Strafrecht overig

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging omdat de…

Rechtbank Midden-Nederland, 20 maart 2026

Zaakgegevens

Op 20 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
20 maart 2026
Datum publicatie
24 april 2026
Zaaknummer
16.037848.20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1867
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging omdat de verjaringstermijn i(zowel ten aanzien van de strafzaak als ten aanzien van de ontnemingsvordering) is verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.037848.20 (strafzaak)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De strafzaak van de verdachte is (gelijktijdige met de aanhangige ontnemingsvordering) inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. A.E. Lohuis;

  • de advocaat van de verdachte: mr. W.K. Cheng (hierna: de advocaat).

Met instemming van de officier van justitie en de verdediging is het onderzoek op 20 maart 2026 enkelvoudig gesloten waarna meteen dit meervoudig tot stand gekomen vonnis is uitgesproken.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 26 september 2019 in een woning te Baarn stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn tot het plegen van een strafbaar feit uit de Opiumwet, te weten het kweken van hennep.

3 TUSSENVONNIS

Op 13 februari 2026 heeft de rechtbank in deze strafzaak een tussenvonnis gewezen. De reden voor het wijzen van dit tussenvonnis is dat de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat uit de gedingstukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rees dat het recht tot strafvervolging in deze zaak was verjaard. Daarbij ging de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij artikel 11a van de Opiumwet (het artikel wat in deze zaak ten laste is gelegd) geldt als strafmaximum een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar. In artikel 70, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald wanneer het recht tot strafvordering door verjaring vervalt. Bij misdrijven waar een strafmaximum van 3 jaar gevangenisstraf geldt, betreft de verjaringstermijn 6 jaar. In deze strafzaak zijn het binnentreden in de woning van verdachte, het verhoor en het opstellen van het ontnemingsrapport allemaal afgerond in oktober 2019. De dagvaarding en de ontnemingsvordering dateren echter van december 2025.

De rechtbank was van oordeel dat er vooralsnog uit de stukken niet gebleken was van een stuiting van de verjaring (een daad van vervolging waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt) als bedoeld in artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovenstaande maakte dat de rechtbank ten tijde van het wijzen van het tussenvonnis het ernstige vermoeden had dat het recht op vervolging in deze zaak was verjaard. Dat heeft ook gevolgen voor de beslissing op de ontnemingsvordering. De rechtbank heeft daarom, zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak, het onderzoek heropend en het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid gegeven zich hier (schriftelijk) over uit te laten.

4 SCHRIFTELIJKE STANDPUNTEN

De officier van justitie heeft op 19 februari 2026 laten weten dat zij de rechtbank verzoekt om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van zowel de strafzaak als de ontneming. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij ook tot de conclusie komt dat de zaak is verjaard en er geen sprake is geweest van stuiting van de verjaring.

De raadsman heeft op 27 februari 2026 ook verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van zowel de strafzaak als de ontneming.

5 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. De rechtbank concludeert echter, gelet op al het bovenstaande, dat de resterende voorvraag van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, namelijk of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, ontkennend moet worden beantwoord ten aanzien van de strafvervolging.

6 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2026.