Strafrecht overig

Veroordeling van een 33-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk…

Rechtbank Midden-Nederland, 17 juli 2026

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
16/304723.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4465
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling van een 33-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, omdat zij heeft geprobeerd haar (ex-)echtgenoot van het leven te beroven (poging doodslag). Door met twee grote messen op de aangever af te rennen en te steken bestond het risico dat vitale lichaamsonderdelen zouden worden geraakt. Daar komt bij dat de verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren en in ieder geval te verwachten valt dat hij zich zal bewegen. Een dergelijke dynamische, ongecontroleerde situatie draagt bij aan het aanmerkelijk te achten risico dat vitale lichaamsonderdelen geraakt worden. De aangever liep als gevolg hiervan steekletsels op waaronder een diepe wond in zijn bovenarm en een oppervlakkige steekwond aan de bovenzijde van zijn borst. Dit alles vond plaats terwijl hun jonge kinderen boven lagen te slapen.

De rechtbank vindt een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden, maar trekt daar 6 maanden vanaf in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De shockschade en – daarmee samenhangend – kosten voor studievertraging als gevolg van de poging doodslag, gevorderd door de nicht van de aangever, worden afgewezen nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het vereiste van ‘directe confrontatie’ of van ‘geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld'.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/304723-23

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven op het adres:

[adres 1] , [postcode] in [plaats] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
3 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. F.A.M. Bouwhuis;

  • de advocaat van de verdachte: mr. E. Kaya (hierna: de advocaat);

  • de benadeelde partij (feiten 1 en 2): [slachtoffer] ;

  • de advocaat van benadeelde partij [slachtoffer] : mr. A. Çinar;

  • de benadeelde partij (feit 3): [aangeefster] ;

  • de advocaat van benadeelde partij [aangeefster] : mr. T.R.S. Franssen.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

feit 1

primair: op 9 december 2022 in Baarn heef geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door eenmaal/meermalen met een mes in zijn (boven)arm/borst/lichaam te steken.

subsidiair: is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling;

meer subsidiair: is dit ten laste gelegd als mishandeling;

feit 2

in de periode 9 december 2022 tot en met 10 december 2022 in Baarn opzettelijk en wederrechtelijk de auto van [slachtoffer] heeft vernield;

feit 3

op 5 september 2023 in Leusden opzettelijk en wederrechtelijk de telefoon van
[aangeefster] heeft vernield.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie – feit 2

De rechtbank heeft de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie beoordeeld en stelt vast dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de vernieling van de auto van [slachtoffer] (feit 2). Zij legt dit als volgt uit.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] geen uitdrukkelijke aangifte heeft gedaan van de vernieling van zijn auto op 9 december 2022. Bijna een jaar na kennisname van de vernieling, namelijk op 29 november 2022, wordt door hem een klacht ingediend die strekt tot de uitdrukkelijke wens tot vervolging van zijn (ex-)echtgenoot wegens de vernieling van zijn auto. Aangezien vernieling van een goed van een ex-echtgenoot alleen na een klacht kan worden vervolgd en de klacht van [slachtoffer] buiten de wettelijke termijn valt, is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van dit feit.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten zoals deze (primair) op de beschuldiging staan heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte integraal vrij te spreken van alle feiten. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak vernieling telefoon (feit 3)

De rechtbank oordeelt dat de vernieling van de telefoon van [aangeefster] niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Het gaat om de vernieling van een telefoon die in de kapsalon van de verdachte en haar ex-man lag. Volgens de aangeefster was deze telefoon van haar. Maar op basis van het dossier en de zitting is niet vast te stellen wie op de datum van de vernieling de eigenaar was van de desbetreffende telefoon. De verdachte heeft namelijk verklaard dat zij en haar ex-partner de telefoon van aangeefster hadden gekregen, omdat de telefoon in hun kapsalon kapot was gegaan. De verdachte verklaart verder dat zij aangeefster daarvoor een vergoeding hebben gegeven en dat de telefoon vanaf dat moment van de kapsalon was. Deze verklaring kan op basis van het dossier niet als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde kan worden geschoven, waardoor in redelijkheid getwijfeld kan worden over de vraag van wie de telefoon op dat moment was.

4.3.2.

Bewijsmiddelen poging doodslag (feit 1, primair)

De rechtbank oordeelt dat feit 1 (primair) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 3 augustus 2023, voor zover inhoudende:

Plaats delict: [adres 1] , [postcode] [plaats]

Pleegdatum/tijd: 9 december 2022

Ik ben op 9 december 2022 aangevallen door mijn toenmalige vrouw [verdachte] . Ik stond in de open keuken met de rug naar onze woonkamer. Ik draaide mij om. Ik zag dat mijn vrouw (de rechtbank begrijpt: de verdachte) twee grote vleesmessen met een lemmet van ik schat 30 centimeter in haar beide handen had.

Ik zag dat mijn vrouw op mij af kwam rennen, ik zag dat zij beide messen uitgestoken richting mij, ter hoogte van haar schouders vast had. Toen mijn vrouw voor mij stond, voelde ik direct een stekende pijn in mijn linker bovenarm. Ik wist direct dat ik door haar gestoken was. Ik voelde direct nog een steek op mijn borst, ongeveer 4 centimeter onder mijn keel door het andere mes die ze vast had in haar linkerhand.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2023, voor zover inhoudende:

Medische verklaring 9 december 2022

Betreft de medische verklaring van het bezoek van [slachtoffer] aan de

spoedeisende hulp van het Tergooi ziekenhuis op 9 december 2022.

Uit deze verklaring blijkt het volgende letsel bij [slachtoffer] :

Diepe weefselverscheuring van 7 cm op de bovenarm links;

Oppervlakkige weefselverscheuring van 1.5 cm op de bovenarm links;

Oppervlakkige weefselverscheuring van 1 cm thv van het borstbeen.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2023, voor zover inhoudende:

Getuige [getuige] (de rechtbank begrijpt: de dochter van de zus van het slachtoffer) verklaarde dat ze WhatsApp gesprekken heeft die van waarde kunnen zijn voor het onderzoek. Deze stuurde ze mij direct toe. Een van de gesprekken was tussen [getuige] en haar vriend [A] .

Dit chatgesprek vindt plaats op vrijdag 9 december 2022 tussen 01:34 en 03:28. In dit gesprek stuurt [getuige] naar haar vrienddat [verdachte] [slachtoffer] in zijn arm heeft gestoken. Opmerking verbalisant: " [slachtoffer] " betekend oom in het Turks.

Opmerking verbalisant: Het tijdstip van gesprek 2 vond plaats vlak na het incident.

Een forensisch medische letselrapportage met benoeming als gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Scenario slachtoffer zoals verteld door [slachtoffer]

De verwondingen lijken op de wijze zoals beschreven in dit scenario (de rechtbank begrijpt: van de aangever) te kunnen zijn ontstaan.

Scenario verdachte zoals verteld door mevrouw [verdachte]

Uit de verklaring (de rechtbank begrijpt: van de verdachte) kan worden opgemaakt dat slachtoffer in het mes moet zijn gevallen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat daarbij een verwonding van zowel de buitenzijde als de binnenzijde van de linker bovenarm is ontstaan. Los daarvan lijkt de kans erg klein dat bij vallen dergelijke wonden ontstaan omdat het mes in de val waarschijnlijk wordt losgelaten.

Aanvullend scenario verdachte

Daarnaast is er nog een aanvullende verklaring van de verdachte.

[slachtoffer] zou dermate onder invloed zijn geweest van GHB, cocaïne en alcohol dat er ruzie is ontstaan in de woning. Daarbij zou [slachtoffer] met een mes in zijn handen dreigend zijn geweest naar [verdachte] . Daarbij zou [verdachte] een kleine snee op haar arm hebben opgelopen. Waarna [slachtoffer] door zijn middelengebruik onderuit is gegaan en in zijn mes is gevallen. Daar heeft hij een grote snee in zijn arm aan over gehouden. Vervolgens zou hij met dit mes op zijn keel dreigend voor [verdachte] dat hij zichzelf zou neersteken.

Ten aanzien van dit scenario kan worden opgemerkt dat het zeer onwaarschijnlijk, zo niet ónmogelijk is, dat bij het vallen in een mes drie verwondingen op drie verschillende plaatsen ontstaan al kunnen de verwondingen theoretisch ook volgtijdelijk zijn ontstaan. Hierboven werd al opgemerkt dat het mes in de val waarschijnlijk wordt losgelaten, en de kans op een dergelijke wond daarom erg klein is.

4.3.3.

Bewijsoverwegingen feit 1

Vaststaat dat de aangever in de vroege ochtend van 9 december 2022 steekletsels heeft opgelopen en dat alleen de verdachte en de aangever beneden in de woning aanwezig waren. Zij hadden ruzie, omdat de verdachte – kort daarvoor – erachter was gekomen dat de aangever een affaire had. De verklaringen van zowel de verdachte als de aangever komen op deze punten overeen. De verklaringen lopen uiteen als het gaat over de toedracht van de steekletsels bij de aangever.

Alternatief scenario

De advocaat van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle varianten zoals deze onder feit 1 op de beschuldiging staan, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die de steekletsels bij de aangever heeft toegebracht. De verdachte heeft namelijk een aannemelijke (alternatieve) verklaring gegeven voor wat er is gebeurd. De aangever zou onder invloed van drugs in het mes zijn gevallen waardoor de letsels aan zijn (boven)arm zijn ontstaan en vervolgens heeft hij zichzelf in zijn hals gestoken, omdat de verdachte dreigde ook vreemd te zullen gaan. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.

Een forensisch arts heeft onderzoek gedaan naar de aannemelijkheid van het alternatieve scenario dat de verdachte schetst. De onderzoeker heeft dat scenario afgezet tegen de verwondingen die de aangever heeft opgelopen. De conclusie daarvan is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het letsel (aan zowel de binnenzijde als aan de buitenzijde van de linker bovenarm) is ontstaan doordat de aangever in het mes is gevallen. Daar komt bij dat een mes tijdens het vallen waarschijnlijk wordt losgelaten, waardoor het scenario van de verdachte nog onwaarschijnlijker is.

De rechtbank is met de forensisch arts van oordeel dat het door de verdachte geschetste scenario niet past bij de bij de aangever aangetroffen letsels. De rechtbank schuift het alternatieve scenario van de verdachte daarom als niet aannemelijk terzijde.

Poging tot doodslag?

Op basis van de bewijsmiddelen genoemd onder paragraaf 3.3.3 stelt de rechtbank vast dat de verdachte met twee grote vleesmessen in de (boven)arm en de borst van de aangever heeft gestoken. Hierdoor heeft de aangever verwondingen opgelopen.

Met betrekking tot de primair verweten poging tot doodslag overweegt de rechtbank het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – opzet had op de dood van de aangever, waarmee sprake zou zijn van een poging tot doodslag.

Vol opzet?

Voor vol opzet op de dood is vereist dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling had de aangever van het leven te beroven.

De enige verklaring in het dossier over hoe de steekpartij is verlopen, is de verklaring van de aangever. Verder is er (op de verdachte na) niemand aanwezig geweest en zijn er dus ook geen getuigen van het incident. De verklaring van de aangever biedt onvoldoende aanknopingspunten om duidelijk te kunnen vaststellen hoe de steekpartij precies is verlopen, met welke kracht er is gestoken en bijvoorbeeld wat voor bewegingen aangeefster heeft gemaakt.

Nu er zoveel onduidelijk is, biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot het oordeel dat uit de gedragingen van verdachte - naar de uiterlijke verschijningsvorm - sprake is van vol opzet op de dood.

De rechtbank merkt nog op dat het dossier verklaringen bevat van getuigen die kort na het incident ter plaatse zijn gekomen. Deze getuigen geven aan dat de verdachte toen bepaalde uitlatingen heeft gedaan, die zouden kunnen duiden op vol opzet op de dood. Zo wordt bijvoorbeeld aangegeven dat de verdachte verklaard zou hebben dat het haar niet gelukt was om de verdachte te doden. De rechtbank heeft deze verklaringen met terughoudendheid bekeken. Want – zoals de advocaat terecht heeft opgemerkt – zijn deze verklaringen bijna een jaar na het steekincident afgelegd door familieleden van de aangever die een verstoorde verhouding hadden met de verdachte.

Voorwaardelijk opzet?

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van vol opzet, dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet aan de kant van de verdachte. Daarvoor dient te worden vastgesteld dat de verdachte met haar handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood van de aangever als gevolg van haar handelen zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte onder hevige emoties met in beide handen een groot vleesmes ter hoogte van haar schouders voor zich uitgestoken op de aangever afrende. De aangever stond op dat moment in een kleine open keuken met zijn rug naar de verdachte. Hij draaide zich om, waarna hij de verdachte met de messen zag staan en op zich af zag rennen. Daarbij raakte zij hem in zijn linker bovenarm en in zijn borst.

De rechtbank acht de kans dat de aangever hierbij zou komen te overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Door met twee grote messen op de aangever af te rennen en te steken bestond namelijk het risico dat vitale lichaamsonderdelen zouden worden geraakt. Daar komt bij dat de verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren en in ieder geval te verwachten valt dat hij zich zal bewegen. Een dergelijke dynamische, ongecontroleerde situatie draagt bij aan het aanmerkelijk te achten risico dat vitale lichaamsonderdelen geraakt worden.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met haar gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij de aangever zou doden met haar messteken. Dat niet kon worden vastgesteld met hoeveel kracht er is gestoken, doet niet aan deze conclusie af, nu ook door een messteek met geringe kracht de aanmerkelijke kans aanwezig was dat een vitaal lichaamsdeel zou worden geraakt. Van contra-indicaties die de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dodelijk letsel niet bewust heeft aanvaard, is niet gebleken.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook voorwaardelijk opzet op het doden van de aangever aanwezig. De verweren worden verworpen. De rechtbank acht poging tot doodslag zoals primair onder feit 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1, primair:

op 9 december 2022 te Baarn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met messen in de (boven)arm en de borst heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5 Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

feit 1, primair: poging tot doodslag.

5.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6 Straf

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:

- een meldplicht bij de reclassering;

- het volgen van een ambulante behandeling;

De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd

- een contactverbod met [slachtoffer] en [aangeefster] , tenzij reclassering/Samen Veilig toestemming verleent en een locatieverbod om zich op 200 meter van de [adres 2] in [plaats] te begeven als vrijheidsbeperkende maatregel zoals neergelegd in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te vervangen door 3 dagen hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet met een maximum van 6 maanden;

De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Het locatieverbod binnen een straal van 200 meter van de [adres 2] in [plaats] moet niet worden opgelegd, omdat de omgang tussen de verdachte en haar kinderen daarmee wordt bemoeilijkt.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft haar ex-echtgenoot in het huis waarin zij samenwoonden geprobeerd van het leven te beroven door met twee grote vleesmessen uitgestoken ter hoogte van haar schouders op hem af te rennen en vervolgens in zijn lichaam te steken. De aangever liep als gevolg hiervan steekletsels op waaronder een diepe wond in zijn bovenarm en een oppervlakkige steekwond aan de bovenzijde van zijn borst. Dat de verdachte hierbij geen dodelijk letsel heeft aangericht is slechts toevallig. Dit alles vond plaats terwijl hun jonge kinderen boven lagen te slapen.

De verdachte heeft met haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en heeft geprobeerd het meest fundamentele recht dat een mens heeft van de aangever te ontnemen: het recht op leven. Daar komt nog bij dat het gaat om de vader van haar kinderen die door haar handelen ook slachtoffer zijn geworden.

De verdachte heeft geen inzicht in haar handelen gegeven en plaatst de schuld volledig buiten zichzelf. Dit neemt de rechtbank haar kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 9 juni 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.

De reclassering heeft op 24 juni 2026 een advies geschreven over de verdachte. In dit advies komt naar voren dat er bij de verdachte sprake lijkt te zijn van een beperkte emotieregulatie en copingsvaardigheden in relationele sfeer en beperkte oplossingsvaardigheden. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kan de reclassering het gevaar op herhaling niet inschatten. Desondanks adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht reclassering (1), een ambulante behandeling (2), een contactverbod met de slachtoffers (3) en een locatieverbod (4).

De reclassering schrijft verder op dat de verdachte bij een (langere) gevangenisstraf haar huurwoning zal verliezen en dit van negatieve invloed zal zijn op de omgang met haar kinderen. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een werkstraf. Gezien de beperkte financiële belastbaarheid van de verdachte is een financiële sanctie volgens de reclassering minder wenselijk.

Strafoplegging

De rechtbank houdt rekening met de straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kan niet anders of lichter worden gereageerd dan met een straf die vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt. In soortgelijke zaken worden gevangenisstraffen opgelegd van meerdere jaren. De rechtbank vindt onder de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden, maar ziet redenen om een deel voorwaardelijk op te leggen en om de straf te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn is overschreden. De verdachte is weliswaar niet aangehouden en in verzekering gesteld, maar op 23 november 2023 wel uitgebreid verhoord over dit ernstige verwijt. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is dus ten tijde van het wijzen van dit vonnis met ruim 8 maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet leiden tot een strafvermindering. Van een, op zichzelf genomen, passende en geboden gevangenisstraf van 36 maanden zal de rechtbank vanwege deze overschrijding 6 maanden aftrekken.

De rechtbank ziet verder op basis van het reclasseringsrapport en vanuit het strafdoel om herhaling te voorkomen een groot belang in de oplegging van een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel. Daaraan zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden, namelijk de meldplicht en ambulante behandeling, zoals deze zijn voorgesteld door de reclassering. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om – in welke vorm dan ook – een contact- en locatieverbod op te leggen. De verdachte wordt namelijk een gevangenisstraf van langere duur opgelegd en niet is gebleken dat er tot op heden enig contact is geweest tussen de verdachte en de aangever. Bovendien zal het voorgestelde locatieverbod problemen opleveren voor de omgangsregeling met de kinderen.

Gelet op het voorgaande legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals in het dictum vermeld. De verdachte heeft niet in voorarrest gezeten. Dat betekent dat de verdachte nu na zo’n lange tijd alsnog langere tijd in de gevangenis moet gaan doorbrengen. De rechtbank realiseert zich dat dit grote gevolgen zal hebben voor de verdachte, zoals de reclassering in het adviesrapport heeft vermeld, maar vindt, gelet op de ernst van het feit, dat geen andere straf dan een langere gevangenisstraf op zijn plaats is.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7 Vordering benadeelde partij

7.1.

Vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer] en [aangeefster] hebben zich gesteld als benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer] (feit1)

[slachtoffer] vordert een bedrag van € 33.354,75. Dit bedrag bestaat uit € 25.854,75 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op:

- eigen risico zorgverzekering (€ 249,-);

- kosten voor herstel schade aan de auto (€ 1.912,50);

- kosten voor de beschadigde kleding (€ 11.330,60);

- niet vergoede zorgkosten (€ 278,92);

- reiskosten naar ziekenhuis en psycholoog (€178,73);

- kosten voor informatie-inwinning bij de huisarts (€ 50,-);

- kosten voor littekenverwijdering (€ 9.455,-);

- kosten voor herstel tatoeage (€ 2.400,-);

- verlies van inkomsten (de benadeelde partij vraagt deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren nu de hoogte van deze schadepost nog niet kan worden vastgesteld);

De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 7.500,- ziet op zowel lichamelijk als psychisch letsel. Namens de benadeelde partij is op de zitting aangegeven dat reeds een bedrag van € 2.500,- is vergoed door het schadefonds en dat daarom geen € 10.000,- meer wordt gevorderd.

Hoewel in de stukken en op zitting de reiskosten naar het ziekenhuis en psycholoog en de kosten voor inwinning bij de huisarts worden geschaard onder proceskosten, gaat het hier om materiële schade, zoals hierboven staat vermeld.

- De proceskosten bestaan dan alleen uit: reiskosten naar de advocaat (€ 133,98)

De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente (ten aanzien van alle schadeposten vanaf 9 december 2022). Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [aangeefster] (feiten 1 en 3)

[aangeefster] vordert een bedrag van € 33.794,-. Dit bedrag bestaat uit € 28.294,- aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op:

- kosten voor de beschadigde telefoon (€ 769,-) als gevolg van feit 3;

- kosten voor de studievertraging (€ 27.525,-), als gevolg van feit 1.

De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.500,- ziet op geestelijk letsel als gevolg van feit 1 (shockschade).

De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente (ten aanzien van alle schadeposten vanaf 9 december 2022). Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

Vordering [slachtoffer]

De officier van justitie adviseert wat betreft de kleding alleen de kosten voor de jas en het T-shirt - welke de benadeelde partij tijdens het steekincident aan had - toe te wijzen en in de hoogte van het toe te wijzen bedrag rekening te houden met de dagwaarde van deze kledingstukken. De overige materiële schadeposten, de immateriële schade en de proceskosten zijn volgens de officier van justitie volledig toewijsbaar.

Vordering [aangeefster]

De officier van justitie adviseert de kosten voor de telefoon volledig toe te wijzen en de benadeelde partij voor wat betreft de kosten voor de studievertraging en de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De officier van justitie vraagt voor beide vorderingen het toe te wijzen bedrag te verhogen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.

Standpunt van de verdediging

Vordering [slachtoffer]

De advocaat vraagt primair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair vraagt hij ten aanzien van de materiële schade de volgende schadeposten af te wijzen:

- eigen risico zorgverzekering;

- kosten voor de beschadigde kleding;

- kosten voor littekenverwijdering;

- kosten voor herstel tatoeage;

- verlies van inkomen (dan wel deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren),

vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en het ten laste gelegde feit en/of het ontbreken van onderbouwing van de schadepost.

De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kosten voor herstel van de schade aan de auto.

De advocaat vraagt verder om de immateriële schade af te wijzen vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de gestelde psychische schade en het ten laste gelegde feit.

Vordering [aangeefster]

De advocaat vraagt primair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair moeten volgens de advocaat alle gevorderde schadeposten worden afgewezen omdat niet aan de wettelijke vereisten van toewijzing wordt voldaan. Meer subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat slechts de dagwaarde van het telefoontoestel voor vergoeding in aanmerking komt.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

Met betrekking tot de materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde zorgkosten (eigen risico en niet vergoede zorgkosten), de reiskosten (met uitzondering van de reiskosten naar de advocaat) en de kosten voor wat betreft inwinning van informatie bij de huisarts is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 756,65,- toewijzen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 26 juni 2026, zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend. De rechtbank kiest uit praktisch oogpunt bij deze posten voor deze ingangsdatum. Bij de zorgkosten gaat het om facturatie in termijnen, waardoor het ontstaansmoment van de schade niet duidelijk te bepalen is.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de beschadigde kleding oordeelt de rechtbank dat deze schadepost gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. Het is aannemelijk dat de jas en het T-shirt - die de benadeelde partij droeg op het moment van het steekincident - beschadigd zijn geraakt. Deze schade staat in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit 1. De rechtbank zal echter gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, omdat de onderbouwing van de hoogte van het bedrag onvoldoende is gebleken en stelt dit bedrag naar billijkheid vast op € 300,-. De rechtbank wijst het overige gevorderde ten aanzien van deze schadepost af, nu dit deel niet in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit 1. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 9 december 2022, zijnde de datum waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de kosten voor herstel van de schade aan de auto niet-ontvankelijk in de vordering, nu de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging van feit 2 en deze schadepost enkel in rechtstreeks verband staat met dit feit.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade (littekenverwijdering, herstel tatoeage en verlies van inkomsten) niet-ontvankelijk, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Met betrekking tot de immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde meerdere steekwonden opgelopen. De benadeelde partij heeft in zijn vordering ook onderbouwd psychische klachten te hebben opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 10 onder b (middelzware littekenvorming) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de € 5.500,- en € 16.000,-. Nu de benadeelde partij twee grotere littekens op zijn (boven)arm en psychische klachten heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde, begroot de rechtbank de schade naar billijkheid op een bedrag van € 10.000,-. Namens de benadeelde partij is op de zitting naar voren gebracht dat reeds een bedrag van € 2.500,- is vergoed door het schadefonds en dit bedrag daarom van het gevorderde immateriële bedrag kan worden afgetrokken. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 7.500,- immateriële schade toe.

De rechtbank is van oordeel dat in totaal een bedrag van € 1.056,65 aan materiële schade en

€ 7.500,- aan immateriële schade voor rekening van de verdachte komt en dus voor toewijzing in aanmerking komt. In totaal wijst de rechtbank een bedrag van € 8.556,65 toe.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. Want de reiskosten van de benadeelde naar de advocaat komen volgens de te hanteren maatstaf in civiele procedures niet voor vergoeding in aanmerking. De overige aangevoerde proceskosten heeft de rechtbank begrepen als materiële schade en hierboven besproken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte het toegewezen bedrag aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals hierboven vermeld, tot de dag van volledige betaling.

Als door de verdachte niet wordt betaald, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals vermeld in het dictum, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Vordering [aangeefster] (feiten 1 en 3)

Met betrekking tot de materiële schade (feit 3)

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan haar onder feit 3 ten laste gelegde. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Met betrekking tot de (im)materiële schade (feit 1)

De benadeelde partij heeft ook shockschade (immaterieel) en - daarmee samenhangend - kosten voor studievertraging (materieel) gevorderd die zij heeft geleden als gevolg van feit 1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van schockschade plaatsvinden wanneer bij een derde, die (over het algemeen) een naaste van het eigenlijke slachtoffer is, geestelijk letsel ontstaat – in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld – door de rechtstreekse confrontatie met de gruwelijke gevolgen van de onrechtmatige daad die tegen het eigenlijke slachtoffer is gepleegd.

Op basis van de onderbouwing van deze schadepost en getoetst aan voornoemde voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het vereiste van ‘directe confrontatie’ of van ‘geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld’. De rechtbank zal het verzoek tot vergoeding van shockschade daarom afwijzen. De daarop gebaseerde schadepost die ziet op de studievertraging wijst de rechtbank om die reden ook af.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding geldt in de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de vordering wordt gedeeltelijk afgewezen, waardoor voor een deel niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om zich tegen deze vordering te verweren. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- Artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

niet-ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde;

vrijspraak

- verklaart feit 3 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 (primair) heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarde gelden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

1. Meldplicht reclassering

zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524SJ Utrecht;

2. Ambulante behandeling

zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.556,65 bestaande uit

€ 1.056,65 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- immateriële schade: 9 december 2022;

- materiële schade:

? jas en T-shirt (€ 300,-): 9 december 2022;

? zorgkosten (€ 527,92), de reiskosten (€ 178,73) en de kosten inwinning van informatie bij de huisarts (€ 50,-): 26 juni 2026;

tot de dag van de algehele voldoening;

  • wijst de vordering voor wat betreft het meer gevorderde aan kosten voor de beschadigde kleding af;

  • verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer overig gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 8.556,65 (bestaande uit € 1.056,65 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- immateriële schade: 9 december 2022;

- materiële schade:

? jas en T-shirt (€ 300,-): 9 december 2022;

? zorgkosten (€ 527,92), de reiskosten (€ 178,73) en de kosten inwinning van informatie bij de huisarts (€ 50,-): 26 juni 2026;

tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 67 dagen gijzeling.

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster] (feiten 1 en 3)

  • verklaart [aangeefster] gedeeltelijk niet-ontvankelijk in de vordering wat de schadepost die ziet op feit 3 betreft, en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • wijst de vordering van [aangeefster] voor het overige deel af (schadeposten die zien op feit 1).

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek en mr. L.R.H. Koekoek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij:

feit 1

op of omstreeks 9 december 2022, te Baarn, althans in Nederland, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met een of meer mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in

de (boven)arm en/of de borst, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

op of omstreeks 9 december 2022, te Baarn, althans in Nederland, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met een of meer mes(sen), althans met (een) scherp

en/of puntig voorwerp(en), in de (boven)arm en/of de borst, althans het lichaam

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

op of omstreeks 9 december 2022, te Baarn, althans in Nederland, [slachtoffer]

heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of

meer mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in de

(boven)arm en/of de borst, althans het lichaam te steken;

feit 2

in of omstreeks de periode van 9 december 2022 tot en met 10 december 2022, te

Baarn, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] ,

toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 3

op of omstreeks 5 september 2023, te Leusden, althans in Nederland, opzettelijk

en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan een ander, te weten aan [aangeefster] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd,

onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2023359688, doorgenummerd pagina 1 tot en met 337. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 30. Pagina 31. Pagina 35. Pagina 107. Pagina 75. Pagina 76. In de schriftelijke vordering van de benadeelde partij bedraagt de hoogte van deze schadepost € 385,-. Op de zitting is dit bedrag namens de benadeelde partij hersteld naar € 249,-.