Bestuursrecht overig
Verzoek vovo is niet ontvankelijk, omdat verzoekster niet heeft gereageerd op herstelverzuimbrief.
Rechtbank Midden-Nederland, 19 september 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:5524 · Rechtbank Midden-Nederland · 19 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2024-5524
Zaakgegevens
Op 19 september 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 september 2024
- Datum publicatie
- 20 september 2024
- Zaaknummer
- 24/2616
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5524
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek vovo is niet ontvankelijk, omdat verzoekster niet heeft gereageerd op herstelverzuimbrief.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2616
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] België, verzoekster
en
een onbekend bestuursorgaan,
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster van 23 maart 2024. Verzoekster vraagt om teruggave van haar rijbewijs dat door de politie is ingevorderd.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 8 april 2024 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Deze brief is retour ontvangen. De brief is echter ook naar het door verzoekster opgegeven e-mailadres gestuurd.
Verzoekster heeft binnen de gegeven termijn geen afschrift van het besluit overgelegd en zij heeft ook geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Dat maakt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.
Naast het feit dat verzoekster geen kopie heeft overgelegd van het besluit waarover haar verzoek gaat, blijken haar adresgegevens ook niet te kloppen. De brief van 8 april 2024 is niet aangekomen. Verzoekster heeft ook geen griffierecht betaald. Omdat de adresgegevens niet juist zijn, heeft de voorzieningenrechter verder niet kunnen vaststellen of de rechtbank Midden-Nederland de bevoegde rechtbank is. Verzoekster heeft geen besluit overgelegd, zodat onbekend is tegen welk bestuursorgaan het beroep zich richt. Omdat verzoekster het besluit niet heeft overgelegd en dat al leidt tot een niet-ontvankelijk verzoek, laat de voorzieningenrechter het hierbij.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: