Strafrecht overig

Gevangenisstraf voor veroorzaken verkeersongeval met letsel (bij motoragent) en rijden onder invloed en…

Rechtbank Limburg, 12 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
03/066302-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:8607
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevangenisstraf voor veroorzaken verkeersongeval met letsel (bij motoragent) en rijden onder invloed en geldboete voor rijden zonder geldig rijbewijs. Overwegingen t.a.v. alternatief scenario verdachte (wisselen van positie in auto), schuld, letsel en smartengeld o.b.v. de Rotterdamse schaal.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/066302-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.P.W. van Dooren, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord, bijgestaan door mevrouw [naam 1] . De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – na wijziging van de tenlastelegging –, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 2 maart 2025 te Roosteren:

feit 1: als bestuurder van een auto samen met een ander (primair) een aan hun schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [benadeelde] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

feit 2: een personenauto heeft bestuurd onder invloed van alcohol;

feit 3: een personenauto heeft bestuurd zonder rijbewijs.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Inleiding

In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte op 2 maart 2025 samen met zijn vriendin [naam 2] in een personenauto reed en een alcoholcontrole naderde. Hij zat achter het stuur en zij was de bijrijder. Als de politie een stopteken geeft, wordt dit genegeerd. Een agent rijdt vervolgens op een politiemotor achter de auto aan. Als hij voor de auto rijdt, geeft hij een volgteken. Kort daarna botst de auto tegen de achterkant van de politiemotor.

De verdachte heeft aanvankelijk bij de politie verklaard dat hij op het moment van de aanrijding de auto bestuurde en dat [naam 2] en hij daarna van stoel zijn gewisseld. Op de zitting heeft de verdachte die verklaring gewijzigd. Niet hij, maar [naam 2] bestuurde op het moment van de aanrijding de auto. Volgens de verdachte zijn zij van plaats gewisseld in de tijd tussen het negeren van het stopteken bij de alcoholcontrole en het moment dat zij werden ingehaald door de motoragent.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de verdachte aangevoerde scenario niet aannemelijk is geworden. De officier van justitie acht dan ook bewezen dat de verdachte de auto heeft bestuurd op het moment van de aanrijding. Voor zover dat niet kan worden bewezen, is sprake van medeplegen van het veroorzaken van het verkeersongeval.

Voorts kan het bij [benadeelde] geconstateerde letsel in de visie van de officier van justitie niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, waardoor de verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Volgens de raadsman dient namelijk te worden uitgegaan van het scenario dat de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Deze verklaring past – anders dan de wisselende verklaringen van [naam 2] – bij de overige bewijsmiddelen. Indien de rechtbank dit feit wel bewezen acht, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘zwaar lichamelijk letsel’. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Het onder 1 ten laste gelegde

Bewijsmiddelen

Verbalisant [verbalisant 3] , heeft over de aanleiding van het ongeval het volgende gerelateerd:

Ik was op 2 maart 2025 omstreeks 00.35 uur, belast met de taak om een alcoholcontrole op de [adres 2] te Roosteren uit te voeren. Ik zag dat er een zwarte Audi A3 uit de richting van België mijn kant op reed. Ik gaf een stopteken aan de zwarte Audi A3. Ik zag dat de auto mij met hoge snelheid voorbij reed in de richting van de rotonde. Ik zag tijdens het voorbij rijden van de Audi dat er achter het stuur een mannelijke bestuurder zat. Ik zag dat naast de bestuurder een kleine vrouw met een roze kleurige jas zat. Ik zag dat collega motorrijder [benadeelde] achter de zwarte Audi A3 reed.

Verbalisant [benadeelde] heeft het volgende gerelateerd:

Op 2 maart 2025 omstreeks 00.30 uur bevond ik mij op de [adres 2] te Roosteren. Ik was gekleed in een herkenbaar motoruniform en verplaatste mij middels een opvallende politiemotorfiets. Ik zag dat collega [verbalisant 3] de auto een stopteken gaf. Ik zag dat de betreffende personenauto een donkergekleurde Audi A3 betrof, die een Belgisch kenteken voerde.

Ik reed vervolgens achter de personenauto aan. Ik zag dat de personenauto de rotonde opreed en na de rotonde rechtdoor bleef rijden over de [adres 2] . Na de rotonde reed ik parallel naast de auto. Hiermee bedoel ik dat ik op de linker rijbaan, tegen het verkeer in naast het voertuig reed. Daar was de weg voor de rest leeg. Ik kon heel ver doorkijken. Toen ik naast de auto reed, zag ik dat er een jongen met een blanke huidskleur en half lang haar achter het stuur zat. Ik zag dat deze jongen een grijze hoodie met daaroverheen een zwarte bodywarmer droeg. Ik zag dat de jongen bezig was met de gordel van de bestuurderskant. Ik denk dat hij de gordel probeerde af te doen, omdat ik zijn linkerhand naar zijn rechterheup zag bewegen en daarna weer naar de deurstijl.

Vervolgens ben ik voor de auto gaan rijden. Toen ik mijn positie had ingenomen voor het voertuig, gaf ik de bestuurder een volgteken met mijn rechterhand, gevolgd door het aanzetten van het volgtransparant op de motor. Ik zag in mijn linker spiegel dat de auto begon te slingeren en te vertragen. Daaropvolgend werd ik van achteren aangereden. Toen ik werd aangereden boog mijn bovenlichaam zich naar achteren en kwam ik met mijn onderrug tegen de box van de motor aan. Ik voelde dat mijn rug en nek zich verkeerd naar achteren verstrekten. Het was een flinke klap, maar ik voelde mogelijk vanwege de adrenaline geen pijn op dat moment. Ik stapte vervolgens van de motor af.

Toen ik schuin tegenover de bestuurderszijde stond, zag ik door de zijruit dat er een vrouw achter het stuur zat. Zij betrof niet de persoon die ik achter het stuur zag zitten tijdens het passeren van het voertuig. De vrouw betrof een heel ander persoon dan die ik eerder de auto had zien besturen. Ik zag dat de jongen, die ik eerder had gezien als bestuurder, vanaf de bijrijderskant uitstapte.

Uit de geneeskundige verklaring omtrent het letsel van [benadeelde] volgt dat op 2 maart 2025 een kneuzing in de rug is geconstateerd met een geschatte genezingsduur van enkele weken.

Uit het verstrekte overzicht van de verzuimdagen van [benadeelde] volgt dat hij van 2 maart 2025 tot en met 25 mei 2025 als 0% hersteld staat geregistreerd.

Uit de Verkeersongevallen Analyse van de Forensische Opsporing, afdeling Verkeer, van de politie Eenheid Oost-Brabant volgt onder meer het volgende:

Uit de pre-crash data bleek dat de Audi 5 seconden tot aan 0 seconden (de botsing) voorafgaand aan het ongeval een snelheid had gereden van 33 à 34 km/u.

Uit de data van de politiemotor bleek dat deze voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van 17 km/u reed. Nadat de motor werd aangereden versnelde deze naar 30 km/u. Dit is passend bij de snelheid waarmee de Audi reed op het moment van aanrijden van de motor.

Er is nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat de bestuurder en bijrijder van plaats hebben gewisseld. Daaruit volgt dat op basis van de aangetroffen schoenafdrukken op de middensteun en de achterbank van het voertuig alsmede de stand van beide stoelen de bestuurder en de passagiers mogelijk van zitplaats zijn gewisseld.

Uit de ademanalyse uitgevoerd na het ongeval op 2 maart 2025 in Roosteren volgt dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte 755 microgram alcohol per uitgeademde lucht betrof.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 juli 2026 onder meer het volgende verklaard:

Het klopt dat ik op 2 maart 2025 op de [adres 2] in Roosteren de Audi heb bestuurd, terwijl ik onder invloed van alcohol was en niet over een rijbewijs beschikte. Mijn toenmalige vriendin [naam 2] zat naast mij als bijrijder. Bij de alcoholcontrole raakte ik in paniek en heb ik het stopteken genegeerd. Ik heb toen tegen [naam 2] gezegd dat wij van plaats moesten wisselen en dat hebben wij vervolgens ook gedaan. Ik ben daarbij naar achteren gegaan met mijn stoel, heb mijn benen opgetrokken en [naam 2] is over de middenconsole geklommen. De auto slingerde daarbij over de weg. De auto is uiteindelijk tegen de motor aangerold.

Overwegingen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 2 maart 2025 op de [adres 2] in Roosteren een botsing heeft plaatsgevonden tussen een auto met daarin de verdachte en [naam 2] en de motor van verbalisant [benadeelde] . Door deze botsing is [benadeelde] met zijn onderrug tegen de box van de motor aangekomen.

Hoewel de verdachte aanvankelijk bij de politie heeft bekend dat hij op het moment van de aanrijding de bestuurder van de auto was, heeft hij ter terechtzitting een ander verhaal verteld. De verdachte heeft toen verklaard dat hij direct na het stopteken bij de alcoholcontrole tijdens het rijden met [naam 2] van plek is gewisseld en dat hij op het moment dat verbalisant [benadeelde] hen passeerde, reeds op de bijrijdersstoel zat. Volgens de verdachte was [naam 2] de bestuurder van de auto ten tijde van de aanrijding met de motor.

De rechtbank constateert dat de verklaring van de verdachte dat hij en [naam 2] van plek zijn gewisseld, wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier. Dit blijkt namelijk uit de in de auto aangetroffen sporen alsmede het feit dat [naam 2] na de aanrijding op de stoel van de bestuurder werd aangetroffen. Dit geldt echter niet voor de verklaring van de verdachte dat deze wisseling heeft plaatsgevonden in de tijd tussen het negeren van het stopteken en het voorbij rijden van [benadeelde] . De rechtbank wijst in dit verband op de waarnemingen van verbalisant [benadeelde] . Hij heeft gerelateerd dat hij de Audi na de rotonde op de [adres 2] is gepasseerd en daarbij zag dat er een jongen met half lang haar en een grijze hoodie met daaroverheen een zwarte bodywarmer achter het stuur zat. [benadeelde] zag op het moment dat hij de auto passeerde ook dat de jongen bezig was met de gordel aan de bestuurderskant, omdat hij de jongen met zijn linkerhand naar zijn rechterheup zag bewegen en daarna weer naar de deurstijl. Toen verbalisant [benadeelde] voor de Audi reed, zag hij in zijn achteruitkijkspiegel dat de auto begon te slingeren en te vertragen. Deze waarnemingen passen bij het beeld dat de verdachte op het moment dat [benadeelde] de auto passeerde zijn gordel heeft afgedaan en hij en [naam 2] al rijdende vervolgens van plek zijn gewisseld waardoor de auto is gaan slingeren.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) heeft aan het verkeersongeval.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een reeks ernstige verkeersfouten zijn gemaakt. Nadat de verdachte een stopteken had genegeerd, heeft hij tijdens het rijden van plek gewisseld met [naam 2] . De auto is daardoor gaan slingeren en vervolgens achter op de motor van [benadeelde] gereden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit al rijdend van plek wisselen alleen in een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is van medeplegen.

De verdachte en [naam 2] hebben door het uitvoeren van de positiewisseling de auto onvoldoende onder controle gehad waardoor zij niet op tijd konden stoppen. Daar komt bij dat de verdachte behoorlijk onder invloed van alcohol was (755 µgl). Bij de ademanalyse is meer dan acht keer de voor de verdachte toegestane hoeveelheid alcohol gemeten (µgl 88). Alleen al door de concentratie alcohol in het lichaam van de verdachte moet het vermogen van de verdachte om de personenauto behoorlijk te besturen ernstig beperkt zijn geweest.

Door de begane verkeersfouten en het alcoholgebruik is sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag en daarmede van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

(Zwaar) lichamelijk letsel

De rechtbank dient verder te beoordelen hoe het letsel van [benadeelde] dient te worden gekwalificeerd.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat er sprake is van een kneuzing van de rug met een verwachte genezingsduur van enkele weken. Gelet op de aard van het letsel en de omstandigheid dat niet is gebleken dat medisch ingrijpen, zoals een operatie, noodzakelijk was, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is wel van oordeel dat sprake is van lichamelijk letsel, waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Uit het verzuimoverzicht van de werkgever blijkt namelijk dat [benadeelde] vanaf het ongeval tot 25 mei 2025 niet heeft kunnen werken.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna bewezen is verklaard.

3.4.2

Het onder 2 en 3 tenlastegelegde

De rechtbank acht het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd voor wat betreft deze feiten en de verdediging geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 juni 2026;

  • het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 20 juni 2025, pagina 82-85;

  • het proces-verbaal bedienaar ademanalyse-apparaat d.d. 2 maart 2025, pagina 87-88

  • een uitdraai van een ‘enforcement check’ waaruit blijkt dat de verdachte in geen enkel (aangesloten) Europees land een rijbewijs heeft.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1 primair:

op 2 maart 2025 te Roosteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, tezamen en in vereniging met een ander, te weten [naam 2] , , daarmede rijdende over de weg, [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig rijgedrag, te weten dat verdachte en [naam 2]

na te zijn ingehaald door een opvallende dienstmotor van politie, terwijl al rijdende voor de door verdachte bestuurde personenauto er door de motoragent met zowel diens rechterhand als middels de volgtransparant van de dienstmotor een teken tot volgen werd gegeven,

tijdens het rijden zijn gewisseld van zitpositie, waarbij verdachte is verplaatst naar de bijrijderspositie en voornoemde [naam 2] naar de bestuurderspositie en

voornoemd motorrijtuig onvoldoende onder controle hebben gehad en

hebben gereden met zodanige snelheid dat zij niet in staat waren hun voertuig tijdig tot stilstand te brengen en tegen de achterzijde van de dienstmotor zijn gebotst,

waardoor een ander genaamd [benadeelde] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2:

op 2 maart 2025 te Roosteren als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven

feit 3:

op 2 maart 2025 te Roosteren als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, [adres 2] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2: de eendaadse samenloop van:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vierde lid juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van deze wet,

en

overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde alsmede een geldboete van € 430,-, subsidiair 4 dagen hechtenis voor het onder 3 tenlastegelegde.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een taakstraf en bij het bepalen van de hoogte daarvan aansluiting te zoeken bij het LOVS-oriëntatiepunt voor de lichtste mate van schuld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft met meer dan acht keer de toegestane hoeveelheid alcohol een auto bestuurd, terwijl hij niet beschikte over een rijbewijs. Nadat de verdachte bij een alcoholcontrole het stopteken had genegeerd, zijn hij en zijn toenmalige vriendin [naam 2] op zijn initiatief van tijdens het rijden van plek gewisseld, waardoor de aanrijding met de motor van [benadeelde] is veroorzaakt.
De verdachte heeft zich hierdoor onverantwoordelijk in het verkeer gedragen en onaanvaardbare risico’s genomen. De verdachte heeft er niet alleen voor gekozen om met veel te veel alcohol en zonder rijbewijs achter het stuur te gaan zitten, maar toen hij door de alcoholcontrole meende in de problemen te komen, is op zijn initiatief tijdens het rijden ook een wisselmanoeuvre uitgehaald terwijl hij op zijn vingers kon natellen dat er politie in zijn buurt reed. In dit geval zelfs een kwetsbare verkeersdeelnemer als een motoragent. De verdachte heeft samen met [naam 2] de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht en en een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan [benadeelde] tijdens de uitvoering van zijn functie dusdanig letsel heeft opgelopen dat hij gedurende langere tijd zijn werk niet heeft kunnen uitvoeren. Blijkens de slachtofferverklaring ondervindt [benadeelde] tot op heden nog dagelijks de gevolgen hiervan. Hij kan zijn functie als motoragent niet meer vervullen en heeft binnen de politie andere taken gekregen.

De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten onder 1 primair en 2 – het veroorzaken van een ongeval en het rijden onder invloed – eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feitelijkheden, die zien op het onder invloed van alcohol veroorzaken van een verkeers-ongeval, zijn strafbaar op grond van artikel 6 en 8 van de WVW en leveren in die mate een samenhangend, min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – in grote mate overeenkomt.

Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert schadevergoeding tot primair een bedrag van

€ 23.100,- en subsidiair € 28.350,- aan immateriële schade ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een schadebedrag van
€ 9.487,50 redelijk en voor toewijzing vatbaar is.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering met betrekking tot de ernst van het letsel onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij ook om deze reden niet- ontvankelijk dient te worden verklaard.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht een lager schadebedrag toe te wijzen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij letsel heeft opgelopen.

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde] rugletsel heeft opgelopen bij het ongeval zodat sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Daarnaast is bij [benadeelde] blijkens de beschrijvende diagnose van de behandelend psycholoog sprake van klachten die passen bij een posttraumatisch stressbeeld (PTSS), zodat ook sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Deze letsels als rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde zijn onvoldoende weersproken door de verdediging.

Voor het vaststellen van het smartengeld zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de Rotterdamse schaal.

Anders dan de gemachtigde van [benadeelde] is de rechtbank van oordeel dat de categorie 5.3 onder b (“middelzwaar rugletsel”) in dit geval niet van toepassing is, nu er geen sprake is van operatief ingrijpen en uit de stukken ter onderbouwing van de vordering niet wordt uitgesloten dat volledig herstel nog mogelijk is. De rechtbank beschouwt dit rugletsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 5.500,- voor dit letsel billijk.

De door de benadeelde partij opgelopen PTSS beschouwt de rechtbank als het secundaire letsel. Nu uit de beschrijvende diagnose van de psycholoog blijkt dat naast het ongeval ook sprake is van bijkomende stressoren die bijdragen aan het ontstaan en voortbestaan van de psychische klachten, categoriseert de rechtbank dit letsel als categorie 14.2 onder d (“PTSS minder ernstig”). Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van
€ 5.500,- billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 2.750,-.

Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 15% vanwege de jongvolwassen leeftijd van [benadeelde] .

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op
€ 9.487,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. De verdachte zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan de [benadeelde] .

De benadeelde partij wordt in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat gedeelte op dit moment onvoldoende onderbouwd is. Voor het geven van een gelegenheid tot nadere onderbouwing is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 36f, 55, 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 107, 175, 176, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • veroordeelt de verdachte voor het onder 3 bewezenverklaarde tot een geldboete van
    € 430,- ;

  • beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 4 dagen;

Ontzegging rijbevoegdheid

- ontzegt de verdachte voor het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake het onder 1 primair bewezenverklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van € 9.487,50, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

  • bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

  • legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van € 9.487,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 72 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

  • verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 augustus 2026.

mr. M.J.A.G. van Baal en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Roosteren, gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

tezamen en in vereniging met een ander, te weten [naam 2] , bijrijder van voornoemd motorrijtuig, althans alleen,

daarmede rijdende over de weg, [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn/hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam rijgedrag, te weten dat verdachte en/of [naam 2] ,

na te zijn ingehaald door een opvallende dienstmotor van politie, terwijl al rijdende voor de door verdachte bestuurde personenauto er door de motoragent met zowel diens rechterhand als middels de volgtransparant van de dienstmotor een teken tot volgen werd gegeven,

tijdens het rijden is/zijn gewisseld van zitpositie, waarbij verdachte is verplaatst naar de bijrijderspositie en voornoemde [naam 2] naar de bestuurderspositie en/of

voornoemd motorrijtuig onvoldoende onder controle heeft/hebben gehad en/of

heeft/hebben gereden met zodanige snelheid dat hij/zij niet in staat was/waren zijn/hun voertuig tijdig tot stilstand te brengen en tegen de achterzijde van de dienstmotor is/zijn gebotst, althans is/zijn aangereden, waardoor een ander (genaamd [benadeelde] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hyperextensie van de rug, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Roosteren, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een voertuig (personenauto), tezamen en in vereniging met een ander, te weten [naam 2] , bijrijder van voornoemd motorrijtuig, althans alleen, daarmee rijdende op de weg, [adres 2] , na te zijn ingehaald door een opvallende dienstmotor van politie en terwijl, al rijdende voor de door verdachte bestuurde personenauto, er door de motoragent met zowel diens rechterhand als middels de volgtransparant van de dienstmotor een teken tot volgen werd gegeven, tijdens het rijden met voornoemde [naam 2] is gewisseld van zitpositie, waarbij verdachte is verplaatst naar de bijrijderspositie en voornoemde [naam 2] naar de bestuurderspositie en/of

met zodanige snelheid heeft gereden dat hij/zij niet in staat was/waren zijn/hun voertuig tijdig tot stilstand te brengen en tegen de achterzijde van de dienstmotor is/zijn gebotst, althans is/zijn aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 2:

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Roosteren, gemeente Echt-Susteren, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;

feit 3:

hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Roosteren, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, [adres 2] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1R025019, gesloten d.d. 9 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 165 en de aanvulling op het einddossier, proces-verbaalnummer LB1R025019-12, d.d. 3 januari 2026, pagina 167 tot en met pagina 175. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2025, pagina 13-14. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart2025, pagina 18-21. Geneeskundige verklaring d.d. 13 maart 2025 door [naam 4] , SEH-arts, pagina 34. Geschift betreffende een mail van [naam 5] met als onderwerp: ‘Overzicht verzuim’, d.d. 22 december 2025, pagina 170. Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse (2025033849-6) van 24 april 2025, pagina 62. Proces-verbaal van forensisch onderzoek (2025033849-16) d.d. 14 juli 2025, pagina 70-76. Proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 20 juni 2025, pagina 82-85 en proces-verbaal bedienaar ademanalyse-apparaat d.d. 2 maart 2025, pagina 87-88. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 29 juli 2026. Aanbeveling 5 van de Aanbevelingen voor het hanteren van de Rotterdamse schaal. Aanbeveling 2.