Strafrecht overig
Artikel 6 WVW 1994. Aanrijding op voetgangersoversteekplaats. Overwegingen m.b.t. schuld en letsel…
Rechtbank Oost-Brabant, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7668 · Rechtbank Oost-Brabant · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7668
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 01-231580-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7668
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 6 WVW 1994. Aanrijding op voetgangersoversteekplaats. Overwegingen m.b.t. schuld en letsel. Aansluiting bij LOVS-oriëntatiepunten. Opgelegd wordt een geldboete van 1.300 euro en een rij-ontzegging voor de duur van 3 maanden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.231580.25
Datum uitspraak: 30 oktober 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [1999],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026 en 16 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juni 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van het primaire feit:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Boxmeer, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personauto, merk: Opel, type: Corsa, kenteken: [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Raamstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij bekend was ter plaatse en/of terwijl de ruiten van dat door hem, verdachte,
bestuurde motorrijtuig, geheel of gedeeltelijk waren beslagen,
- een voetgangersoversteekplaats met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid te naderen en/of op te rijden en/of
- (daarbij) zijn snelheid niet zodanig aan te passen aan de verkeersomstandigheden dat hij, verdachte, zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en/of hij, verdachte, de weg kon overzien en/of
- (daarbij) niet of niet tijdig op te merken dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of
- tegen een op die voetgangersoversteekplaats lopende/overstekende voetganger aan te botsen en/of aan te rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting in de hersenen en/of een verplaatsing van de hersenparenchyn, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Ten aanzien van het subsidiaire feit:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Boxmeer, gemeente Land van Cuijk, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk: Opel, type: Corsa, kenteken: [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Raamweg,
- een voetgangersoversteekplaats met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid is genaderd en/of opgereden en/of
- (daarbij) zijn snelheid niet zodanig aan heeft gepast aan de verkeersomstandigheden dat hij, verdachte, zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en/of hij, verdachte, de weg kon overzien en/of
- (daarbij) niet of niet tijdig op heeft gemerkt dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of
- tegen een op die voetgangersoversteekplaats lopende/overstekende voetganger aan is gebotst en/of is gereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging.
Standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde in de schuldvariant aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van feit 1 er aan de zijde van de verdachte geen sprake is geweest van roekeloosheid, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdachte.
De verdachte stelde zich op het standpunt dat hij schuld had aan het verkeersongeval.
Oordeel van de rechtbank.
Vaststelling van de feiten.
Op 17 december 2024, omstreeks 06:15 uur, reed de verdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, Opel Corsa met kenteken [kenteken], over de Raamweg in Boxmeer, gemeente Land van Cuijk. De verdachte kwam vanuit de Stationsweg en reed richting de Heistraat. Op de Raamweg, ter hoogte van het bedrijf [bedrijf], ligt een goed verlichte en duidelijk aangegeven voetgangersoversteekplaats. Slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) liep vanaf de zijde van de Erflanden richting [bedrijf]. Bij het oversteken op de voetgangersoversteekplaats werd het slachtoffer door de auto van de verdachte aangereden, waarbij de voorzijde van auto het slachtoffer raakte. Het slachtoffer vloog door deze aanrijding enkele meters door de lucht en belandde aan de zijde van [bedrijf] langs de weg. Op dat moment was hij buiten bewustzijn geraakt. Als gevolg van de botsing tussen de auto en het slachtoffer heeft het slachtoffer letsel opgelopen, te weten een bloeduitstorting in de hersenen en een verplaatsing van de hersenparenchyn.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994?
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en zo ja, in welke schuldgradatie.
Het juridische kader
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Met de Wet aanscherping strafrechtelijke verkeersdelicten heeft de wetgever een verandering beoogd met betrekking tot de invulling van het begrip roekeloosheid en daarmee het toepassingsbereik van dat begrip willen verbreden. Onder meer is in artikel 5a WVW 1994 door de wetgever strafbaar gesteld het opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels ernstig worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is. Van roekeloosheid is ingevolge het bepaalde in artikel 175, tweede lid, WVW 1994 in elk geval sprake als het gedrag van de verdachte ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 kan worden aangemerkt.
De schuldvraag
Als feitelijke verwijten op basis waarvan de schuld kan worden vastgesteld is in de tenlastelegging opgenomen dat de verdachte (kort gezegd) a) met geheel of gedeeltelijk beslagen autoruiten, b) een voetgangersoversteekplaats is genaderd met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, c) daarbij zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij zijn auto tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was, d) daarbij niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger bezig was die voetgangersoversteekplaats over te steken en e) tegen die overstekende voetganger is gebotst.
Door de verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij ter plaatse bekend was, omdat hij daar vrijwel dagelijks meerdere malen per dag rijdt. De betreffende straat is goed verlicht en overzichtelijk. De verdachte kwam bij zijn vriendin vandaan en zat net enkele minuten in de auto. Het was vroeg in de ochtend en daarom was het nog niet druk op de weg. Bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats heeft hij zijn snelheid niet verminderd of geremd. Hij heeft de overstekende voetganger in het geheel niet gezien. Nadat hij een klap hoorde, is hij direct gestopt en zag toen een man op de grond liggen.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er van roekeloosheid aan de zijde van de verdachte geen sprake is geweest, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken. De vraag die rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Ad a: rijden met geheel / gedeeltelijk beslagen autoruiten.
De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de ruiten van de auto van de verdachte ten tijde van de aanrijding geheel of gedeeltelijk waren beslagen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de ramen mogelijk lichtjes waren beslagen, omdat autoruiten in die tijd van het jaar snel beslaan, maar dat hij denkt dat de autoruiten niet waren beslagen. De rechtbank constateert dat niet nader is onderzocht of de ruiten van de auto ten tijde van het verkeersongeval beslagen waren. Op pagina 35 van het dossier is weliswaar een foto van de auto van de verdachte opgenomen waarop te zien is dat de voorruit beslagen is, maar niet duidelijk is geworden op welk tijdstip deze foto is genomen. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat de politie de foto ongeveer een half uur na het ongeval heeft gemaakt, omdat de ambulance met het slachtoffer de plaats van het ongeval al had verlaten. Het zou kunnen dat de voorruit weer beslagen is geraakt, omdat de auto daar een half uur zonder draaiende motor heeft stilgestaan, aldus de verdachte.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat de ruiten van de auto van de verdachte ten tijde van het ongeval geheel of gedeeltelijk waren beslagen, zodat de rechtbank de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal vrijspreken.
Ad b) een voetgangersoversteekplaats met hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en ad c) zijn snelheid niet zodanig aanpassen dat hij zijn auto tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was.
Een voetgangersoversteekplaats is bij uitstek een plaats waar rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat voetgangers de rijbaan oversteken, die daar bovendien voorrang hebben. Van een automobilist wordt verwacht dat hij, als hij een voetgangersoversteekplaats nadert, de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht en zijn snelheid zodanig aanpast dat hij tijdig kan stoppen.
De snelheid waarmee de verdachte heeft gereden ten tijde van de aanrijding is niet objectief vastgesteld. Nu uit de beelden van het ongeval en de verklaring van de verdachte ter zitting is gebleken dat verdachte zijn snelheid bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats niet heeft verminderd maar in één rechte lijn doorreed, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in ieder geval met een hogere snelheid heeft gereden dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en zijn snelheid niet heeft aangepast. De rechtbank acht deze onderdelen van de tenlastelegging dan ook bewezen.
d) daarbij niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger bezig was die voetgangersoversteekplaats over te steken en e) tegen die overstekende voetganger is gebotst.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte het slachtoffer niet heeft opgemerkt en tegen hem aan is gebotst. Dit erkent verdachte. Ook deze onderdelen van de tenlastelegging acht de rechtbank bewezen.
Conclusie ten aanzien van schuld in de zin van artikel 6 WVW
De hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte leiden tot het oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.
Het letsel
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel wordt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
In de tenlastelegging is over het letsel het volgende opgenomen: bloeduitstorting in de hersenen en/of een verplaatsing van de hersenparenchyn. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de medische informatie in het dossier vaststaat dat het slachtoffer dit letsel als gevolg van het verkeersongeval heeft opgelopen. Uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2026 volgt verder dat het slachtoffer naar eigen zeggen al drie maanden op de bank ligt en nog steeds veel hoofdpijn heeft. In het dossier ontbreekt echter (objectieve) informatie over de eventuele noodzaak tot medisch ingrijpen, het verloop van het herstel en het uitzicht op volledig herstel. Onder deze omstandigheden is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de enkele vaststelling dat sprake is van het hiervoor genoemde letsel onvoldoende is voor de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is wel van oordeel dat vastgesteld kan worden dat het door het ongeval ontstane letsel van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad dat bij hem sprake is geweest van tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
op 17 december 2024 te Boxmeer, gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Opel, type Corsa, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Raamstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij bekend was ter plaatse,
- een voetgangersoversteekplaats met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en vervolgens met onverminderde snelheid te naderen en op te rijden en
- daarbij zijn snelheid niet zodanig aan te passen aan de verkeersomstandigheden dat hij, verdachte, zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en hij, verdachte, de weg kon overzien en
- daarbij niet op te merken dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en
- tegen een op die voetgangersoversteekplaats lopende voetganger aan te rijden,
waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging voorkomen, zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde gevorderd een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn draagkracht.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft bij het naderen van een hem bekende voetgangersoversteekplaats een overstekende voetganger niet opgemerkt en is zonder snelheid te verminderen tegen die voetganger gereden. Hierdoor heeft het slachtoffer [slachtoffer] letsel opgelopen. Het slachtoffer ondervindt nog dagelijks hinder van de gevolgen van het verkeersongeval.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank naast de ernst van het feit ook gekeken naar de volgende aspecten.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn vastgesteld in het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de rechtbanken en gerechtshoven, in het geval van aanmerkelijke schuld waarbij lichamelijk letsel of tijdelijke ziekte het gevolg is en waarbij geen alcoholgebruik in het spel is, een onvoorwaardelijke geldboete van 1.300 euro en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden als uitgangspunt nemen.
De rechtbank zijn geen strafmatigende of strafverzwarende omstandigheden gebleken die maken dat ten nadele van de verdachte moet worden afgeweken van genoemde oriëntatiepunten. Daarom sluit de rechtbank hierbij aan.
De hierna op te leggen straf brengt naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking.
Alles overziend, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een geldboete van 1.300 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.
De rechtbank zal dus een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor primair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
* een geldboete van 1.300 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis;
legt op de volgende bijkomende straf:
* een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.T.T. Slenter, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 30 oktober 2026.