Arbeidsrecht
Kort geding arbeid. Werknemer is ziek. Kantonrechter beslist dat werkgever o.a. moet meewerken aan mediation…
Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7504 · Rechtbank Midden-Nederland · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/civiel-recht/arbeidsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbmne-2026-7504
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12325320 \ UV EXPL 26-191
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7504
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding arbeid. Werknemer is ziek. Kantonrechter beslist dat werkgever o.a. moet meewerken aan mediation, adviezen van de bedrijfsarts moet opvolgen en verlofaanvragen niet mag weigeren zolang hier geen zwaarwichtig belang/medisch bezwaar toe bestaat. Wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever moet zij ook de werkelijke buitengerechtelijke kosten betalen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12325320 \ UV EXPL 26-191 BJvd/61169
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.A.J. Hulsbergen,
tegen
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.O. Willebrands.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 31,
- de akte van [eiser] met de eiswijziging en productie 32,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de pleitnota van [eiser] .
Op 2 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was aanwezig de heer [eiser] met zijn advocaat mr. D.A.J. Hulsbergen. Namens [gedaagde] waren de heer [A] (directeur kwaliteit en organisatie bij [gedaagde] ) en de heer [B] (UBO bij [gedaagde] ) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde
mr. S.O. Willebrands.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er vandaag een vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
[eiser] is sinds 1 december 2023 voor onbepaalde tijd in dienst bij [gedaagde] als vrachtwagenchauffeur. Het huidige loon van [eiser] is € 3.381,75 exclusief 8% vakantiebijslag. Sinds begin september 2025 is [eiser] ziekgemeld vanwege een hernia en (nog) niet in staat om zijn functie uit te oefenen. [gedaagde] heeft in juni en juli 2026 de betaling van het loon van [eiser] geschorst respectievelijk stopgezet. Na de dagvaarding is dit loon betaald. In deze procedure vordert [eiser] onder andere de wettelijke verhoging over deze loonbetalingen. [eiser] eist ook dat [gedaagde] moet meewerken aan mediation, de adviezen van de bedrijfsarts moet opvolgen en verlofaanvragen niet mag weigeren zolang hier geen zwaarwichtig belang/medisch bezwaar toe bestaat. De kantonrechter wijst een groot deel van de vorderingen van [eiser] toe en oordeelt dat [gedaagde] ook de werkelijke buitengerechtelijke kosten van [eiser] moet betalen omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De hoge drempel voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten is niet gehaald.
3 De beoordeling
Het juridisch kader in een kort geding procedure
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing daarvan is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen die zien op het opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts in het kader van zijn re-integratietraject. Uit de overwegingen die hieronder in het vonnis staan blijkt dat [gedaagde] als werkgever tot nu toe meermaals adviezen van de bedrijfsarts naast zich neer heeft gelegd of in het geheel niet heeft opgevolgd, terwijl niet is gebleken van een rechtens acceptabele reden daartoe. Het spoedeisend belang van [eiser] is erin gelegen dat [gedaagde] de adviezen van de bedrijfsarts in het kader van zijn re-integratietraject zonder uitstel opvolgt voor zover er geen rechtens acceptabele reden tot afwijking hiervan is. Voorts is de proceseconomie erbij gebaat dat in deze procedure ook over de overige vorderingen die met voormelde vorderingen samenhangen, kan worden beslist. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vorderingen.
[gedaagde] moet de wettelijke verhoging aan [eiser] betalen
[gedaagde] heeft bij brief van 22 juni 2026 de loonbetaling van [eiser] per direct opgeschort en bij brief van 3 juli 2026 per direct de loonopschorting omgezet in een loonstop.
Na het uitbrengen van de dagvaarding door [eiser] heeft [gedaagde] op 21 augustus 2026 het loon over juni en juli 2026 aan hem betaald, plus de wettelijke rente hierover.
[eiser] vordert in deze procedure betaling van de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over juni en juli 2026, met bepaling dat het netto-equivalent van deze bedragen binnen veertien dagen na dit vonnis moet zijn betaald met verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie.
Deze vordering wordt toegewezen. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde] heeft over de loonopschorting en de loonstop in de conclusie van antwoord gesteld dat zij inmiddels weet dat deze geen steun kan vinden in de wet – de kantonrechter begrijpt: de loonopschorting en de loonstop feitelijke grondslag ontberen –. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde] over de loonopschorting en de loonstop gezegd dat ‘het eigenlijk niet zo had moeten gaan’. [gedaagde] onderkent dus dat de loonopschorting en de loonstop ten onrechte waren. Ook de kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de loonopschorting en de loonstop onvoldoende feitelijke grondslag hadden. Hiermee staat vast dat het niet-tijdig voldoen van het loon van [eiser] , aan [gedaagde] is te wijten. Het is dan ook aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [gedaagde] de wettelijke verhoging over het loon van juni en juli 2026 zal moeten betalen. De wettelijke verhoging wordt daarom toegewezen conform het bepaalde in artikel 7:625 BW. [gedaagde] heeft verzocht de wettelijke verhoging te beperken, maar zij heeft hier geen omstandigheden voor aangevoerd. De kantonrechter ziet vooralsnog geen feiten of omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de wettelijke verhoging beperkt moet worden. Daarom wordt de maximale wettelijke verhoging toegewezen.
Tegen de vordering dat het netto-equivalent van de wettelijke verhoging binnen veertien dagen na dit vonnis moet zijn betaald met gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie, is [gedaagde] niet opgekomen. Deze vordering wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet het loon van [eiser] bij ongewijzigde omstandigheden doorbetalen
[eiser] vordert [gedaagde] te gebieden om gedurende de resterende periode waarin [eiser] arbeidsongeschikt is en aanspraak heeft op loon ex artikel 7:629 BW, uiterlijk op de tussen partijen gebruikelijke salarisbetalingsdatum het volledige verschuldigde loon, vakantiebijslag en overige looncomponenten aan hem te voldoen, met verstrekking van een deugdelijke loonstrook op de dag waarop die gebruikelijk wordt verstrekt. [eiser] vordert ook dat hieraan een dwangsom van € 500,00 wordt verbonden per kalenderdag dat [gedaagde] na de gebruikelijke betaaldatum in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.
Deze vordering wordt toegewezen, met uitzondering van de dwangsom die [eiser] daaraan gekoppeld wil zien. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken dat de formulering van de loonbetalingsvordering in lijn met de wet is, waarbij ruimte is om bij gewijzigde omstandigheden een loonsanctie ex artikel 7:629 BW toe te passen. Vervolgens heeft [gedaagde] laten weten dat zij zich niet meer tegen deze vordering verzet. Wel verzet zij zich tegen de dwangsom die [eiser] aan deze vordering gekoppeld wil zien. De door [eiser] gevorderde dwangsom voor zover gekoppeld aan de betaling van het loon wordt afgewezen, omdat in de wet staat dat een dwangsom niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom. De door [eiser] gevorderde dwangsom voor zover gekoppeld aan het verstrekken van loonstroken wordt ook afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [gedaagde] niet aan haar verplichting tot het tijdig verstrekken van loonstroken zal voldoen. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in het verleden in deze verplichting tekort is geschoten.
[gedaagde] moet meewerken aan mediation
De bedrijfsarts heeft op 10 maart 2026 en op 3 juni 2026 mediation geadviseerd, omdat het aangewezen is dat [eiser] en [gedaagde] met elkaar in gesprek gaan over de werk gerelateerde aspecten die momenteel een rol spelen. [gedaagde] heeft tot deze procedure aan [eiser] kenbaar gemaakt daartoe geen aanleiding te zien. [eiser] wil graag dat [gedaagde] dit advies van de bedrijfsarts opvolgt en vordert [gedaagde] te gebieden om binnen zes weken na de vonnisdatum een mediationtraject op te starten bij een MfNgeaccrediteerde mediatior, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat het gebod niet wordt nagekomen. [gedaagde] heeft tijdens deze procedure laten weten zich niet meer te verzetten tegen deze vordering inzake mediation. Wel verzet zich tegen de gevorderde dwangsom.
Hoewel de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling haar twijfels heeft geuit bij de toewijsbaarheid van deze vordering vanwege het aan mediation gekoppelde uitgangspunt van vrijwilligheid, bestaan die twijfels niet meer. Deze vordering wordt toegewezen omdat [gedaagde] de verplichting heeft om als goed werkgever in het kader van het re-integratietraject van [eiser] mee te werken aan de door de bedrijfsarts geadviseerde mediation met [eiser] . Het gaat erom dat [gedaagde] als werkgever (en [eiser] als werknemer) een aantoonbare oprechte inspanning in dat kader verricht. Hierbij merkt de kantonrechter op dat hoewel het advies van een bedrijfsarts niet bindend is, het nietopvolgen daarvan door een werkgever of een werknemer (verstrekkende) juridische gevolgen kan hebben. Daarom doen partijen er goed aan om niet lichtzinnig met dergelijke adviezen om te gaan.
De kantonrechter verbindt aan dit gebod wel de gevorderde dwangsom omdat [gedaagde] door haar gedrag voorafgaand aan deze procedure heeft laten zien dat zij zonder ‘een stok achter de deur’, zoals bijvoorbeeld deze kort geding procedure, niet genegen is om dit advies van de bedrijfsarts op te volgen. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat niet is gebleken van (een) gegronde reden(en) op grond waarvan [gedaagde] van dit advies had mogen afwijken. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] mag geen arbeid aan [eiser] opdragen die in strijd is met de adviezen van de bedrijfsarts
[eiser] vordert [gedaagde] te verbieden hem op te dragen om arbeid, werkzaamheden, werkuren, werkplekken of re-integratieactiviteiten te verrichten die:
-
de door de bedrijfsarts vastgestelde urenbeperking overschrijden;
-
de door de bedrijfsarts vastgestelde fysieke beperkingen overschrijden;
-
niet vooraf zijn goedgekeurd of geadviseerd door de bedrijfsarts dan wel arbeidsdeskundige;
op straffe van een dwangsom van € 500,00 per opgelegde instructie die in strijd is met één van de hiervoor genoemde onderdelen en € 250,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] de verboden opdracht laat voortduren.
[gedaagde] verzet zich tegen de gevorderde dwangsom maar niet tegen het gevorderde verbod, mits er een aantal nuances worden aangebracht die ook zijn terug te vinden in de wet en/of rechtspraak. [gedaagde] heeft in dit kader de termen ‘redelijkheid en billijkheid’ en ‘omstandigheden van het geval’ genoemd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] niet onder alle (en eventueel gewijzigde) omstandigheden gebonden wenst te zijn aan een advies van een bedrijfsarts en/of een arbeidsdeskundige.
De kantonrechter wijst het gevorderde verbod in mindere mate toe en wijst de gevorderde dwangsom toe. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
In de rechtspraak is bepaald dat de werkgever verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het advies van de bedrijfsarts. Mocht blijken dat het advies van de bedrijfsarts niet juist is, dan kan er dus een grond zijn voor de werkgever om van dit advies af te wijken. De adviezen van de bedrijfsarts zijn dus niet in alle gevallen leidend. Ook van een advies van een arbeidsdeskundige mag een werkgever (en werknemer) afwijken, bijvoorbeeld wanneer het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen en/of naar inhoud ondeugdelijk is. Onder omstandigheden kan van een werkgever (/werknemer) worden verwacht eerst een second opinion aan te vragen alvorens af te wijken van een advies. Gelet op het voormelde is dan ook onjuist, dat [gedaagde] in alle gevallen gebonden zou zijn aan het advies van een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige. [gedaagde] zal voor afwijking van een advies van een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige wel een goede aantoonbare reden moeten hebben zoals in de rechtspraak is bepaald.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] in het verleden meermaals zonder een rechtens acceptabele grond is afgeweken van de adviezen van de bedrijfsarts. Aan dit oordeel liggen de volgende gebeurtenissen ten grondslag:
-
De bedrijfsarts adviseerde op 1 december 2025 dat [eiser] niet inzetbaar was om te werken. Desondanks heeft [gedaagde] op 2 december 2025, dus één dag later, [eiser] opgeroepen om te komen werken. [eiser] heeft de drie daaropvolgende dagen werkzaamheden – volgens [gedaagde] licht administratief van aard en in goed overleg – verricht, maar zich daarna opnieuw ziekgemeld omdat het niet ging.
-
Op 8 januari 2026 is [eiser] geopereerd aan een hernia. Op 13 januari 2026 adviseerde de bedrijfsarts dat [eiser] eerst moet herstellen en de start van reintegratie nog niet aan de orde is. Vervolgens heeft [gedaagde] [eiser] toch op 21 januari 2026 benaderd om weer aan het werk te moeten gaan.
-
Op 3 juni 2026 adviseerde de bedrijfsarts de opbouw van uren met maximaal 3x3 uren in de week. [eiser] deed op dat moment in het kader van zijn re-integratie al voor twee dagen vrijwilligerswerk bij een organisatie, maar kreeg van [gedaagde] op 22 juni 2026 een e-mail dat hij hiernaast nog eens drie dagen aangepast werk kon gaan verrichten bij een zusterbedrijf van [gedaagde] in Zoetermeer. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] daarbij de keuze gehad om te stoppen met het vrijwilligerswerk, maar in de praktijk bleek dat niet zomaar te kunnen omdat ‘vrijwillig’ niet ‘vrijblijvend’ betekent, waardoor [eiser] feitelijk vijf dagen in de week reintegratiewerkzaamheden deed.
Dat [gedaagde] een rechtens acceptabele reden had om af te wijken van de adviezen van de bedrijfsarts, blijkt nergens uit. Niet gesteld of gebleken is dat de adviezen van de bedrijfsarts niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en/of naar inhoud ondeugdelijk zijn. [gedaagde] heeft geen second opinion bij een andere bedrijfsarts aangevraagd of een nadere uitleg aan de bedrijfsarts of arbeidsdeskundige gevraagd over de gegeven adviezen. En hoewel [gedaagde] [eiser] meermaals heeft verweten dat hij niet zou (willen) meewerken aan de re-integratie, blijkt uit het bovenstaande dat juist het tegendeel het geval is. [gedaagde] is zelf op de stoel van de bedrijfsarts gaan zitten door te bepalen dat [eiser] eerder moest beginnen met reintegreren dan medisch gezien verantwoord was. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zonder zwaarwegende redenen tegen het advies van de bedrijfsarts in te gaan. Het is dus aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze vordering van [eiser] zal worden toegewezen, maar met de onder 3.16. bedoelde nuancering. Daarom wijst de kantonrechter het gevorderde verbod in mindere mate toe zoals vermeld in de beslissing.
Omdat is gebleken dat [gedaagde] zonder een rechtens acceptabele reden de adviezen van de bedrijfsarts vaker in de wind heeft geslagen wordt er ook een dwangsom aan het verbod verbonden. Het gevorderde verbod met de door de kantonrechter aangebrachte nuancering is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende concreet geformuleerd om executiegeschillen te voorkomen. De kantonrechter wijst een dwangsom van € 500,00 per overschrijding van één of meer van de genoemde onderdelen per dag(deel) toe, met een maximum van € 25.000,00.
[gedaagde] mag geen verlofaanvragen van [eiser] weigeren zonder zwaarwichtige reden
[gedaagde] heeft op 6 februari 2026 een verlofopname van [eiser] ingetrokken, die zij eerder had goedgekeurd. In een brief van 25 februari 2026 aan [eiser] schreef [gedaagde] daarover dat de aanvraag was ingetrokken om zo spoedig mogelijk met de re-integratie te beginnen en dit soepel te laten verlopen. Volgens [eiser] is elk daaropvolgend verlofverzoek van [eiser] door [gedaagde] geweigerd en [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Ook in april 2026 werd een goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken, met als reden dat de bouwvak voor de deur stond.
[eiser] vordert [gedaagde] te verbieden verlofaanvragen van [eiser] te weigeren zolang er geen door de bedrijfsarts geformuleerd medisch bezwaar of aangetoond zwaarwichtig bedrijfsbelang bestaat dat er noodzakelijkerwijs toe moet leiden dat het verzochte verlof moet worden geweigerd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt.
Het gevorderde verbod wordt toegewezen. Gelet op het bovenstaande is in het verleden gebleken dat [gedaagde] vaker verlofaanvragen heeft geweigerd zonder dat hiervoor een zwaarwichtig bedrijfsbelang bestond. Naast de omstandigheid dat er geen zwaarwichtige bedrijfsbelangen bestonden voor de weigering bestonden er ook geen medische redenen om het verlof van [eiser] te weigeren. Op 3 juni 2026 heeft de bedrijfsarts namelijk in haar advies laten weten dat zij medisch gezien geen bezwaar ziet tegen het tijdelijk onderbreken van de re-integratie in de vorm van een vakantie. Door desondanks de verlofaanvragen stelselmatig te weigeren heeft [gedaagde] ernstig verwijtbaar gehandeld. Daarmee is de aannemelijkheid voor toewijzing van deze vordering in een bodemprocedure gegeven.
Gelet op het bovenstaande ziet de kantonrechter reden om ‘als stok achter de deur’ voor [gedaagde] om zich te houden aan haar verplichtingen een dwangsom van € 500,00 per dag te verbinden aan het verbod, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt.
Het verzoek tot rectificatie van de evaluatieformulieren wordt afgewezen
De vordering van [eiser] om [gedaagde] binnen vier weken na vonnisdatum of een door de kantonrechter te bepalen termijn te gebieden om de door [gedaagde] ingevulde feitelijke onjuistheden in de evaluatieformulieren te rectificeren, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per feitelijke onjuistheid, wordt afgewezen. [eiser] heeft namelijk in de dagvaarding niet aangegeven welke inhoud van het door de werkgever ingevulde formulier onjuist is. Daarmee is onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd wat er onjuist is en wat er in de plaats van het gestelde onjuiste zou moeten worden ingevuld. Vooralsnog is het daarom niet aannemelijk dat deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Ten overvloede merkt de kantonrechter het volgende op. [gedaagde] heeft gesteld dat geen van de reeds ingevulde evaluatieformulieren bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is ingeleverd. Zoals [gedaagde] heeft voorgesteld, kunnen partijen in het kader van het te starten mediationtraject samen opnieuw evaluatieformulieren invullen met vernietiging van andere formulieren alsook het eerstejaarsevaluatieformulier
en die bij het UWV inleveren.
[gedaagde] moet de werkelijke buitengerechtelijke kosten betalen
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de werkelijke buitengerechtelijke proceskosten van € 7.822,43 of een ander door de kantonrechter in goede justitie vastgesteld bedrag.
Het is vaste jurisprudentie dat een vordering tot vergoeding van de werkelijke kosten van juridische bijstand alleen toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden. Voor een vergoeding voor de werkelijke buitengerechtelijke kosten moet sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen of een (andere) schending van goed werkgever- of werknemerschap. Als een partij zich als gevolg daarvan in redelijkheid genoodzaakt heeft gezien juridische bijstand in te schakelen en de gemaakte kosten redelijk zijn, komen deze dan voor vergoeding in aanmerking.
De kantonrechter ziet in dit geval aanleiding om [gedaagde] te veroordelen tot een voorschot als vergoeding van een deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten die [eiser] werkelijk heeft moeten maken. De kosten die de gemachtigde van [eiser] in dit kader heeft gedeclareerd kwalificeren naar het oordeel van de kantonrechter als buitengerechtelijke kosten en kunnen eveneens de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden en ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door: de onterechte loonopschorting en loonstop, het zonder rechtens acceptabele reden niet-opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts en het weigeren van de verlofaanvragen zonder zwaarwichtige reden. Om zich hiertegen te verweren heeft [eiser] kosten moeten maken die vanwege de genoemde normschending voor rekening van [gedaagde] moeten komen. Dat betekent dat de gemaakte kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden ter verweer van de ernstig verwijtbare gedragingen van [gedaagde] , voor een werkelijke kostenvergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in redelijkheid deze buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten. Op de facturen die [eiser] heeft overgelegd is echter niet aangegeven op welk onderdeel van de verschillende vorderingen van [eiser] de verscheidene buitengerechtelijke werkzaamheden en -kosten zien en dat is wel nodig aangezien niet alle buitengerechtelijke werkzaamheden in aanmerking komen voor een werkelijke vergoeding; Een deel van de vorderingen van [eiser] waarvoor ook buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, wordt immers niet toegewezen. In dit kort geding kan wel een voorschot worden genomen op de vergoeding voor de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in dit kort geding toewijzing van een voorschot van € 5.000,00 redelijk is. [gedaagde] wordt tot betaling daarvan veroordeeld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, maar niet de werkelijke proceskosten
Tot slot vordert [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente hierover.
De wet regelt dat een partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten kan worden veroordeeld. Dit zijn de kosten zoals vastgesteld in het gebruikelijke liquidatietarief. De kantonrechter kan een volledige vergoedingsplicht van de proceskosten alleen toewijzen in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het (laten) aanspannen van een procedure geldt een hele strenge toets, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door het Europese recht. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake, zodat het normale liquidatarief wordt toegepast.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [eiser] (inclusief nakosten) aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
155,67 |
|
|
- griffierecht |
€ |
753,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.917,67 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over:
-
het te laat betaalde brutoloon van juni 2026 van € 1.0444,96;
-
het te laat betaalde brutoloon van juli 2026 van € 3.483,20;
met bepaling dat het netto-equivalent van de hiervoor vermelde brutobedragen binnen veertien dagen na de vonnisdatum door [gedaagde] aan [eiser] moet zijn betaald met gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie hiervan aan [eiser] ,
gebiedt [gedaagde] om gedurende de resterende periode waarin [eiser] arbeidsongeschikt is en aanspraak heeft op loon ex artikel 7:629 BW bij ongewijzigde omstandigheden, uiterlijk op de tussen partijen gebruikelijk salarisbetalingsdatum het volledige verschuldigde loon, vakantiebijslag en overige looncomponenten aan [eiser] te voldoen, met verstrekking van een deugdelijke loonstrook op de dag waarop die gebruikelijk wordt verstrekt,
gebiedt [gedaagde] om binnen zes weken na de datum van dit vonnis een mediationtraject op te starten bij een MfN-geaccrediteerde mediator,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan het gebod onder 4.3. voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
verbiedt [gedaagde] om [eiser] op te dragen arbeid, werkzaamheden, werkuren, werkplekken of reintegratieactiviteiten te verrichten die:
-
de door de bedrijfsarts vastgestelde urenbeperking overschrijden;
-
de door de bedrijfsarts vastgestelde fysieke beperkingen overschrijden;
-
niet vooraf zijn goedgekeurd of geadviseerd door de bedrijfsarts dan wel arbeidsdeskundige;
tenzij daarvoor een aantoonbare rechtens acceptabele reden is als overwogen onder 3.16. van dit vonnis,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 per onder 4.5. vermelde verbodsonderdelen wanneer [gedaagde] niet aan dat verbodsonderdeel voldoet en € 250,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde] de verboden opdracht laat voortduren, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
verbiedt [gedaagde] verlofaanvragen van [eiser] te weigeren zolang er geen door de bedrijfsarts geformuleerd medisch bezwaar of geen aangetoond zwaarwichtig bedrijfsbelang bestaat dat er noodzakelijkerwijs toe moet leiden dat het alsdan verzochte verlof moet worden geweigerd,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of een gedeelte daarvan dat zij hier niet aan het verbod onder 4.7. voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een voorschot van € 5.000,00 op de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiser] van € 1.917,67 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.