Strafrecht overig
Veroordeling voor bezit wapens en munitie. De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van 12…
Rechtbank Limburg, 8 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:8943 · Rechtbank Limburg · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2026-8943
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- 03.174278.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:8943
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor bezit wapens en munitie. De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.174278.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1981,
thans gedetineerd in de [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.E. Tay, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: op 6 juni 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
Feit 2: op 6 juni 2025 munitie voorhanden heeft gehad;
Feit 3: op 25 september 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
Feit 4: op 25 september 2025 munitie voorhanden heeft gehad.
3 De beoordeling van het bewijs
Het oordeel van de rechtbank
Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 4 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op:
T.a.v. feit 1 en feit 2:
-
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2026;
-
het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2025;
T.a.v. feit 3 en feit 4:
-
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2026;
-
het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2025;
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1:
op 6 juni 2025 te Roermond, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Beretta, type 70, kaliber 7.65 millimeter Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
op 6 juni 2025 te Roermond munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een kogelpatroon G.F.L. van het kaliber 7.65 millimeter Browning en twee kogelpatronen AUTO CBC van het kaliber .32 Auto voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
op 25 september 2025 te Roermond een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk FEG, kaliber 9 millimeter Parabellum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 4:
op 25 september 2025 te Roermond munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie kogelpatronen GECO van het kaliber .380 auto en acht kogelpatronen S&B van het kaliber 9 millimeter BR.C voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan wordt met een vuurwapen van de categorie III;
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit begaan wordt met een vuurwapen van de categorie III;
Feit 4:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat hij het van belang vindt dat er een flinke stok achter de deur aanwezig is voor de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht – met verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten – om te volstaan met een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, met dien verstande dat het na aftrek van het voorarrest resterende gedeelte in voorwaardelijke zin zal worden opgelegd en de verdachte zo snel mogelijk vrij komt. Voorts kan de verdediging zich vinden in de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Op 6 juni 2025 werd bij de verdachte op straat een vuurwapen en munitie aangetroffen, nadat een verbalisant buiten diensttijd melding had gemaakt van een door hem waargenomen vuurwapen in een door de verdachte gedragen heuptasje. Ruim drie maanden later wordt, na een TCI-melding, opnieuw een wapen met munitie aangetroffen. Nu in een gereedschapskist in een schuur behorende bij de woning van de verdachte. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen.
De rechtbank heeft niet de indruk gekregen dat de verdachte een doorgewinterde crimineel is. Wel liep hij bij de tweede keer dat hij werd aangehouden voor verboden wapenbezit nog in een schorsing voor de eerste feiten. De verdachte was dus een gewaarschuwd man, maar lijkt zich mede vanuit naïviteit, makkelijk voor het karretje te laten spannen om een wapen en munitie voor anderen te bewaren.
Uit het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026 volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en al geruime tijd niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport over de verdachte van 26 mei 2026. Hierin schrijft de reclassering dat zij risico’s ziet ten aanzien van de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren en mogelijk de houding van de verdachte (wanneer hij de voorgeschreven antidepressiva niet langer inneemt). De reclassering schatte het risico op recidive in eerste instantie hoog in (advies van 16 december 2025) vanwege de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van de verdachte enerzijds en zijn behoefte aan geldelijk gewin voor drugs anderzijds, maar inmiddels is de verdachte goed ingesteld op medicatie en schat zij het risico in als laag tot gemiddeld, mits hij zijn medicatie blijft gebruiken en zich onthoudt van welk verdovend middel dan ook. Volgens de reclassering maakt de verdachte een oprechte indruk toe te willen werken naar gedragsverandering, waarbij de huidige medicatievoorschriften zichtbaar een positieve invloed hebben.
Daarnaast is de verdachte onderzocht door een psycholoog. Uit het rapport van de psycholoog van 24 april 2026 blijkt dat er bij de verdachte sprake is van een bipolaire-I-stoornis, zwakbegaafdheid en stoornissen in middelengebruik. De psycholoog heeft verder beschreven dat volgens de omgeving van de verdachte er al jaren sprake is van stemmingsproblematiek en dat hij desondanks de afgelopen 23 jaar niet met justitie in aanraking is gekomen.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij open staat voor hulp en graag wil meewerken aan alle geadviseerde bijzondere voorwaarden, zodat strafbare feiten niet meer zullen voorkomen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke zin op te leggen, omdat de verdachte naast hulp in de vorm van bijzondere voorwaarden ook een stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, ook op de momenten wanneer het even niet zo goed met hem gaat. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden opleggen waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
7 Het beslag
In het dossier bevindt zich een beslaglijst met daarop de volgende voorwerpen:
-
1 STK Pistool (G1811403);
-
3 STK Munitie (G1811405);
-
1 STK Patroon (G1811406).
De rechtbank zal deze inbeslaggenomen goederen onttrekken aan het verkeer, omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.2 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
-
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
-
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
-
de veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG reclassering Limburg. Daarna zal de reclasseringsinstelling contact met de veroordeelde opnemen voor verdere afspraken in het kader van de meldplicht;
-
de veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psycho-educatie/inzicht in middelengebruik en (de invloed ervan op) de chronisch psychiatrische problematiek en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; -
de veroordeelde zal gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in een instelling voor beschermd of begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-
e veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
de veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van passende dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
-
de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
-
geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
-
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Voorlopige hechtenis:
- heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf;
Beslag
- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
-
1 STK Pistool (G1811403);
-
3 STK Munitie (G1811405);
-
1 STK Patroon (G1811406).
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. I.T.H.L. van de Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1:
hij, op of omstreeks 6 juni 2025 te Roermond, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Beretta, type 70, kaliber 7.63 millimeter Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
hij, op of omstreeks 6 juni 2025 te Roermond munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)patroon G.F.L. van het kaliber 7.65 millimeter Browning en/of twee (kogel)patronen AUTO CBC van het kaliber .32 Auto voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
hij, op of omstreeks 25 september 2025 te Roermond, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk FEG, kaliber 9 millimeter Parabellum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 4:
hij, op of omstreeks 25 september 2025 te Roermond, althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie (kogel)patronen GECO van het kaliber .380 auto en/of acht (kogel)patronen S&B van het kaliber 9 millimeter BR.C voorhanden heeft gehad.