die open staat voor behandeling en begeleiding en haar afspraken nakomt. De behandeling binnen Stevig is opgestart en de verdachte krijgt begeleiding van Levanto. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding, beheersing van middelengebruik, een locatieverbod en een contactverbod met het slachtoffer.
De rechtbank houdt er rekening mee dat bij het bepalen van de straf verschillende belangen een rol spelen. Aan de ene kant moet recht worden gedaan aan de ernst van de feiten en aan de andere kant moet rekening worden gehouden met de persoon van de verdachte en het belang dat de maatschappij heeft bij een afdoening die voorkomt dat de verdachte in de toekomst opnieuw de fout in zal gaan.
Mede gelet op de inschatting van de deskundige en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden noodzakelijk is vanwege de psychische problematiek die behandeling en begeleiding behoeft. De rechtbank acht daarom - net als de officier van justitie - voor feit 3 een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk passend, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding en beheersing middelengebruik. Het voorarrest van 41 dagen zal van de gevangenisstraf worden afgetrokken, zodat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de straf reeds heeft ondergaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te beperken tot de duur van één jaar. Voor het dragen van het mes, hetgeen als een overtreding kwalificeert, zal de rechtbank conform de eis en de richtlijn een geldboete van € 240,00 opleggen.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer] in deze zaak niet aangewezen. Het bewezenverklaarde feit is immers ruim anderhalf jaar geleden. In de afgelopen tijd is niet gebleken dat de verdachte heeft geprobeerd om contact te zoeken met [slachtoffer] . Voor de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat dit na een veroordeling anders zal zijn. De rechtbank ziet daarom geen meerwaarde in oplegging van de 38v-maatregel.
7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 3.021,00 ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
-
kleding: € 100,00;
-
daggeldvergoeding ziekenhuisopname: € 76,00;
-
immateriële schade: € 2.845,00.
De benadeelde partij heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering, aangezien de vordering ziet op feit 1 en de verdachte hiervan zijns inziens dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de verdachte met succes een beroep kan doen op noodweer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden vanwege het door de verdediging gevoerde beroep op noodweer ten aanzien van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank toch tot een veroordeling van feit 1 komt, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de post kleding en de post daggeldvergoeding ziekenhuisopname niet ter discussie staan en dat de post immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Dat deel van de vordering dient volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdachte ten aanzien van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij zal zich voor wat betreft die vordering tot de civiele rechter kunnen wenden.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 45, 62 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
-
verklaart dat het overige bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar voor de onder 4.4 omschreven strafbare feiten;
Gevangenisstraf
-
veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
-
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
a. meldplicht bij reclassering:
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG reclassering Limburg (Mondriaan). De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
ambulante behandeling:
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Stevig of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is al gestart en blijft doorlopen. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
ambulante begeleiding:
veroordeelde laat zich begeleiden door Levantogroep of een soortgelijke begeleidingsinstelling, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de hulpverlening geeft voor de begeleiding;
beheersing middelengebruik:
dat veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
-
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Geldboete
-
veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een geldboete van € 240,00;
-
beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 2 dagen;
Benadeelde partij [slachtoffer]
-
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
-
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juli 2026.
Buiten staat
Mr. A.K. Kleine is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1:
zij op of omstreeks 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
zij op of omstreeks 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
feit 3:
zij op of omstreeks 28 januari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
- zich de toegang tot de centrale hal van het complex hebben/heeft verschaft en/of;
- ( terwijl) zij gemaskerd waren naar de voordeur van die [slachtoffer] zijn gelopen/is gelopen en hebben/heeft aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.