Strafrecht overig
Poging slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven. Vrijspraak. Medeplegen van poging tot zware…
Rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:1095 · Rechtbank Midden-Nederland · 24 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2023-1095
Zaakgegevens
Op 24 februari 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 24 februari 2023
- Datum publicatie
- 13 maart 2023
- Zaaknummer
- 16/187871-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1095
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven. Vrijspraak. Medeplegen van poging tot zware mishandeling. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. 1 jaar voorwaardelijk met proeftijd van 1 jaar. 80 uur taakstraf.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/187871-21 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (België),
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F.A. Rethmeier en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1, primair:
op 12 juli 2021 te Breukelen samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven;
subsidiair:
op 12 juli 2021 te Breukelen samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2:
op 12 juli 2021 te Breukelen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en acht het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat uit de beelden niet blijkt dat verdachte of een medeverdachte de aangever tegen het hoofd heeft geschopt. De aangever verklaart dat zelf niet en het kan ook niet geconcludeerd worden op basis van de getuigenverklaringen. Indien de rechtbank wel bewezen acht dat er tegen het hoofd is geschopt, kan niet worden vastgesteld dat het schoppen onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden, dat het een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Daarnaast kan de nekklem niet aan verdachte worden toegerekend, omdat het opzet van verdachte en de medeverdachte die de nekklem heeft gezet, uiteenlopen en zij daarom niet als medeplegers gezien kunnen worden. Ook is niet duidelijk in welke mate (hoe stevig) de aangever in een nekklem is gehouden, hoe lang deze nekklem heeft geduurd, of zichtbaar sprake was van ademnood en hoe deze is gestopt. De nekklem levert daarom ook geen aanmerkelijke kans op de dood op.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 1, subsidiair en feit 2 ten laste gelegde en daarbij verzocht verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van het trappen/schoppen tegen het hoofd en het naar de grond trekken/duwen en het bij de nek vastpakken en in een klem houden.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Aangever [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard:
Plaats delict: [straat] , Breukelen .
Pleegdatum/tijd: op maandag 12 juli 2021 om 21:59 uur.
Gisteravond stond ik bij de ingang van mijn eigen flat.
De groep jongens stond bij de flat tegenover mij in een hoekje.
Er stonden heel veel mensen. In ieder geval [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) en [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ).
Eerst duwde [verdachte] mij. Hij duwde mij met zijn twee handen tegen mijn borst aan naar achteren. Toen liep ik weer naar voren en opeens kwam [medeverdachte 1] heel snel naar mij toe. Ik zag dat hij met zijn vuist gebald op mij af kwam. Ik voelde dat hij mij met zijn vuist sloeg op mijn linkerslaap. Dit deed heel veel pijn op mijn hoofd. Het heeft mij verdoofd. Vervolgens werd ik achter elkaar geslagen. Ik zag dat ik werd geslagen door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Ik zag dat ze me sloegen met hun vuisten. Ik voelde echt te veel tegelijk, eentje op mijn voet, eentje op mijn rug, eentje op mijn hoofd.
Ik voelde dat ik naar de grond werd geduwd en kwam op de grond terecht met mijn linkerschouder.
In de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] staat onder meer het volgende:
Uitwendig waargenomen letsel:
blauwe plek linker bovenkaak
linker schouder uit de kom
blauwe plek rechter schouder
pijn linker schouder (na de luxatie/uit de kom gaan).
De rechtbank heeft ter terechtzitting het volgende waargenomen op de camerabeelden van het voorval:
Bij het portiek van de flat aan de [straat] staan meerdere personen. Aangever loopt heen en weer voor deze groep. Medeverdachte [medeverdachte 2] geeft aangever een harde duw. Medeverdachte [medeverdachte 1] geeft een vuistslag tegen het hoofd van de aangever en doet dit nog een keer. Verdachte geeft een harde schop tegen de benen van de aangever waardoor aangever uit balans raakt. Aangever komt op zijn hurken op het trottoir terecht. [medeverdachte 2] schopt aangever tegen zijn benen, waardoor aangever op de grond valt. Verdachte schopt/trapt richting het hoofd van de aangever en slaat/stompt richting het hoofd van de aangever. [medeverdachte 1] schopt/trapt richting het hoofd en tegen het lichaam van de aangever en slaat/stompt tegen het hoofd van de aangever. De aangever en [medeverdachte 1] geraken buiten beeld. Aangever ligt hierbij op de grond.
Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:
Ik heb op 12 juli 2021 bij de flat aan de [straat] in Breukelen aangever weggeduwd. Ik heb hem een tik verkocht. Ik heb hem een tik op zijn hoofd gegeven en een trap op de onderkant van zijn been. Ik gaf hem ook een trap op of zijn schouder of in zijn zij.
De hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte op het trottoir van de [straat] in de richting van het hoofd van de aangever en tegen zijn lichaam hebben geschopt. Daarnaast hebben zij aangever tegen zijn hoofd geslagen.
De rechtbank acht niet bewezen dat aangever door de verdachte tegen zijn hoofd is geschopt. In de eerste plaats heeft de aangever dat zelf niet verklaard en daarnaast is dat ook niet waar te nemen op de camerabeelden. De verklaring van getuige [getuige] die de officier van justitie heeft genoemd, is hiervoor onvoldoende, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de getuige weliswaar heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte tegen het hoofd van de aangever trapte, maar dat niet kan worden vastgesteld of de aangever ook daadwerkelijk geraakt werd, gelet op de andere bewijsmiddelen, zoals hiervoor vermeld. Daarom acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen wel bewezen dat verdachten in de richting van het hoofd hebben geschopt.
Het in de richting van het hoofd schoppen kan onder omstandigheden een poging tot doodslag opleveren. Daar is echter voor vereist dat het schoppen op een dusdanige wijze heeft plaatsgevonden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor zou komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden hoe hard de verdachten schopten en met welke afstand of snelheid, of het door de verdachten gedragen schoeisel geschikt was om potentieel fataal letsel toe te brengen en wat de medische gevolgen voor de aangever zouden kunnen zijn. De rechtbank acht daarom ook niet bewezen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat de aangever – indien hij door de schoppen zou zijn geraakt – zou komen te overlijden.
Ten aanzien van de ‘nekklem’ die medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gezet op het moment dat hij en aangever uit beeld raken en waarbij aangever op de grond komt te liggen, stelt de rechtbank vast dat dit plaatsvond nadat verdachte zich lijkt te distantiëren van het geweld door terug te lopen richting de groep personen bij het appartementencomplex. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte wel snel weer teruggaat richting de plek waar aangever op de grond ligt. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] van aangever weg te halen. De rechtbank is met voorgaande van oordeel dat het moment waarop [medeverdachte 1] de nekklem heeft gezet een nieuwe geweldssituatie betrof, waar verdachte geen wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben wel in een plotselinge gezamenlijke explosie van geweld, meerdere malen in de richting van het hoofd en tegen het bovenlichaam van de aangever getrapt/geschopt en hem met de vuist tegen zijn hoofd geslagen. Het hoofd en het bovenlichaam zijn de kwetsbaarste onderdelen van het menselijk lichaam, waarin de meest vitale organen zich bevinden. Daarnaast hebben de verdachten het geweld uitgeoefend op het moment dat de aangever in beweging was dan wel overeind probeerde te komen en zij dus niet konden inschatten waar hun trappen en klappen terecht zouden kunnen komen. Schoppen die tegen het lichaam zijn gekomen hadden evengoed op kwetsbare plekken van het hoofd kunnen belanden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachten met hun geweldshandelingen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1, subsidiair:
op 12 juli 2021 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht , tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- ( onder meer terwijl hij op de grond lag) meermalen, (met kracht) in de richting van het hoofd en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, en
- meermalen, (met kracht) op de slaap en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
op 12 juli 2021 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht , openlijk, te weten, op of aan de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] :
- meermalen te duwen tegen het lichaam, en
- meermalen te slaan/stompen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, en
- meermalen tegen de benen te schoppen en/of te trappen (waardoor die [slachtoffer] ten val komt);
- naar de grond te trekken en/of te duwen, en
- ( terwijl hij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd en tegen de rug en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
eendaadse samenloop van:
feit 1, subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;
en
feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;
- een taakstraf van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht te volstaan met de gevorderde taakstraf en geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op het tijdsverloop, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn proceshouding en de lange duur van zijn schorsingskader.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten tegen slachtoffer [slachtoffer] . Samen met medeverdachte(n) heeft hij op klaarlichte dag in het openbaar, in het bijzijn van veel andere personen, zonder directe aanleiding met een explosie van geweld een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van het slachtoffer. Het is niet aan de verdachte te danken geweest dat het slachtoffer, die onder meer richting hoofd werd getrapt/geslagen, geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Toen de vechtpartij was gestopt, is verdachte weggegaan, en heeft hij aangever laten liggen op straat zonder verder naar hem om te kijken. Uit de geneeskundige verklaring en de foto’s blijkt dat hij bij de vechtpartij letsel heeft opgelopen en uit zijn verklaringen en vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op de dag van vandaag last ondervindt van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. Dergelijke feiten hebben niet alleen gevolgen voor de directe slachtoffers, maar leveren, vanwege het feit dat zij in het openbaar zijn gepleegd ook gevoelens van angst en onveiligheid op in de maatschappij. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Persoon van verdachte
Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 februari 2023 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank weegt dat niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
Hoewel de voorlopige hechtenis van verdachte al bij de inbewaringstelling onder voorwaarden is geschorst, heeft de rechtbank geen reclasseringsadvies ontvangen. De reclasseringswerker van verdachte heeft wel de rechtbank ingelicht dat zij van mening is dat de reclassering niet langer meer invulling hoeft te geven aan de meldplicht van verdachte. Verdachte is gegroeid. Hij is inmiddels een volwassen man die zijn verantwoordelijkheid neemt. Hij heeft een fulltime baan. Hij heeft een positieve lijn ingezet die de reclassering toejuicht en de reclassering meent dat reclasseringsbemoeienis niet van meerwaarde zal zijn om het risico op recidive te verkleinen.
Conclusie
De rechtbank stelt voorop dat vanwege de aard en de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt geldt. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de positieve ontwikkeling die hij sinds de schorsing heeft doorgemaakt. Hij heeft laten zien dat hij aan zijn toekomst kan bouwen en dat hij sindsdien niet meer in aanraking komt met politie en justitie. Verdachte heeft ook ter terechtzitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Daarnaast houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met de jonge leeftijd van verdachte toen de feiten plaatsvonden. Dat was 19 maanden geleden. Verdachte was toen 18 jaar.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er nog wel een straf dient te volgen die recht doet aan de ernst van de feiten en de gevolgen voor het slachtoffer, maar de rechtbank zal gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen gevangenisstraf – ook niet in voorwaardelijke zin – opleggen.
De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 100 uren, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.
9 BENADEELDE PARTIJ
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.770,-. Dit bedrag bestaat uit € 770,- materiële schade en € 10.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.465,37 aan proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot een bedrag van € 2.135,- toe te wijzen, te weten een bedrag van € 1.750 aan immateriële schade en een bedrag van € 385,- aan materiële schade (het eigen risico), en de proceskosten af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het eigen risico gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de rechtbank verzocht de gevorderde immateriële schade sterk te matigen tot een bedrag van circa € 1.000,-. Ten slotte heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de proceskosten af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Schade
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de vordering van de benadeelde partij is komen vast te staan dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde handelen. De rechtbank acht de materiële schade – voor zover deze ziet op het eigen risico van € 385,- voor het jaar 2021 – een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de materiële schade voor dit bedrag toe. De rechtbank acht het gevorderde eigen risico voor 2023 onvoldoende onderbouwd en verklaart de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk in de vordering.
Naar het oordeel van de rechtbank is tevens vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, nu hij door het oplopen van lichamelijk letsel in de persoon is aangetast. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 10.000,- onvoldoende onderbouwd en zal zelf de schade schatten op basis van de inhoud van het dossier, wat ter onderbouwing van de vordering naar voren is gebracht, en hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 1.000,-.
De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 1.385,- hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Indien een mededader een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel te betalen (en vice versa).
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van
€ 1.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 23 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het uitgangspunt is dat de kosten voor rechtsbijstand die de benadeelde partij heeft moeten maken in strafzaken op dezelfde wijze worden begroot als dat gebeurt in civiele zaken, wat doorgaans neerkomt op het hanteren van het liquidatietarief. De rechtbank is van oordeel dat het door de advocaat van de benadeelde partij ingediende urenoverzicht onvoldoende onderbouwing biedt om af te wijken van het liquidatietarief. De rechtbank zal daarom daar ook niet van afwijken. De rechtbank begroot de kosten tot op heden conform het liquidatietarief kanton op (1 punt x € 396,-) € 396,-.
10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 55, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
11 BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder feit 1, primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
Benadeelde partij
-
wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.385,-;
-
veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
-
verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
-
legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.385,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 23 dagen gijzeling;
-
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
-
veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 396,-;
Voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 februari 2023.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 12 juli 2021 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- ( onder meer terwijl hij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, en/of
- met kracht die [slachtoffer] bij de nek/hals heeft vastgepakt en die [slachtoffer] naar de grond heeft getrokken/geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gedurende langere tijd) in een nekklem heeft gehouden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op de slaap en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2021 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- ( onder meer terwijl hij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, en/of
- met kracht die [slachtoffer] bij de nek/hals heeft vastgepakt en die [slachtoffer] naar de grond heeft getrokken/geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gedurende langere tijd) in een nekklem heeft gehouden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op de slaap en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 12 juli 2021 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht , althans in Nederland, openlijk, te weten, op of aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] :
- meermalen, althans eenmaal te duwen tegen en/of trekken aan het lichaam, en/of
- meermalen, althans eenmaal, te slaan/stompen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen de benen te schoppen en/of te trappen (waardoor die [slachtoffer] ten val komt);
- naar de grond te trekken en/of te duwen, en/of
- ( met kracht) bij de nek/hals vast te pakken en/of (gedurende langere tijd) in een klem te houden, en/of
- ( terwijl hij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of de rug en/of het lichaam te trappen en/of te schoppen;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )