Strafrecht overig

De minderjarige verdachte is medeplichtig geweest aan een poging tot doodslag, waarbij op een zondagmiddag in…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
16/268984-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7698
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De minderjarige verdachte is medeplichtig geweest aan een poging tot doodslag, waarbij op een zondagmiddag in een woonwijk in Utrecht met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen zijn afgevuurd. De verdachte, die niet in het bezit van een rijbewijs was, is de chauffeur van de vluchtauto geweest. Ook heeft hij de schietpartij gefilmd als bewijs voor de opdrachtgever. De rechtbank veroordeelt de minderjarige verdachte tot een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest (60 dagen), waarvan 300 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden betreffen een meldplicht bij de jeugdreclassering, zinvolle dagbesteding in de vorm van school en werk en meewerken aan begeleiding en/of hulpverlening.

Daarnaast wordt aan de verdachte opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen vervangende jeugddetentie als de verdachte deze werkstraf niet of niet goed uitvoert. Dat is de maximale werkstraf in het jeugdstrafrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/268984-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2008] op [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres 1] in [woonplaats] ,

hierna: [verdachte] .

1 Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 9 oktober 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 oktober 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.

Op de zitting waren aanwezig:

  • [verdachte] ;

  • de officier van justitie: mr. V. van der Horst;

  • de advocaat van [verdachte] : mr. H.J. Veen (hierna: de advocaat);

  • de moeder van [verdachte] ;

  • de heer [A] , jeugdreclasseerder bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam;

  • mevrouw [B] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

  • mevrouw [C] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair:

op 12 oktober 2025 in [woonplaats] samen met anderen opzettelijk, al dan niet met voorbedachte raad, heeft geprobeerd om de bewoners van de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] van het leven te beroven door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

subsidiair

op voornoemde datum en plaats opzettelijk behulpzaam is geweest bij voornoemde poging tot moord dan wel poging doodslag;

meer subsidiair

op voornoemde datum en plaats samen met anderen de bewoners van de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] heeft bedreigd door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

meest subsidiair

op voornoemde datum en plaats opzettelijk behulpzaam is geweest bij voornoemde bedreiging.

feit 2

op 12 oktober 2025 in Utrecht samen met anderen een pistoolmitrailleur, een machinegeweer en 12 (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad;

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] feit 1, primair (medeplegen poging moord) en feit 2 (het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie) heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van het medeplegen van de poging tot moord dan wel poging tot doodslag (feit 1, primair) en de medeplichtigheid aan de poging tot moord (feit 1, subsidiair, impliciet primair). De advocaat voert geen verweer over de medeplichtigheid aan de poging tot doodslag (feit 1, subsidiair, impliciet subsidiair) en het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie (feit 2).

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

Op zondagmiddag 12 oktober 2025 om 15:50 uur komt een melding binnen bij de politie dat op de [straat] in [woonplaats] een schietpartij heeft plaatsgevonden. Op camerabeelden van de omgeving is te zien dat twee personen met vuurwapens op woningen hebben geschoten en vervolgens in een voertuig zijn gestapt. Een getuige heeft gezien dat de daders van de schietpartij in een grijze Alfa Romeo met kenteken [kenteken] (hierna: de vluchtauto) zijn gestapt en geeft dit door aan de politie. Vervolgens ziet de politie de vluchtauto rijden, waarna een politieachtervolging plaatsvindt. Op de [straat] in [woonplaats] komt de vluchtauto tot stilstand en is te zien dat drie personen uit het vluchtvoertuig rennen. Na een (korte) achtervolging worden [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de omgeving van de [straat] aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 2] bekent (uiteindelijk) dat hij één van de schutters is geweest en de rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] de tweede schutter is geweest.

[verdachte] bekent dat hij de bestuurder van de vluchtauto is geweest. Hij verklaart dat hij via Snapchat voor een klus werd benaderd, waarbij hij als chauffeur werd gevraagd. Hij moest naar Amsterdam komen, waar hij de vluchtauto heeft opgehaald en de medeverdachten heeft ontmoet. Vervolgens zijn zij met zijn drieën in de vluchtauto naar [woonplaats] gereden. Op een gegeven moment wist [verdachte] dat de klus met automatische vuurwapens te maken had en (later) ook dat het de bedoeling was om op een woning te schieten. Hij is met de vluchtauto naar de [straat] gereden, waar de medeverdachten uit de auto zijn gestapt, op de woningen hebben geschoten en vervolgens weer in de vluchtauto zijn gestapt. Daarna is hij weer met de vluchtauto weggereden. Omdat het hem niet lukte om rustig te rijden heeft [verdachte] het stuur overgegeven aan één van de medeverdachten.

3.3.2.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat feit 1, subsidiair, impliciet subsidiair (medeplichtigheid aan poging tot doodslag) en feit 2 (het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie) zijn bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

3.3.3 (

Bewijs)overwegingen

3.3.3.1 (Voorwaardelijk) opzet op de dood

Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op zondagmiddag om 15:50 uur met 36 kogels op de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] hebben geschoten. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de medeverdachten hiermee ook opzet op de dood van de bewoners van die woningen hebben gehad.

Geen vol opzet

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de medeverdachten de bedoeling (het volle opzet) hebben gehad om anderen van het leven te beroven. Uit het dossier valt immers niet op te maken dat de medeverdachten op de woningen hebben geschoten met het doel andere mensen om het leven te brengen.

Voorwaardelijk opzet

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat bepaalde gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Op basis van het forensisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat als gevolg van de schietpartij sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . De medeverdachten hebben de aanmerkelijke kans op de dood van deze bewoners ook bewust aanvaard. Het op deze wijze schieten op meerdere woningen zonder zich ervan te vergewissen of de bewoners in deze woningen aanwezig waren, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het mogelijk dodelijk treffen van aanwezigen in die woningen dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de medeverdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van genoemde contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de medeverdachten voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners van de woningen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] hebben gehad.

3.3.3.2 Voorbedachte raad

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat de medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij moet komen vast te staan dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en in lijn met het standpunt van de advocaat, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld. Hoewel in het dossier wel enige aanwijzingen zijn over voorkennis omtrent het doel, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen op welk moment de medeverdachten wisten dat het de bedoeling was dat zij op een woning moesten schieten. [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 2] verklaren namelijk wisselend over het moment dat zij wisten dat de klus met vuurwapens te maken had en over het moment waarop zij wisten dat het om het schieten op een woning zou gaan. Dit maakt dat op basis van het dossier ook niet vastgesteld kan worden of de medeverdachten zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het genomen besluit om op de woningen te schieten. Daarmee is geen sprake van voorbedachte raad bij de medeverdachten, en dus ook niet van een poging tot moord. Een poging tot doodslag is wel wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3.3 Vrijspraak feit 1, primair – geen medeplegen van poging doodslag

De vraag die rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of het handelen van [verdachte] kan worden gekwalificeerd als medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan de poging tot doodslag.

Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, waarbij de daders een strafbaar feit gezamenlijk uitvoeren. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan een strafbaar feit van voldoende gewicht is. Bij medeplichtigheid is de betrokkenheid minder direct, maar is iemand opzettelijk behulpzaam bij het plegen van een misdrijf, of wordt/worden opzettelijk de gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft om een misdrijf te plegen. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht, het verschaffen van een wapen), kan sprake zijn van medeplegen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte een belangrijke rol bij de voorbereiding of juist de afhandeling van het misdrijf heeft gespeeld en/of een aanzienlijk aandeel van de buit opstrijkt.

De rechtbank oordeelt - anders dan de officier van justitie en in lijn met het standpunt van de advocaat - dat uit het dossier en wat op zitting is besproken onvoldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachten. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de voorbereiding van het plan, anders dan dat hij benaderd is om te rijden. Hoewel het opvallend is dat [verdachte] voorafgaand aan de ontmoeting met de medeverdachten in Amsterdam een soortgelijke tas bij zich had als de tas waarin de gebruikte vuurwapens (later) hebben gezeten, kan niet worden vastgesteld dat de vuurwapens op dat moment in deze (soortgelijke) tas hebben gezeten en dat [verdachte] de vuurwapens naar de ontmoetingsplek heeft gebracht. De rol van [verdachte] is wel groter geweest dan het alleen beschikbaar zijn als chauffeur voor de heenweg of vluchtmogelijkheid. Hij heeft namelijk ook geholpen met het herladen van een van de vuurwapens en een filmpje van het schietincident gemaakt. Toch oordeelt de rechtbank dat [verdachte] daarmee niet een dusdanige materiële en/of intellectuele bijdrage heeft gehad dat daardoor gesproken kan worden van medeplegen. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van feit 1, primair, het medeplegen van een poging doodslag.

3.3.3.4 Bewezenverklaring feit 1, subsidiair, impliciet subsidiair – medeplichtigheid aan poging doodslag

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [verdachte] medeplichtig is geweest aan de poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid geldt dat de medeplichtige zowel (voorwaardelijk) opzet op het medeplichtig zijn als (voorwaardelijk) opzet op het door de dader(s) gepleegde misdrijf - het gronddelict - moet hebben gehad. De medeplichtige kan echter ook aansprakelijk worden gehouden voor een zwaarder misdrijf dan waarop zijn opzet was gericht, mits er tussen het door hem beoogde misdrijf en het door de dader gepleegde misdrijf voldoende verband bestaat.

Opzet op het medeplichtig zijn

De rechtbank oordeelt dat [verdachte] behulpzaam is geweest aan en gelegenheid heeft verschaft voor de poging tot doodslag door als chauffeur voor de medeverdachten op te treden. [verdachte] en de medeverdachten zijn in Amsterdam samengekomen, waarna hij de medeverdachten met de vluchtauto naar [woonplaats] heeft gebracht. Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat hij op enig moment wist van de automatische vuurwapens en (later) ook wist dat het de bedoeling was dat de medeverdachten daarmee op een woning zouden gaan schieten. [verdachte] heeft vervolgens de medeverdachten naar de [straat] gereden, de auto daar kort stilgezet, waarna de medeverdachten zijn uitgestapt, op de woningen hebben geschoten en weer in de vluchtauto zijn gestapt, waarna [verdachte] weer met de vluchtauto is weggereden. Gelet op het voorgaande heeft [verdachte] het opzet gehad om zijn medeverdachten te helpen bij en gelegenheid te verschaffen tot het plegen van het gronddelict.

Opzet op het gronddelict

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gronddelict.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] tenminste de opzet heeft gehad om iemand te bedreigen doordat hij wist dat de medeverdachten met automatische vuurwapens op een woning zouden schieten. Op basis van het dossier kan niet geoordeeld worden dat [verdachte] zelf ook (voorwaardelijk) opzet had op de door de medeverdachten gepleegde poging tot doodslag, omdat niet geoordeeld kan worden dat [verdachte] op de hoogte was van alle risicoverhogende omstandigheden ter plaatse en de wijze van vuren van de medeverdachten, die tezamen maken dat een aanmerkelijke kans bestond op de dood van de bewoners.

Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat tussen de gedraging waarop [verdachte] (in ieder geval) opzet had - het bedreigen door middel van het schieten op een woning - en het uiteindelijke gronddelict - de poging doodslag - wel voldoende verband bestaat om [verdachte] óók verantwoordelijk te houden voor dit gronddelict. Het schieten op woningen betreft ernstig gevaarzettend handelen, waarbij in dit specifieke geval zwaar weegt dat dit schieten op een zondagmiddag met automatische vuurwapens zou gebeuren, wat [verdachte] ook wist. De rechtbank acht voldoende voorzienbaar dat een beschieting van een woning met automatische wapens op zo’n moment van de dag resulteert in een poging tot doodslag, zodat [verdachte] daarvoor mede verantwoordelijk kan worden gehouden.

3.3.3.5 Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de medeplichtigheid aan een poging tot doodslag (feit 1, subsidiair, impliciet subsidiair) en aan het medeplegen van het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie (feit 2).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :


feit 1, subsidiair
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 12 oktober 2025, te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om opzettelijk anderen, te weten de bewoners van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] van het leven te beroven, meermalen met automatische vuurwapens op voornoemde (boven)woningen hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 12 oktober 2025 te [woonplaats] en Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door
- die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met een auto (vanuit Amsterdam) naar voornoemde [straat] in [woonplaats] te rijden en

- ( vervolgens) terwijl die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich buiten de auto bevonden en doende waren om te schieten op voornoemde (boven)woningen, zich in de buurt van voornoemde (boven)woningen gereed te houden voor (gehaast) vertrek

- ( vervolgens) die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vanaf voornoemde (boven)woning(en (terug) naar Amsterdam te vervoeren;

feit 2
op 12 oktober 2025, te Amsterdam en Utrecht tezamen en in vereniging met anderen

  1. wapens van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
    - een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,
    - een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en

  2. munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39 mm voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezenverklaarde feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair : medeplichtigheid aan het medeplegen van een poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2 : medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º, meermalen gepleegd

en

4.2.

Strafbaarheid feiten en [verdachte]

De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5 Straf

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] (voor de door haar bewezen geachte feiten) wordt veroordeeld tot:

  • een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden uit het advies van de Raad;

  • een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om te volstaan met het opleggen van een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie en de maximale taakstraf. Daarbij verzoekt de advocaat om geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie aan [verdachte] op te leggen dan de dagen die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] is medeplichtig geweest aan een poging tot doodslag, waarbij op een zondagmiddag met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen zijn afgevuurd. [verdachte] , die niet in het bezit van een rijbewijs was, is hierbij de chauffeur van de vluchtauto geweest. Ook heeft [verdachte] de schietpartij gefilmd als bewijs voor de opdrachtgever. De bewoners zijn zonder dat duidelijk is geworden waarom slachtoffer geworden van een aanslag op hun thuisomgeving. Er is gespeeld met hun levens. Dat er niemand (zwaar) gewond is geraakt of is komen te overlijden, is niet aan de verdachte te danken. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat deze gebeurtenis hem veel angst en stress heeft bezorgd en nog steeds veel vragen oproept. Het schieten met automatische vuurwapens op woningen roept daarnaast in de gehele samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw op.

De rechtbank vindt het ernstig en zorgelijk dat [verdachte] puur en alleen voor het geld bereid is geweest om behulpzaam te zijn bij dit ernstige strafbare feit en dat hij niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Tegelijkertijd vindt de rechtbank het positief dat [verdachte] verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en spijt heeft betuigd.

Daarnaast heeft [verdachte] zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie die bij het schietincident zijn gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle gevolgen van dien. Deze zaak is daarvan een schokkend voorbeeld. Daarnaast leidt vuurwapenbezit tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Gelet op de toename van vuurwapenbezit en het gevaarzettende karakter daarvan, dient er streng tegen te worden opgetreden.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Bij de strafoplegging kijkt de rechtbank naar het strafblad van [verdachte] van 27 augustus 2026, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder bij de strafrechter is geweest voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Het advies van de Raad

De Raad heeft op 22 september 2026 een rapportage over [verdachte] opgesteld. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft [verdachte] mooie stappen in zijn ontwikkeling gezet. [verdachte] laat steeds vaker zien dat hij nadenkt over de gevolgen van zijn keuzes en verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen. De Raad vindt het belangrijk dat deze positieve ontwikkeling (verder) wordt voortgezet.

De Raad schat het recidiverisico in op laag. De Raad ziet veel beschermende factoren in het leven van [verdachte] , die de kans op herhaling van strafbaar gedrag verlagen. Zo heeft [verdachte] een stabiele thuissituatie, positieve dagbesteding, pro-sociale vrienden en een positieve houding en vaardigheden. Wel kan een risicofactor zijn dat [verdachte] zorgen, spanningen of problemen lang met zich meedraagt voordat hij deze deelt met anderen. Het is belangrijk dat [verdachte] leert om tijdig te bespreken wat er in hem omgaat. Op die manier houdt zijn omgeving zicht op hem en kunnen zij waar nodig ondersteuning bieden of bijsturen.

De Raad adviseert om geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de dagen die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht. [verdachte] heeft zijn leven goed op de rit en een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou deze positieve lijn doorbreken. Vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten vindt de Raad een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie wel passend. De Raad adviseert om aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daaraan (in het kort) de volgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: (1) meldplicht, (2) zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk, en (3) meewerken aan begeleiding van de IFA-coach. De Raad adviseert om daarnaast nog een onvoorwaardelijke werkstraf aan [verdachte] op te leggen.

Op de zitting heeft de raadsmedewerkster aangegeven dat zij adviseert om een proeftijd van twee jaar aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. [verdachte] zal volgend jaar aan een nieuwe opleiding beginnen, waarbij hij nieuwe sociale contacten zal maken en hij nieuwe uitdagingen zal tegenkomen. Een proeftijd van twee jaar is daarom passend om zo een vinger aan de pols te kunnen houden.

Het advies van de jeugdreclassering

De jeugdreclassering heeft op 24 september 2026 een rapportage over [verdachte] opgesteld. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft [verdachte] een positieve ontwikkeling laten zien. Hij heeft zich aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden en is niet opnieuw in contact met de politie gekomen. Op dit moment zijn er geen grote zorgen over de ontwikkeling van [verdachte] . Wel is het belangrijk dat [verdachte] over zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk blijft beschikken en dat de specialistische begeleiding van de IFA-coach wordt voortgezet, zodat de positieve ontwikkeling kan worden vastgehouden en verder kan worden versterkt. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het belang om de positieve ontwikkeling van [verdachte] te blijven monitoren, vindt de jeugdreclassering het wenselijk dat er een jeugdreclasseringskader aanwezig blijft. Dit biedt een stok achter de deur en, indien nodig, de mogelijkheid om in te grijpen. De jeugdreclassering adviseert om de jeugdreclasseringsmaatregel voor de duur van één jaar op te leggen.

Straf

De rechtbank overweegt dat een poging doodslag één van de meest ernstige strafbare feiten is waar iemand zich aan schuldig kan maken. Het opzettelijk behulpzaam zijn daarbij is dus ook een heel ernstig feit. In beginsel zou de ernst van het feit dan ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen voor een langere periode dan de 60 dagen die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten. Dit is ook wat de officier van justitie heeft geëist. Zij vindt dat [verdachte] nog een tijd terug moet naar de jeugdgevangenis.

Gelet op de verantwoordelijkheid die [verdachte] voor zijn daden heeft genomen én zijn persoonlijke omstandigheden vindt de rechtbank het toch niet passend om [verdachte] terug naar de jeugdgevangenis te sturen. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou de positieve stappen die [verdachte] in het afgelopen jaar heeft gezet doorkruisen en de kans op recidive juist vergroten. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen die niet langer duurt dan de dagen die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten, te weten 60 dagen. De rechtbank vindt het belangrijk dat naast de onvoorwaardelijke jeugddetentie nog een forse voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, zodat [verdachte] nog een flinke straf boven zijn hoofd heeft hangen en hopelijk niet nog eens in de fout gaat. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de algemene en de bijzondere voorwaarden uit het raadsadvies worden verbonden om [verdachte] ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en als extra motivatie om mee te werken aan de (jeugdreclasserings)begeleiding.

In afwijking van het advies van de jeugdreclassering, maar in lijn met het advies van de Raad, verbindt de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van twee jaar. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde vindt de rechtbank het belangrijk dat de jeugdreclassering langere tijd bij [verdachte] betrokken kan blijven, zodat zij kan toezien op de ontwikkeling van [verdachte] en kan helpen om de positieve ontwikkeling (verder) door te zetten. Als [verdachte] deze positieve lijn weet vast te houden, kan de jeugdreclassering het toezicht en de begeleiding na verloop afschalen. [verdachte] moet goed snappen dat hij hiermee een bijzondere kans krijgt die hij goed moet benutten.

De rechtbank vindt dat [verdachte] met de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen nog niet voldoende gevolgen heeft ervaren van zijn daden. Daarom legt de rechtbank hem ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren op. Dat is de maximale werkstaf in het jeugdstrafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de volgende straf passend en geboden is:

  • jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest (60 dagen), waarvan 300 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals hieronder opgenomen in de beslissing van de rechtbank, en:

  • een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen vervangende jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het (al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6 In beslag genomen voorwerpen

Onder [verdachte] zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:

- 1 STK Handschoen (3602830);

- 1 STK Telefoontoestel (3602531).

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de telefoon van [verdachte] verbeurd te verklaren, omdat daarop foto’s van de vuurwapens zijn aangetroffen. De handschoen mag terug worden gegeven aan [verdachte] .

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de telefoon van [verdachte] verbeurd verklaren, omdat met behulp van de telefoon feit 1, subsidiair, is gepleegd. Zo heeft [verdachte] de schietpartij met zijn telefoon moeten filmen, zodat bewezen kon worden dat de schietpartij ook daadwerkelijk had plaatsgevonden.

Teruggave aan [verdachte]

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de handschoen aan [verdachte] , omdat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave daarvan verzet.

7 Vordering benadeelde partij

7.1

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1, subsidiair, impliciet subsidiair)

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.418,62, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.418,62 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft op de zitting verzocht om de materiële schadepost ‘toekomstige eigen risicokosten’ ten bedrage van € 770,00 niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.648,62 aan materiële schade en voor een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade hoofdelijk kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt het toewijsbare bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over de vordering tot schadevergoeding.

7.4

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schade in en aan de woning van de benadeelde partij is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.773,62) daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij, zoals verzocht in de toelichting op de vordering, niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de schadepost ‘toekomstige eigen risicokosten’ (€ 770,00), nu het op dit moment nog onduidelijk is of deze schade, voor zover al toewijsbaar, zich in de toekomst zal verwezenlijken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in de schadepost ‘huurkosten’ (€ 875,00). De benadeelde partij heeft een maand aan huurkosten van zijn woning gevorderd, omdat hij (tijdelijk) niet in zijn woning kon en wilde verblijven. De benadeelde partij heeft daarom bij een vriend en bij zijn moeder verbleven. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had deze huurkosten ook gemaakt als de schietpartij niet had plaatsgevonden, en niet is gebleken dat de benadeelde partij extra kosten voor het verblijf bij anderen heeft moeten maken.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft met de verklaringen van een vriend, zijn moeder en zijn werkgever voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de gevolgen van het bewezenverklaarde blijken. Zo volgt uit de verklaringen van een vriend en zijn moeder dat de benadeelde ongeveer een maand niet in zijn woning heeft durven verblijven. Ook blijkt uit de verklaring van de werkgever dat de benadeelde anderhalve maand niet heeft gewerkt. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dus toe tot een bedrag van € 3.773,62 bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat [verdachte] aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 3.773,62 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.

Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.

[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders [medeverdachte 1] (parketnummer: 16/269039-25) en [medeverdachte 2] (parketnummer: 16/269010-25) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of de Staat te betalen.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1 primair niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat [verdachte] feit 1, subsidiair en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

  • veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen;

  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (60 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 300 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

  • als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :

  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, en artikel van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat [verdachte] :

  • zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding zal melden bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam en zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling. Het melden moet zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht. [verdachte] moet zich houden aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven;

  • zal meewerken aan de begeleiding van een IFA coach, of een soortgelijke coach, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

  • een zinvolle dagbesteding heeft bestaande uit school en/of werk;

  • geeft aan de gecertificeerde instelling, te weten bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren;

  • beveelt dat als [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen jeugddetentie;

beslag

- verklaart 1 STK Telefoontoestel (3602531) verbeurd (feit 1, subsidiair);

- gelast de teruggave aan [verdachte] van 1 STK Handschoen (3602830);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde [slachtoffer] (feit 1, subsidiair)

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.773,62, bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.773,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L.R.H. Koekoek en mr. S.E. Garvelink, (kinder-)rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

feit 1
primair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) met een auto (vanuit Amsterdam) naar voornoemde [straat] in [woonplaats] te rijden en/of
- (vervolgens) terwijl die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) zich buiten de auto bevonden en/doende was/waren om te schieten op voornoemde (boven)woning(en), zich in de buurt van voornoemde
(boven)woning(en) gereed te houden voor (gehaast) vertrek en/of vanuit de auto op de uitkijk te staan en/of
- (vervolgens) die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) vanaf voornoemde (boven)woning(en) (terug) naar Amsterdam te vervoeren;

meer subsidiair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(n) gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) te schieten;

meest subsidiair
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(n) gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) te schieten,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) met een auto (vanuit Amsterdam) naar voornoemde [straat] in [woonplaats] te rijden en/of
- (vervolgens) terwijl die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) zich buiten de auto bevonden en/doende was/waren om te schieten op voornoemde (boven)woning(en), zich in de buurt van voornoemde (boven)woning(en) gereed te houden voor (gehaast) vertrek en/of vanuit de auto op de uitkijk te staan en/of
- (vervolgens) die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) vanaf voornoemde (boven)woning(en) (terug) naar Amsterdam te vervoeren;

feit 2
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Amsterdam en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A. een of meer wapen(s) van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

B. een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39mm voorhanden heeft gehad;