Strafrecht overig

Vrijspraak van medeplegen van het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten.

Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2021

Zaakgegevens

Op 28 september 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
28 september 2021
Datum publicatie
8 november 2021
Zaaknummer
16.240791-20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:5427
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van medeplegen van het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.240791.20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 december 2020 (aanhouding op voorhand), 20 april 2021 (aanhouding op voorhand) en 14 september 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1, primair

in de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] samen en in vereniging met een ander opzettelijk 753 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 1, subsidiair

medeplichtig is aan het primair ten laste gelegde, door in de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] een pand beschikbaar te stellen waarin medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk 753 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 2, primair

in de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] samen en in vereniging met een ander een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Stedin door middel van verbreking;

Feit 2, subsidiair

medeplichtig is aan het primair ten laste gelegde, door in de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] een pand voor de teelt van hennep beschikbaar te stellen waarin medeverdachte [medeverdachte] een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Stedin door middel van verbreking.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie moet verdachte van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd van 50 uur taakstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Niet wettig en overtuigend kan volgens haar worden bewezen dat verdachte enige actieve betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij, noch dat zij wist dat de hennepkwekerij in het pand aanwezig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten, noch aan de medeplichtigheid daaraan. Voor het medeplegen van diefstal van elektriciteit of de medeplichtigheid daaraan acht de rechtbank ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Van deze feiten zal de rechtbank verdachte dan ook integraal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feit 1 primair

Vastgesteld kan worden dat in het pand aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] op 10 april 2018 een hennepkwekerij is aangetroffen met daarin 753 hennepplanten. De hennepkwekerij bevond zich in de kelderruimte. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte begin december 2017 de huurovereenkomst heeft afgesloten voor het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen en dat haar man, medeverdachte [medeverdachte] , betrokken is geweest bij de hennepteelt. Hij heeft immers bekend dat hij die hennepkwekerij heeft opgebouwd en dat hij daarin de aangetroffen hennepplanten heeft geteeld.

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het telen is onder die omstandigheden vereist dat medeverdachte [medeverdachte] bij het telen nauw en bewust met verdachte heeft samengewerkt. Voor die nauwe en bewuste samenwerking bevindt zich geen bewijs in het dossier. Voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennepkwekerij moet kunnen worden vastgesteld dat de hennepplanten zich mede in de machtssfeer van verdachte bevond en dat zij daarvan ook wetenschap had. Ook daarvoor bevindt zich onvoldoende bewijs in het dossier.

Verdachte heeft immers verklaard dat zij de huurovereenkomst van het pand heeft afgesloten, met als doel daarin een winkel te beginnen. Uiteindelijk zou zij pas in februari 2018 met haar winkel zijn begonnen omdat zij daarvoor ziek was. Zij heeft in die periode onder meer een knieoperatie ondergaan en thuis moeten revalideren. Dit heeft zij onderbouwd met medische stukken. Van de opbouw van de hennepkwekerij zou zij daarom niets hebben gemerkt. Ook in de periode dat zij wel in het pand was voor de winkel, zou zij niets van de hennepkwekerij hebben gemerkt. Medeverdachte [medeverdachte] zou in die periode in de avonduren in de hennepkwekerij hebben gewerkt. Verdachte was dan al in haar woning in [woonplaats] , waar zij haar hoofdverblijf had. Voor haar winkel hoefde zij nooit in de kelder te zijn. Vanwege haar beperkte mobiliteit was het ook lastig voor haar om daar te komen. Een hennepgeur zou zij ten slotte nooit hebben geroken.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier op enkele punten weliswaar vragen oproept - zo is opvallend dat verdachte een huurovereenkomst heeft afgesloten voor een bedrag van € 2.000,- per maand, terwijl zij en medeverdachte [medeverdachte] financiële problemen hadden – maar die vragen leveren nog geen bewijs op voor wetenschap van de hennepkwekerij, noch voor het aannemen van beschikkingsmacht.

De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van verdachte niet wordt weerlegd door het dossier. De verbalisanten hebben in hun relaas niet opgenomen dat zij in het bovengedeelte van de woning de geur van hennep hebben geroken. Ook overigens valt uit het dossier niet op te maken dat elders in het pand te merken was dat zich in de kelder een hennepkwekerij bevond, bijvoorbeeld door het geluid van de ventilatoren of het aanwezig zijn van goederen die in relatie stonden tot die hennepkwekerij. Ten slotte acht de rechtbank niet ongeloofwaardig dat verdachte niet in de kelderruimte kwam, gelet op haar beperkte mobiliteit.

Feit 1 subsidiair

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het telen dan wel aanwezig hebben van de hennepkwekerij is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte het pand opzettelijk beschikbaar heeft gesteld voor de exploitatie van de kwekerij. Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte moet daarbij zowel op de medeplichtigheid als op het grondfeit – de hennepteelt – zijn gericht.

De rechtbank is van oordeel dat zich daarvoor ook onvoldoende bewijs in het dossier bevindt. Zoals hiervoor overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het pand dat op haar naam stond. Zij kan de kelderruimte van het pand daarom ook niet voor dat doel ter beschikking hebben gesteld.

Feit 2 primair en subsidiair

Gelet op het voorgaande kan ook niet worden geoordeeld dat verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de diefstal van elektriciteit, zoals ten laste gelegd onder feit 2. Er ontbreken immers bewijsmiddelen in het dossier waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van enige nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, gericht op een dergelijke vorm van diefstal. Voorts is, zoals reeds onder feit 1 is geoordeeld, uit de bewijsmiddelen niet op te maken dat verdachte de kelderruimte van het pand ter beschikking heeft gesteld voor het telen van hennep.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bouteibi, voorzitter, mr. D. Riani el Achhab en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2021.

Mr. Riani el Achhab is niet in staat dit vonnis

mee te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017

tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft

geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad (in een pand aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

753, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art

47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april

2018 te [plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug met elkaar, althans één van

hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] ) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 753, althans een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram

van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april

2018 te [plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

aan die [medeverdachte] en/of onbekend gebleven persoon/personen voornoemd

pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of

de huurpenningen van voornoemd pand te voldoen;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art

48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

2

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari 2018 tot

en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan Stedin, heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte

en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht,

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018

te [plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug een hoeveelheid elektriciteit, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die [medeverdachte]

en/of onbekend gebleven personen en/of aan verdachte toebehoorde, te weten

aan Stedin, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe

te eigenen, terwijl die [medeverdachte] en/of onbekend gebleven personen zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed

onder zijn/haar/hun bereik heeft gebracht door middel van braak en/of

verbreking

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in

of omstreeks de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018 te

[plaatsnaam] , gemeente Utrechtse Heuvelrug, opzettelijk behulpzaam is geweest

en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

aan die [medeverdachte] en/of onbekend gebleven persoon/personen het pand

gelegen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter

beschikking te stellen en/of de huurpenningen van dat pand te voldoen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht,

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )