Strafrecht overig
Veroordeling van een 43-jarige man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van…
Rechtbank Midden-Nederland, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5154 · Rechtbank Midden-Nederland · 3 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-5154
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 16/105939-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5154
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling van een 43-jarige man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest wegens drie diefstallen uit een woning, waarbij twee keer sprake was van insluiping en één keer van inklimming. De slachtoffers waren steeds oudere, kwetsbare mensen. Dat kwetsbare ouderen vaker het slachtoffer worden van dit soort feiten wordt schrijnend duidelijk uit de aangifte van één van de slachtoffers waarin zij aangeeft dat er niets is weggenomen, omdat ‘ze de sieraden de vorige keer al hebben meegenomen’. De verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven en neemt daarmee geen verantwoordelijkheid voor zijn brutale daden. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk. De verdachte heeft op de zitting met onderbouwing toegelicht dat hij is gediagnosticeerd met kleptomanie en hier vanuit de P.I. voor wordt behandeld.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/105939-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment (uit anderen hoofde) gedetineerd in Justitieel Complex [locatie]
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. A. Drogt;
-
de advocaat van de verdachte: mr. M.G.C. van Riet (hierna: de advocaat).
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair: op 21 april 2023 in Emmeloord de woning van [aangever 1] is ingeslopen en van hem een tas, een portemonnee en/of een rijbewijs heeft gestolen;
subsidiair: huisvredebreuk heeft gepleegd;
feit 2
primair: op 16 april 2023 in Dronten de woning van [aangever 2] is ingeklommen
en van hem sieraden, een tas en/of een portemonnee heeft gestolen;
subsidiair: huisvredebreuk heeft gepleegd;
feit 3
primair: op of omstreeks 5 april 2023 in Dronten de woning van [aangever 3] is ingeslopen en van haar een portemonnee, cadeaubonnen en/of briefgeld heeft gestolen;
subsidiair: huisvredebreuk heeft gepleegd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van onderhavige feiten, omdat een andere zaak – die een aantal maanden voor onderhavige feiten speelde - in verband met recente bestraffing is geseponeerd. Nu het openbaar ministerie een en ondeelbaar zou moeten zijn had het volgens de advocaat dan ook op de weg van het openbaar ministerie gelegen om, net als in die andere zaak, tot een sepot dan wel een voorwaardelijk sepot te besluiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van onderhavige feiten. Dat in één zaak ervoor is gekozen om te seponeren vanwege recente bestraffing, wil niet zeggen dat een veel plegende verdachte voor andere zaken niet meer vervolgd zou kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit de door de advocaat naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden.
De rechtbank verwerpt het verweer. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
4 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten zoals deze (primair) op de beschuldiging staan heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van alle feiten zoals deze (in alle varianten) op de beschuldiging staan. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat alle feiten zoals deze (primair) op de beschuldiging staan zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
feit 1, primair:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 20 juli 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 21 april 2023 in Emmeloord was en dat ik degene ben die aangever [aangever 1] en getuige [getuige] beschrijven. Ik reed in de witte Peugeot met kenteken [kenteken] .
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: Emmeloord
Pleegdatum: 21 april 2023
Ik zag dat een buurman (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige] ) naar mij toe kwam gelopen. Ik hoorde dat mijn buurman vertelde dat hij een vaag figuur had gezien die richting ons huis was gelopen. Ik liep met mijn buurman mee.
Ik zag dat een man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) met zijn rug naar mij toe op het Engelsmangat in de richting van de Driesprong liep. Ik zag dat de man een beige handtas vasthield in zijn hand. Ik herkende onmiddellijk deze handtas. Mijn vrouw heeft precies dezelfde handtas. Ik zag dat de man omkeek en ging rennen. Ik zag dat de man naar de geparkeerde witte Peugeot (met het kenteken [kenteken] ) rende. Ik rende samen met mijn buurman naar de auto. Ik zag en hoorde dat de man de auto startte. Ik hoorde dat de man hard gas gaf en wegreed.
Ik ben naar mijn vrouw gegaan. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat haar handtas weg was. Op dit moment missen wij alleen de beige handtas. In de handtas zaten de volgende goederen:
- rode portemonnee met het rijbewijs van mijn vrouw.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris, voor zover inhoudende:
Ik keek door het raam heen en ik zag een witte, kleine auto. De man stapte uit.
Heeft u gezien dat hij de tuin in liep?
Ja.
Herkende u hem als dezelfde man die uit de auto was gestapt?
Ja, zeker. Hij had hetzelfde postuur. Hij was iets sneller dan wij. We riepen nog: geef die tas hier. Hij had de tas tegen zijn borst aan. Het was een kleine bruine damestas.
feit 2, primair en feit 3, primair:
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , voor zover inhoudende:
Plaats delict: Dronten
Pleegdatum: 16 april 2023
Mijn vrouw zag dat het raam van onze slaapkamer heel ver open stond. Onze slaapkamer ligt beneden, aan de achtertuin. Ze zag toen een hele rotzooi in de slaapkamer. De kasten stonden allemaal open en er lagen wat kistjes op het bed en op de grond. Dit zijn voornamelijk sieraden kistjes. De sieraden lijken er allemaal nog te zijn, afgezien van twee paar oorbellen. Dit waren zilveren oorbellen.
De tas van mijn vrouw blijkt weggenomen te zijn. Terwijl de politie binnen kwam,
werd mijn vrouw op haar mobiel gebeld. Ze nam op en sprak met een man die aangaf dat hij haar tas had gevonden met portemonnee er in.
Tijdens het gesprek met de politie kwam de man die de tas had gevonden.
We keken in de portemonnee van mijn vrouw. Er is vijfentwintig euro uit de portemonnee van mijn vrouw weg genomen.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , voor zover inhoudende:
Plaats delict: Dronten
Pleegdatum: 5 april 2023
Hierbij doe ik aangifte van diefstal uit mijn woning. Ik kwam erachter dat mijn portemonnee was verdwenen. In de portemonnee zaten diverse cadeaubonnen ter waarde van 130 euro. Verder zat er 50 euro in de portemonnee. Dit was verdeeld in 2 biljetten van 20 euro en 1 biljet van 10 euro. In mijn portemonnee zat verder nog mijn bankpas van de Rabobank. Naarmate de dag vorderde kwam ik erachter dat elke kamer op de begane grond en eerste etage was doorzocht. In elke kamer stonden wel deurtjes en laatjes open en lagen er spullen op de grond.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2023, voor zover inhoudende:
Ik ontving een tweetal afbeeldingen van een persoon welke betrokken zou zijn geweest bij een insluiping op [adres 2] (de rechtbank begrijpt op 5 april 2023) en 12 (de rechtbank begrijpt op 16 april 2023) te Dronten.
Ik herken de persoon ambtshalve als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] .
Ik heb hem in het verleden op de Jol aangehouden waarbij hij in eerste instantie
op de vlucht ging. Ook heb ik hem diverse keren op straat tijdens mijn diensten gezien en ook is hij mij bekend vanuit de diverse politiesystemen. Op ons basisteam is hij meerdere malen op de lokale briefing getoond.
Ik herken hem aan zijn normale postuur, opvallende diepe rimpels rond zijn mond. Maar ook zijn ogen zijn voor mij heel herkenbaar, beetje ingevallen met donkere
wenkbrauwen. Het ringbaardje welke op de foto's is te zien is voor mij ook
herkenbaar.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2023, voor zover inhoudende:
Op woensdag 6 april 2023 (de rechtbank begrijpt: woensdag 5 april 2023) vond er een insluiping plaats in een woning gelegen aan [adres 2] te [plaats] . Hierbij zijn beelden opgenomen door pinautomaat [nummer] Geldmaat gevestigd aan [adres 3] te [plaats] .
Op zondag l6 april 2023 vond er een insluiping plaats in een woning gelegen aan [adres 4] te [plaats] . Een buurtonderzoek leverde beelden op van de mogelijke verdachte hiervan.
Omdat ik bij beide insluipingen de beelden heb bekeken en ik hoorde dat er een proces-verbaal van herkenning uit was gekomen heb ik in BV-IB gekeken naar de betreffende foto behorende bij verdachte [verdachte] . Ik zag dat de laatste ID-staat van [verdachte] opgemaakt was op zaterdag 22 april 2023.
Bij het zien van de foto, bijlage 3, op de ID staat, zag ik, verbalisant [verbalisant 1]
overeenkomstigheden met de persoon die ik eerder op de beelden van de Geldmaat en de inklimming in de achtertuin bij [adres 4] te [plaats] heb gezien. Met name in de baard van de verdachte, waarbij deze een lichtgrijze vlek heeft aan de rechterzijde van zijn kin.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feit 1
Alternatief scenario
De advocaat voert aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in de woning is geweest. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte iets uit de woning heeft weggenomen. De verdachte erkent weliswaar dat hij degene is geweest die bij de woning is gezien door de aangever en getuige [getuige] , maar hij verklaart daarover dat hij kort daarvoor tegen de schutting had geplast. Hij schaamde zich hiervoor en rende daarom weg nadat hij werd gezien. De verdachte ontkent dat hij in de tuin of de woning van de aangever is geweest. Ook ontkent de verdachte dat hij een handtas vast had toen hij van de woning wegliep.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte in de woning is geweest en hij uit de woning een handtas heeft weggenomen.
De aangever verklaart namelijk dat hij zag dat de man, waarvan de verdachte op zitting heeft verklaard dat hij dit is, een beige handtas vast had. De aangever herkende de handtas gelijk als de tas van zijn vrouw. Nadat de verdachte is weggereden in de witte Peugeot hoort de aangever van zijn vrouw dat haar beige handtas met daarin onder meer haar sleutelbos en portemonnee (met daarin haar rijbewijs) is verdwenen. Daar komt bij dat getuige [getuige] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte de tuin van de aangever in liep. De getuige verklaart vervolgens ook dat hij de verdachte zag met de tas tegen zijn borst aan en dat dit een kleine bruine damestas betrof. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van getuige [getuige] op deze punten te twijfelen.
Nu de alternatieve verklaring van de verdachte wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en de alternatieve verklaring geenszins steun vindt in het dossier, schuift de rechtbank deze alternatieve verklaring als onaannemelijk terzijde.
Bewijsoverwegingen feiten 2 en 3
Herkenning
De advocaat voert aan dat niet blijkt dat de herkenning van verbalisant [verbalisant 2] ziet op de foto van de man die over de schutting klimt (feit 2). Over de foto van de man bij de Geldmaat (feit 3) voert de advocaat aan dat verbalisant [verbalisant 1] slechts overeenkomstigheden beschrijft tussen beide foto’s, maar niet tot een herkenning van de verdachte komt. Om die reden moet de verdachte worden vrijgesproken. De verdachte ontkent degene te zijn die op de foto’s van de camerabeelden staat. De rechtbank gaat hier niet in mee en overweegt daartoe als volgt.
Allereerst is van belang dat de camerabeelden van voldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. De beelden zijn voldoende helder en scherp en er zijn voldoende specifieke kenmerken van de te herkennen persoon op zichtbaar, zoals zijn kleding, zijn schoenen en (een deel van) zijn gezicht. De verdachte wordt door verbalisant [verbalisant 2] herkend als de verdachte op zowel de foto van de man die over de schutting klimt als de foto van de man bij de Geldmaat. Verbalisant [verbalisant 2] omschrijft in het proces-verbaal van bevindingen betreffende de herkenning van de verdachte uitvoerig waaraan hij de verdachte herkent. De rechtbank acht de herkenning die op basis van deze camerabeelden is gerelateerd betrouwbaar en de rechtbank kan zich ook vinden in de herkenning, gelet op de eigen waarneming ter zitting. Hetzelfde geldt voor de herkenning van verbalisant [verbalisant 1] die de man op beide foto’s herkend als dezelfde man en vervolgens naar aanleiding van de herkenning van verbalisant [verbalisant 2] de man via de ID-staat herkent als de verdachte.
Dat volgens de advocaat onduidelijk is op welke foto de verbalisant [verbalisant 2] de verdachte herkent volgt de rechtbank niet. De verbalisant relateert over een tweetal foto’s betreffende twee afzonderlijke insluipingen en de foto’s (van de man op de schutting en de man bij de Geldmaat) waarop de verdachte wordt herkend zijn aan het proces-verbaal gehecht.
Pinpas afkomstig van diefstal door middel van insluiping (feit 3)
De advocaat voert ten aanzien van feit 3 verder aan dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een diefstal die plaatsvond op 5 april 2023 heeft gepleegd, nu de foto’s van de camerabeelden bij de Geldmaat zien op een mislukte pintransactie op 6 april 2023. Ook wanneer de rechtbank de verdachte aanmerkt als de man bij de Geldmaat, kan dit niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komen, omdat een diefstal door met een gestolen pinpas te pinnen nog niet automatisch een diefstal op de dag daarvoor oplevert. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat zij op basis van de bewijsmiddelen de verdachte aanmerkt als degene die bij de Geldmaat in het centrum van Dronten heeft geprobeerd te pinnen met de uit de woning van de aangeefster gestolen pinpas. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte omstreeks 5 april 2023 beschikte over de pinpas van aangeefster. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het voorhanden hebben van de pinpas wordt het ervoor gehouden dat de verdachte de pinpas (en daarmee ook de portemonnee) zelf heeft gestolen, tenzij hij voor de aanwezigheid van die pinpas onder hem een aannemelijke verklaring heeft. De verdachte heeft steeds ontkend de man op de camerabeelden te zijn en daarmee geen uitleg gegeven over hoe hij kort na de insluiping kon beschikken over de pinpas van de aangeefster. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de portemonnee met daarin de pinpas uit de woning van de aangeefster heeft gestolen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 21 april 2023 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in een woning, [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een tas en een portemonnee en een rijbewijs die aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
op 16 april 2023 te Dronten sieraden en een tas en een portemonnee, die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
feit 3
omstreeks 5 april 2023 te Dronten, in een, te weten [adres 2] te [plaats] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een portemonnee en cadeaubonnen en briefgeld, die aan [aangever 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
5 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, primair
: diefstal, in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
feit 2, primair : diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;
feit 3, primair : diefstal, in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6 Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de rechtbank rekening dient te houden met de samenloopregeling van artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Verder dient de rechtbank rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar en dat het gaat om oudere feiten. De verdachte ondergaat inmiddels een behandeling in de P.I. naar aanleiding van zijn diagnose kleptomanie. De verdachte zit op dit moment uit anderen hoofde vast en zijn VI-datum staat op dit moment op 26 september 2026. De verdachte gaat ervan uit dat hij aan de slag kan gaan bij zijn vorige werkgever waar hij werkte als orderpikker. De advocaat verzoekt de rechtbank gelet op het voorgaande een (forse) taakstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen uit een woning, waarbij twee keer sprake was van insluiping en één keer van inklimming. De slachtoffers waren steeds oudere, kwetsbare mensen. Dat kwetsbare ouderen vaker het slachtoffer worden van dit soort feiten wordt schrijnend duidelijk uit de aangifte van mevrouw [aangever 3] (geboren in 1933) waarin zij aangeeft dat er niets is weggenomen, omdat ‘ze de sieraden de vorige keer al hebben meegenomen’.
Insluiping wordt door bewoners als erg onaangenaam en beangstigend ervaren, omdat een vreemde persoon zonder hun toestemming en medeweten in hun woning is geweest. Dit soort feiten zorgt bovendien niet alleen voor gevoelens van onveiligheid bij de bewoners, maar ook in de buurt en in de maatschappij in bredere zin.
Door het plegen van deze feiten heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De verdachte heeft bovendien geen openheid van zaken willen geven en neemt daarmee geen verantwoordelijkheid voor zijn brutale daden. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft op de zitting met onderbouwing toegelicht dat hij is gediagnosticeerd met kleptomanie en hier vanuit de P.I. voor wordt behandeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van de verdachte van 11 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in de 5 jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten veelvuldig is veroordeeld wegens gelijksoortige feiten. Dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook blijkt uit het strafblad van de verdachte dat hij nog tweemaal is veroordeeld voor gelijksoortige feiten gepleegd na de bewezenverklaarde feiten.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor diefstal uit een woning door middel van insluiping (waarmee de rechtbank inklimming in dit geval gelijkstelt) waarbij sprake is van veelvuldige recidive is een gevangenisstraf van 6 maanden per keer dat het feit is gepleegd. Dit maakt dat op basis van de landelijke oriëntatiepunten in dit geval een gevangenisstraf van 18 maanden als uitgangspunt geldt.
Strafoplegging
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd rechtvaardigen, mede gelet op voornoemd oriëntatiepunt, oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn is overschreden. De verdachte is in verzekering gesteld op 22 april 2023. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is dus ten tijde van het wijzen van dit vonnis met vijftien maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet leiden tot een strafvermindering.
De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden passend en geboden.
De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat een taakstraf de ernst van de feiten die de verdachte heeft gepleegd onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
7 In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen schoenen retour gaan aan de verdachte. Primair vordert de officier van justitie het in beslag genomen geldbedrag verbeurd te verklaren, nu dit onmiskenbaar afkomstig is van diefstallen die de verdachte telkens pleegt. Subsidiair vordert de officier van justitie de teruggave van het geldbedrag aan de rechtmatige eigenaar. Het geld is namelijk aangetroffen in de tas die in het water lag. In de tas zat geen identiteitsbewijs dat kan worden herleid naar de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vraagt de rechtbank om teruggave van zowel de schoenen als het geldbedrag. De verdenkingen corresponderen namelijk niet met dit geldbedrag. Bovendien zat in de tas ook de mobiele telefoon van de verdachte, zijn huissleutels en zijn ov-chipkaart. Dat er een ID-kaart van iemand anders bij zat, staat daar los van. Ook de politie spreekt duidelijk uit dat het gaat om de tas van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
- de twee schoenen (omschrijving: PL0900-2023116614-G3152628, NIKE),
aangezien het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
- 455,00 euro (omschrijving: PL0900-2023116614-G3163332 IBG 15-05-2023);
- 7.870,00 euro (omschrijving: PL0900-2023116614-3151972|IBN 21-04-2023);
- 2,30 euro (omschrijving: PL0900-2023116614-3151973|IBN 21-04-2023),
aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.
8 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte alle feiten zoals deze (primair) op de beschuldiging staan heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag (feit 1)
- gelast de teruggave aan de verdachte van het voorwerp:
? twee schoenen (omschrijving: PL0900-2023116614-G3152628, NIKE);
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:
? 455,00 455,00 euro (Omschrijving: PL0900-2023116614-G3163332 IBG 15-05-2023);
? 455,00 7.870,00 euro (Omschrijving: PL0900-2023116614-3151972|IBN 21-04-2023);
? 455,00 2,30 euro (omschrijving: PL0900-2023116614-3151973|IBN 21-04-2023).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. van den Brink, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf en mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
op of omstreeks 21 april 2023 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een tas en/of een portemonnee en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 21 april 2023 te Emmeloord, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan [adres 5] , bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
feit 2
op of omstreeks 16 april 2023 te Dronten,in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en/of een tas en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 16 april 2023 te Dronten, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan [adres 4] , bij een ander, te weten bij [aangever 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
feit 3
op of omstreeks 5 april 2023 te Dronten, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 2] te Dronten, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of
tegen de wil van de rechthebbende bevond, een portemonnee en/of cadeaubonnen en/of briefgeld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 21 april 2023 te Emmeloord, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan [adres 5] , bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.