Strafrecht overig

Poging tot zware mishandeling door slachtoffer meerdere keren tegen het hoofd te trappen. Veroordeling tot…

Rechtbank Limburg, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
03/036853-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:8046
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling door slachtoffer meerdere keren tegen het hoofd te trappen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/036853-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1993,

thans gedetineerd in [P.I.] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T.W.A. Coulier, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 3 februari 2026 in Maastricht:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden (primair) dan wel hem zwaar te verwonden (subsidiair) door hem tegen het hoofd te trappen;

feit 2: een rugzak van [slachtoffer] heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De verdachte heeft welbewust en doelgericht zes keer met enorme kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer getrapt, terwijl het slachtoffer roerloos op de grond lag. Volgens de officier van justitie is minst genomen sprake van opzet in voorwaardelijke zin.

Het tweede feit kan volgens de officier van justitie niet wettig en overtuigend worden bewezen. Op camerabeelden is weliswaar te zien dat de verdachte een sporttas droeg en [slachtoffer] een rugzak, maar zij acht de verklaring van de verdachte aannemelijk dat ze elkaars tassen droegen en dat de rugzak die de verdachte na het geweldsincident meenam zijn eigen rugzak was en dat de sporttas die bij [slachtoffer] achterbleef diens eigendom was. Daarom dient de verdachte van diefstal te worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De geweldshandelingen worden niet betwist, maar de concrete aard, intensiteit en uitwerking van die gedragingen zijn niet zodanig dat er een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou overlijden. Niet elk schoppen tegen het hoofd brengt een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. De concrete uitvoering van deze zes trappen levert hooguit een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de diefstal van de rugzak omdat zijn cliënt heeft verklaard dat deze rugzak van hem was en niet van [slachtoffer] .

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1

Het proces-verbaal van bevindingenover het geweldsincident op 3 februari 2026 in Maastricht, vermeldt het volgende:

Omstreeks 22:28 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse. Wij zagen op de grond een man liggen. De man lag op zijn rug en reageerde nauwelijks op aanspreken. Bij het toedienen van een pijnprikkel kwam een vertraagde reactie. Wij roken dat de adem van de man naar alcohol riekte. In één van de jaszakken van de man troffen wij een Nederlands verblijfsdocument aan. Wij zagen dat dit om de volgende persoon ging: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1996 te Tipaza (Algerije). Wij zagen dat er op het gelaat van de man meerdere zwellingen en bloeduitstortingen zichtbaar waren. Dit ter hoogte van zijn ogen, jukbeenderen en zijn voorhoofd. Ook zagen wij opgedroogd bloed in zijn gelaat zitten. Wij zagen dat het linkeroog dik was en als de man zijn ogen opende het linkeroog dicht bleef zitten. Op aanspreken kwam geen reactie uit de man.

Aanwezige collega’s op het politiebureau keken met de camera’s van cameratoezicht of iets van de aanleiding op beeld te zien was. Wij hoorden dat er een conflict met de man op de beelden te zien was. Het signalement werd gedeeld met collega’s die op zoek gingen naar de verdachte. Wij hoorden portofonisch dat zij een verdachte die voldeed aan het doorgegeven signalement aantroffen aan de voorzijde van het station in Maastricht. Wij zijn naar de locatie gereden en zagen de later te noemen verdachte [verdachte] staan die werd aangehouden.

[slachtoffer] werd meegenomen naar het ziekenhuis. Wij, verbalisanten, gingen naar het ziekenhuis in Maastricht. Ter plaatse hoorden wij dat het slachtoffer [slachtoffer] op de spoedeisende hulp lag.

Wij mochten naar zijn behandelkamer en hoorden van de tolk dat [slachtoffer] zei dat hij ruzie had gekregen met een vriend en dat hij veel pijn had in zijn gezicht.

Het proces-verbaal van bevindingen, waarin de camerabeelden worden beschreven van het geweldsincident dat plaatsvond in Maastricht op 3 februari 2026, vermeldt het volgende:

Om 22:13:00 zie ik dat er drie personen vanuit de [straatnaam 1] links op het trottoir lopen gelegen aan de [straatnaam 2] . De drie personen lopen in de richting van de camera.

Om 22:13:57 zie ik dat de achterste persoon, hierna genoemd verdachte, blijft staan ter hoogte van de geparkeerde fietsen. Ik zie dat het slachtoffer zich omdraait en in de richting van de verdachte begint te lopen. Hierbij zie ik dat hij zijn rugzak, welke hij op zijn rug droeg, op de grond gooit.

Om 22:14:06 zie ik dat het slachtoffer de verdachte een kleine duw met zijn linkerhand geeft ter hoogte van zijn rechterschouder.

Om 22:14:07 zie ik dat beide personen tegenover elkaar staan met de gezichten naar elkaar toe gericht. Ik zie dat de verdachte zijn sporttas, welke hij op zijn rechterarm droeg, op de grond gooit en een stap in de richting van het slachtoffer maakt.

Om 22:14:12 zie ik dat de personen neus aan neus staan. Hierop zie ik dat er meermaals aan elkaar wordt geduwd en getrokken.

Om 22:14:42 zie ik dat het slachtoffer de sporttas van de verdachte van de grond oppakt en rechts langs de verdachte probeert te lopen. Ik zie dat de verdachte hem tegenhoudt. Ik zie dat de verdachte het slachtoffer vastpakt bij zijn jas en hem naar links, tegen een gebouw, aangooit. Ik zie dat de verdachte het slachtoffer vervolgens pootje lapt met zijn rechterbeen en hem met kracht naar de grond toe werkt.

Om 22:14:53 belandt het slachtoffer met zijn bovenlichaam tussen de fietsen, hierdoor is er geen volledig zicht meer op het slachtoffer. De verdachte gaat met zijn knieën op het bovenlichaam van het slachtoffer zitten. Ik zie dat het slachtoffer met zijn benen beweegt.

Om 22:14:57 zie ik dat een geparkeerde fiets omvalt, ter hoogte van het slachtoffer. De verdachte staat en tilt twee keer zijn rechterbeen op en laat dit vervolgens weer zakken.

Om 22:15:05 zie ik dat de verdachte zich met zijn bovenlichaam buigt over het lichaam van het slachtoffer.

Om 22:15:10 zie ik dat het slachtoffer tracht op te staan en de verdachte dit tegenhoudt door zijn rechterknie op het hoofd van het slachtoffer te zetten. Ik zie dat het slachtoffer met zijn armen in de lucht beweegt.

Om 22:15:22 zie ik dat de verdachte gaat staan en met zijn been een trappende beweging maakt in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Ik zie dat hij het slachtoffer in totaal zes keer met kracht in zijn gezicht trapt en raakt, hierbij trapt hij driemaal met zijn rechterbeen, tweemaal met zijn linkerbeen en dan nogmaals één keer met zijn rechterbeen. Na de vijfde trap beweegt het slachtoffer niet meer.

Om 22:15:34 buigt de verdachte zich over het stilliggende lichaam van het slachtoffer en doorzoekt de verdachte de zakken van het slachtoffer.

Om 22:17:05 zie ik dat de verdachte links uit het beeld loopt in de richting van de [straatnaam 3] . Bij het weglopen kijkt hij nog een keer achter zich. Ik zag dat het slachtoffer in de tussentijd niet meer had bewogen. Ik zag dat het slachtoffer achterbleef, liggend op de grond.

De verdachte heeft bij de politie op 4 februari 2026 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard over het incident op 3 februari 2026 aan de [straatnaam 2] in Maastricht:

O: Verbalisant toont de camerabeelden van de camera op de [straatnaam 2] van de zware mishandeling.

A: Ja, nu ik dit zie, beken ik dit dat ik hem heb geschopt.

Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de medische situatie van het slachtoffer [slachtoffer] vermeldt het volgende:

Ik, verbalisant [naam] , nam op 4 februari 2026 telefonisch contact op met het Maastricht UMC+. Ik kreeg een medewerker van het Maastricht UMC+ aan de lijn. Ik hoorde dat deze medewerker mij vertelde dat [slachtoffer] op woensdag 4 februari 2026 om 03:42 uur was ontslagen van de spoedeisende hulp. Ook hoorde ik dat de medewerker zei dat [slachtoffer] om 09:00 uur een vervolgafspraak zou hebben bij de oogheelkunde voor controle.

Het proces-verbaal van bevindingenover de schoenen die de verdachte droeg ten tijde van het geweldsincident in Maastricht op 3 februari 2026 vermeldt dat dit sneakers zijn van kunstleer met een stoffen tong en een zool van ongeveer 3 centimeter dik met een redelijk vlak profiel.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zes keer met zijn geschoeide (sneakers) voet tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft getrapt. Na de vijfde trap bleef hij roerloos op de grond liggen. Tussen de tijd dat [slachtoffer] de laatste trap tegen zijn hoofd heeft gekregen en de politie ter plaatse kwam zaten ongeveer 13 minuten. [slachtoffer] lag al die tijd op de grond. Hij werd met zichtbaar letsel aan zijn gezicht overgebracht naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in Maastricht dat hij enkele uren later mocht verlaten.

Over de feitelijke geweldshandelingen bestaat weinig discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.

Is er sprake van een poging doodslag?

Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] . Ook van voorwaardelijk opzet is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarvoor is nodig dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van zijn gedragingen zou overlijden. Niet elk schoppen tegen het hoofd levert automatisch een poging doodslag op. Beslissend is wat in een concrete zaak kan worden vastgesteld over factoren zoals de kracht en gerichtheid waarmee is geschopt, de plek op het hoofd, het schoeisel en de gevolgen.

Hoewel de camerabeelden van het trappen tegen het gezicht en het hoofd van [slachtoffer] indringend zijn, leveren die onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen dat de geweldshandelingen van de verdachte met een dusdanige kracht en intensiteit zijn toegebracht dat een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

De rechtbank kan aan de hand van de camerabeelden niet vaststellen met welke kracht er door de verdachte is geschopt terwijl hij sneakers (en geen hard schoeisel) droeg. De rechtbank beschikt daarnaast niet over een medische rapportage of een beoordeling van het letsel van het slachtoffer door een arts. Er is slechts bekend dat [slachtoffer] met letsel aan zijn gezicht naar het ziekenhuis is overgebracht waaruit hij enkele uren later werd ontslagen. Op de controle afspraak bij oogheelkunde de volgende morgen, is hij niet verschenen. Ondanks onderzoek door de politie is [slachtoffer] niet meer gevonden. Via de Vreemdelingenpolitie is bekend dat hij op 1 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken uit Ter Apel.

Hoewel het hoofd een vitaal onderdeel is van het lichaam, kan gelet op het voorgaande niet zonder meer worden bewezen dat de feiten en omstandigheden met betrekking tot de aard, de kracht en de intensiteit van het geweld zodanig waren dat de kans op de dood aanmerkelijk was. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Is er sprake van poging tot zware mishandeling?

Naar algemene ervaringsregels roept het meermalen met geschoeide voet trappen tegen het hoofd terwijl het slachtoffer op de grond ligt en zich niet of nauwelijks kan verweren de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het hoofd is immers een kwetsbaar deel van het lichaam en het uitoefenen van geweld op het hoofd kan ernstige gevolgen hebben. De rechtbank acht de kans aanmerkelijk dat trappen tegen het hoofd en gezicht leidt tot oogletsel en/of botbreuken in het gezicht waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is en/of (volledig) herstel langdurig. Het trappen tegen het hoofd op de wijze zoals de verdachte heeft gedaan kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat de rechtbank – bij het ontbreken van contra-indicaties – vaststelt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Aldus heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Vrijspraak feit 2

Aan de verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij op 3 februari 2026 een rugzak van [slachtoffer] heeft gestolen. De verdachte heeft op zitting verklaard dat deze rugzak van hem was en dat [slachtoffer] een zware tas (de rechtbank begrijpt: de rode sporttas) droeg. Toen hij merkte dat [slachtoffer] dronken was, heeft hij aan [slachtoffer] aangeboden om de sporttas te dragen. Hij had zijn rugzak, die lichter was, toen aan [slachtoffer] gegeven. Ze hadden dus van tas gewisseld.

De rechtbank is met de officier van justitie en met de raadsman van oordeel dat de verklaring van de verdachte op zitting niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Op de camerabeelden is bovendien te zien dat de verdachte de rode sporttas achterlaat bij [slachtoffer] . De verklaring van de verdachte vindt dus ook steun in het dossier. Dat betekent dat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1 subsidiair: op 3 februari 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt en vervolgens meerdere keren heeft getrapt tegen het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 38 maanden. Bij het bepalen van de strafeis heeft zij in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het feit. Volgens de officier van justitie betreft het een buitenproportionele agressieve reactie op een zeer geringe aanleiding. De omstandigheden waaronder het feit is begaan, weegt de officier van justitie in strafverzwarende zin mee, net als het feit dat de verdachte sinds kort als asielzoeker in Nederland verbleef. Met zijn gedrag draagt hij bij aan polarisatie in de samenleving en verpest hij het voor anderen die opvang zoeken. Daarnaast neemt zij het hem kwalijk dat hij de schuld voor zijn uitbarsting in eerste instantie bij het slachtoffer neerlegde.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten, de context waarin het geweld is ontstaan, [slachtoffer] begon immers met duwen, het ontbreken van vastgesteld zwaar of blijvend letsel bij het slachtoffer en het blanco strafblad van de verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ongeveer vier maanden vormt het uitgangspunt voor een poging tot zware mishandeling. Daarom heeft de raadsman verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest van 183 dagen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op 3 februari 2026 heeft de verdachte met een bekende van hem uit het AZC ruzie gekregen op straat. Bij de ruzie heeft de verdachte het slachtoffer naar de grond gewerkt en meermalen tegen zijn hoofd getrapt, ook nadat het slachtoffer bewegingsloos op de grond lag. De verdachte heeft het slachtoffer hulpeloos op straat achtergelaten.

De rechtbank is van oordeel dat deze geweldsuitbarsting van de verdachte - die bovendien op een openbare plek in Maastricht heeft plaatsgevonden - zeer ernstig is. Tegen het hoofd trappen is risicovol. Dit soort incidenten wakkeren onveiligheidsgevoelens in de maatschappij aan.

Voor het bepalen van een passende straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft ook gezien dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.

In het bijzonder gelet op de ernst van het feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf van 12 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen.

Deze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 augustus 2026.

BIJLAGE: De (gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1: hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt en/of vervolgens één of meerdere keren heeft getrapt naar/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt en/of vervolgens één of meerdere keren heeft getrapt naar/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2: hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Maastricht een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2026019436, gesloten d.d. 20 april 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 62. Proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2026, p. 5-6 en de foto van het letsel op p. 62. Proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2026, p. 17-18. Proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 februari 2026, p. 42. Proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2026, p. 13. Proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2026, p. 11.