Strafrecht overig

De rechtnbank heropent de zaak en wijst een tussenvonnis om de officier van justitie en de raadsman de…

Rechtbank Midden-Nederland, 13 februari 2026

Zaakgegevens

Op 13 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
13 februari 2026
Datum publicatie
24 april 2026
Zaaknummer
16.037848.20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1865
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtnbank heropent de zaak en wijst een tussenvonnis om de officier van justitie en de raadsman de gelegenheid te geven zich schriftelijk uit te laten over de vraag of het recht op strafvervolging in deze zaak verjaard is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.037848.20 (strafzaak)

Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De strafzaak van de verdachte is (gelijktijdige met de aanhangige ontnemingsvordering) inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. A.E. Lohuis;

  • de advocaat van de verdachte: mr. W.K. Cheng (hierna: de advocaat).

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 26 september 2019 in een woning te Baarn stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn tot het plegen van een strafbaar feit uit de Opiumwet, te weten het kweken van hennep.

3 VOORVRAGEN

De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat uit de gedingstukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat dat het recht tot strafvervolging in deze zaak is verjaard. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij artikel 11a van de Opiumwet (het artikel wat in deze zaak ten laste is gelegd) geldt als strafmaximum een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar. In artikel 70, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald wanneer het recht tot strafvordering door verjaring vervalt. Bij misdrijven waar een strafmaximum van 3 jaar gevangenisstraf geldt, betreft de verjaringstermijn 6 jaar. In deze strafzaak zijn het binnentreden in de woning van verdachte, het verhoor en het opstellen van het ontnemingsrapport allemaal afgerond in oktober 2019. De dagvaarding en de ontnemingsvordering dateren echter van december 2025.

De rechtbank is van oordeel dat er vooralsnog uit de stukken niet gebleken is van een stuiting van de verjaring (een daad van vervolging waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt) als bedoeld in artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovenstaande maakt dat de rechtbank het ernstige vermoeden heeft dat het recht op vervolging in deze zaak is verjaard. Dat heeft ook gevolgen voor de beslissing op de ontnemingsvordering. De rechtbank zal daarom dit tussenvonnis wijzen, de zaak heropenen en het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid geven zich hier (schriftelijk) over uit te laten.

4 BESLISSING

De rechtbank:

- heropent het onderzoek en schorst het onderzoek ter zitting tot 20 maart 2026 om 13.30 uur.

Dit tussenvonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2026.