Bestuursrecht overig
verzet, ongegrond, rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard.
Rechtbank Midden-Nederland, 29 april 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:2191 · Rechtbank Midden-Nederland · 29 april 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2021-2191
Zaakgegevens
Op 29 april 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 29 april 2021
- Datum publicatie
- 26 mei 2021
- Zaaknummer
- 20/4362-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2191
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzet, ongegrond, rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4362-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 op het verzet van
[opposant], te [woonplaats], opposant.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen de brief van
17 november 2020 van de GGZ Klachtencommissie Patiënten en Naasten Utrecht (hierna: GGZ).
In de uitspraak van 25 januari 2021 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft zich in de uitspraak van 25 januari 2021 onbevoegd verklaard, omdat de GGZ geen bestuursorgaan is en GGZ dus geen publiekrechtelijke bevoegdheden heeft. Er is daarom geen sprake van een besluit in de zin van 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 25 januari 2021 niet juist was.
3. Opposant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank van 25 januari 202. Hij vindt dat hij wel in beroep kan gaan bij de rechtbank.
4. De rechtbank volgt de uitspraak van 25 januari 2021. In rechtsoverweging 4 van de uitspraak staat beschreven waarom de bestuursrechter niet bevoegd is. De tekst die opposant aanhaalt in zijn verzetschrift doelt op de procedure bij de Geschillencommissie Wet kwaliteit, klachten en geschillen (Wkkgz). Zoals ook blijkt uit de brief van 17 november 2020 staat het opposant vrij om een procedure te starten bij deze Geschillencommissie.
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
25 januari 2021 in stand blijft.
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: