Strafrecht overig
Vrijspraak medeplegen woninginbraak.
Rechtbank Midden-Nederland, 16 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3267 · Rechtbank Midden-Nederland · 16 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3267
Zaakgegevens
Op 16 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- 05.362913.24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3267
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak medeplegen woninginbraak.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 05.362913.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] ,
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl;
-
de advocaat van de verdachte: mr. M. Burgers (hierna: de advocaat);
-
de benadeelde partij: [benadeelde] .
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de periode van 8 november 2024 tot en met 9 november 2024 in Lunteren, samen met een ander, heeft ingebroken in de woning van [benadeelde] endaarbij een geldbedrag heeft gestolen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het feit.
Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat niet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Inleiding
In de nacht van 8 op 9 november 2024 is ingebroken in de woning van [benadeelde] aan de [adres 2] . Het dossier bevat camerabeelden van de beveiligingscamera van deze woning. Op deze beelden is te zien dat twee mannen naar de voordeur van de woning lopen en even later de woning weer verlaten. Van deze beelden is ook een ‘still’ in het dossier gevoegd waarop de man die als tweede man in beeld komt zichtbaar is (hierna: de tweede man).
Vijf verbalisanten ( [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ) stellen in door hen opgemaakte processen-verbaal dat zij de verdachte herkennen op deze camerabeelden als de tweede man. Deze verbalisanten, met uitzondering van [verbalisant 5] , zijn hierover ook gehoord bij de rechter-commissaris. De verdachte heeft steeds ontkend dat hij de inbraak gepleegd heeft.
De vraag is of op grond van de herkenningen de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de woningoverval. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
Herkenningen
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan, ook wanneer deze herkenningen door verbalisanten worden gedaan. Dit geldt vooral wanneer deze herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die kunnen aantonen dat een verdachte bij het hem tenlastegelegde betrokken is, zoals hier het geval is. Bij de beoordeling van het bewijs dient te worden getoetst of de aan de hand van de beelden of ‘stills’ door de verbalisant gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Daarbij is onder meer van belang in hoeverre op de camerabeelden of ‘stills’ voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende kenmerken van de persoon daarop zichtbaar zijn. Hierbij spelen de kwaliteit van de beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop een belangrijke rol. Daarnaast is van belang hoe de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte was. Tot slot is van belang op welke wijze de herkenning tot stand is gekomen, en of een verbalisant bijvoorbeeld beschikte over sturende voorinformatie.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de beelden en de inhoud van de herkenningen het volgende. De camerabeelden zijn in het donker opgenomen en het beeld is zwart wit. De beelden zijn van schuin-boven gesitueerd. Op de beelden zijn twee mannen te zien. De verbalisanten zeggen de tweede man te herkennen als de verdachte. Te zien zijn de loop en het postuur van de tweede man, zijn gezicht, zijn kleding, zijn baard en zijn haardracht. Het gezicht is op de beelden echter niet volledig frontaal zichtbaar. De rechtbank ziet – kortom – een enigszins beperkte kwaliteit van de beelden, die af doet aan de bewijskracht van een daarop gebaseerde herkenning. De persoonskenmerken die de verbalisanten telkens hebben opgeschreven in hun processen-verbaal zijn dan ook niet zo sterk onderscheidend in deze zaak.
Daar komt bij dat de intensiteit en/of frequentie van eerdere contacten met de verdachte ook de nodige vraagtekens oproept. [verbalisant 2] refereert in haar herkenning aan eerdere observaties, maar op basis van het dossier is niet duidelijk of bij die observaties objectief is vastgesteld dat het de verdachte was die zij zag, of dat zij bij die observaties op basis van een fotovergelijking dacht de verdachte te hebben gezien. [verbalisant 3] weet, behalve bij de aanhouding van de verdachte, niet meer wanneer hij de verdachte voor het laatst heeft gezien. Ook uit de herkenning van [verbalisant 5] blijkt dit niet. [verbalisant 4] kan wél een specifiek moment noemen waarop zij de verdachte eerder zag en waarop zij haar herkenning baseert. Haar proces-verbaal heeft echter woordelijke overeenkomsten met het proces-verbaal van [verbalisant 2] , welk proces-verbaal eerder tot stand is gekomen. Dat roept vragen op over de betrouwbaarheid van haar herkenning.
Ook stelt de rechtbank vast dat zowel [verbalisant 5] , [verbalisant 3] als [verbalisant 4] hun processen-verbaal van herkenning pas ná de aanhouding van de verdachte voor deze zaak hebben opgemaakt. Dit terwijl zij alle drie bij de aanhouding, bij het afnemen van vingerafdrukken van de verdachte, dan wel bij de doorzoeking van de auto van de verdachte aanwezig zijn geweest. Zij beschikten op die wijze allemaal, bewust of onbewust, over sturende voorinformatie.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , bij het verzoek van [verbalisant 1] om de beelden van de inbraak te bekijken, een SKDB-foto hebben ontvangen met de naam van de verdachte daarop. Wanneer een herkenning mede gebaseerd wordt op een SKDB-foto van de verdachte met zijn naam eronder, kan niet meer van een zuivere totstandkoming van de herkenning worden gesproken. [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] verwijzen alle drie naar het proces-verbaal van herkenning van [verbalisant 1] , waarbij het fotoblad met de SKDB-foto was gevoegd. Uit de verschillende verhoren bij de rechter-commissaris blijkt dat zij ofwel die SKDB foto ook daadwerkelijk hebben gezien, ofwel zich dit niet meer herinnerden maar wel de beschikking hadden over die foto toen zij hun herkenning op papier zetten. Dit verstevigt de twijfels aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. In feite zijn die herkenningen, alsook die van verbalisant [verbalisant 5] die de verdachte alleen van de afname van vingerafdrukken lijkt te kennen, dan ook veeleer vergelijkingen. De beelden zijn telkens, althans dat kan de rechtbank niet uitsluiten, vergeleken met een SKDB foto van de verdachte. Dit tast de bewijswaarde sterk aan.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen het proces-verbaal van herkenning van [verbalisant 1] , op onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. Van sturende voorinformatie is de rechtbank in dit geval niet gebleken. De inhoud van de herkenning door [verbalisant 1] is echter – zoals hiervoor al vermeld – gebaseerd op camerabeelden die van beperkte kwaliteit zijn. Daarbij komt dat [verbalisant 1] de verdachte al langer in het vizier had in verband met een aantal gepleegde inbraken. De insteek van [verbalisant 1] was om de verdachte op heterdaad aan te houden voor een woninginbraak. De rechtbank sluit niet uit dat deze omstandigheid van invloed is geweest op de herkenning door [verbalisant 1] en acht de bewijswaarde van zijn proces verbaal van herkenning daarom ook enigszins beperkt.
Omdat de herkenning door [verbalisant 1] niet wordt ondersteund door andere, objectieve bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de woninginbraak heeft gepleegd. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.
4 In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om teruggave van de in beslag genomen jas van de verdachte en het bij hem aangetroffen geldbedrag van € 2.770,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt om de in beslag genomen jas en het geldbedrag van de verdachte aan hem terug te geven.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen jas en het geldbedrag van de verdachte.
5 Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 8.784,64,- voor het feit, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 7.659,64,- voor vergoeding van materiële schade en
€ 1.125,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. herstellen kozijn, raam en de muren van de badkamer: € 2.659,64-;
2. meegenomen geldbedrag: € 5.000,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering vanwege de verzochte vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
6 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:
-
1 STK Jas (Omschrijving: PL0600-2024528780-G3340649, zwart, merk: Moncler), voorwerpnummer: G3340649;
-
1 STK geld (Omschrijving: PL0600-2024528780-3332032, € 2.770,-.
aan biljetten);
vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. J.P. Verboom en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 8 november 2024 tot en met 9 november 2024 te
Lunteren, gemeente Ede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
€ 4000, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde]
[benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of
inklimming.