Strafrecht overig

Artikel 6 WVW 1994 (feit 1). Aanrijding met fietser. Schuld aan verkeersongeval. De rechtbank komt tot de…

Rechtbank Oost-Brabant, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
01.211841.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7666
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 6 WVW 1994 (feit 1). Aanrijding met fietser. Schuld aan verkeersongeval. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht en haar aandacht onvoldoende bij het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse heeft gehouden of (als gevolg van medicatie) heeft kunnen houden. Zwaar lichamelijk letsel. Verwerping beroep op verontschuldigbare onmacht.

Artikel 7, eerste lid, onder c, WVW 1994 (feit 2). Uit omstandigheden (o.a. met hoge snelheid wegrijden en kort na het ongeval op telefoon zoekopdrachten m.b.t. het verkeersongeluk uitvoeren en contact zoeken met een garage om de schade aan de auto te laten repareren) is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat een aanrijding had plaatsgevonden, dat aan een ander als gevolg van die aanrijding letsel was toegebracht en dat die ander in een hulpeloze toestand werd achtergelaten, toen zij de plaats van het ongeval verliet. Verwerping beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS).

Het handelen van de verdachte getuigt van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Dat de verdachte destijds tegen de automonteur heeft gezegd dat de spiegel van haar auto was getrapt, is wat de rechtbank betreft veelzeggend over haar geloofwaardigheid. Door het tijdsverloop heeft de politie bovendien geen adequaat onderzoek meer kunnen verrichten naar mogelijk strafverzwarende omstandigheden, zoals de mate waarin de verdachte onder invloed van medicatie verkeerde. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

Opgelegd wordt een taakstraf van 180 uren en een rij-ontzegging van 12 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank gezien het lage recidiverisico geen termen aanwezig om daarnaast aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.211841.25

Datum uitspraak: 30 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 september 2026.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1 primair:
zij op of omstreeks 4 juli 2025 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Suzuki type Swift, voorzien van het kenteken [kenteken], daarmede rijdende over de weg, de Bennekelstraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- niet de nodige voorzichtigheid te betrachten en/of onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- gezien de wegsituatie/verkeerssituatie niet of onvoldoende afstand op zijn voorganger te houden en/of niet tijdig te remmen en/of
- tegen een fietser voor haar te botsen, waardoor de bestuurder van die fiets (genaamd [slachtoffer]) ten val is gekomen,
waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een traumatische incomplete dwarslaesie, een gebroken schouderblad, rugwervel (C5) en nek werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

zij op of omstreeks 4 juli 2025 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Suzuki type Swift, voorzien van het kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Bennekelstraat,
- niet de nodige voorzichtigheid te betrachten en/of onvoldoende aandacht heeft gedacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- gezien de wegsituatie/verkeerssituatie niet of onvoldoende afstand op zijn voorganger heeft gehouden/of niet tijdig heeft geremd en/of
- tegen een fietser voor haar is gebotst, waardoor de bestuurder van die fiets (genaamd [slachtoffer]) ten val is gekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Ten aanzien van feit 2:
zij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Eindhoven op/aan de Bennekelstraat, op of omstreeks 4 juli 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van feit 1 primair en feit 2. Met betrekking tot feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de schuldgradatie zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke (bewijs)verweren zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen (zakelijk weergegeven)

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

PRO MEMORIE

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1.

Vaststelling van de feiten

Door de verdachte is bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zij als gevolg van medicatiegebruik geen enkele herinnering meer heeft aan wat er tussen donderdagnacht 3 juli 2025 en zaterdag 5 juli 2025 is gebeurd. Zij heeft in lijn daarmee verklaard dat zij niet meer weet of zij op 4 juli 2025 in de ochtend haar Suzuki Swift heeft bestuurd en daarmee een verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Op grond van de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen acht de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte in de ochtend van 4 juli 2025 op de Bennekelstraat in Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van haar Suzuki Swift met kenteken [kenteken], heeft opgetreden. Zij is aldaar met de voorzijde van haar auto in botsing gekomen met de achterzijde van de fiets van slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Als gevolg van die botsing is het slachtoffer ten val gekomen. Door dit verkeersongeval heeft het slachtoffer letsel opgelopen, te weten een traumatische incomplete dwarslaesie, een gebroken schouderbladen een gebroken rugwervel in de nek.

Door de verdediging is niet betwist dat de verdachte als bestuurder van de betreffende Suzuki Swift heeft opgetreden en het verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en zo ja in welke schuldgradatie.

Het juridische kader

In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Met de Wet aanscherping strafrechtelijke verkeersdelicten heeft de wetgever een verandering beoogd met betrekking tot de invulling van het begrip roekeloosheid en daarmee het toepassingsbereik van dat begrip willen verbreden. Onder meer is in artikel 5a WVW 1994 door de wetgever strafbaar gesteld het opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels ernstig worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is. Van roekeloosheid is ingevolge het bepaalde in artikel 175, tweede lid, WVW 1994 in elk geval sprake als het gedrag van de verdachte ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 kan worden aangemerkt.

De schuldvraag

Als feitelijke verwijten is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte a) niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse, b) gezien de verkeerssituatie onvoldoende afstand op haar voorganger heeft gehouden en niet tijdig heeft geremd en c) tegen de voor haar rijdende fietser is gebotst.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 niet kan worden bewezen verklaard, omdat er bij de verdachte (kort gezegd) louter sprake is geweest van een kort moment van verstoorde waarneming.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van roekeloosheid aan de zijde van de verdachte geen sprake is geweest, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Ondanks dat een objectief onderzoek naar het medicijngebruik van de verdachte op de dag van het verkeersongeval niet heeft kunnen plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat op grond van de uitgewerkte bewijsmiddelen met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte, als gevolg van medicatiegebruik, op het moment dat zij in de auto stapte geheel niet helder van geest was. Desondanks heeft zij er toch voor gekozen om achter het stuur plaats te nemen en zelf te gaan rijden.

Op de plaats van het ongeval had de rijbaan een recht tracé. De rijbaan was niet voorzien van een (as)belijning. Aan beide zijden van de rijbaan was een fietsstrook gesitueerd en er waren voor weggebruikers geen (vaste) obstakels aanwezig. De verkeerssituatie ter plaatse was dus overzichtelijk. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat de verdachte het slachtoffer tijdig had moeten kunnen opmerken als zij haar aandacht op het verkeer gericht had gehad en gehouden. De oorzaak van het ongeval is gelegen in de onoplettendheid van de verdachte als gevolg van de toestand waarin zij verkeerde. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat deze onoplettendheid langer dan een kort moment heeft geduurd. Daarvan kan immers pas sprake zijn bij een enkele waarnemingsfout, terwijl het verkeersgedrag verder volgens de regels was. Gelet op de toestand waarin de verdachte verkeerde toen zij ervoor koos om in de auto te stappen, was daarvan geen sprake.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht en haar aandacht onvoldoende bij het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse heeft gehouden of (als gevolg van de medicatie) heeft kunnen houden.

Door het ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, wat door de verdediging niet wordt betwist.

Verontschuldigbare onmacht

De raadsman heeft bepleit om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe, kort gezegd, een beroep gedaan op verontschuldigbare onmacht. In de visie van de raadsman was er sprake van een niet-verwijtbare medische noodsituatie die werd veroorzaakt door het medicatiegebruik van de verdachte. Omdat de verdachte nooit eerder als gevolg van haar medicatie een black-out heeft gehad of anderszins gedesoriënteerd is geweest, kan haar het verkeersongeval niet worden verweten.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als een verweer strekkende tot vrijspraak van het bestanddeel schuld.

Uit niets is gebleken dat de verdachte ten tijde van het ongeval een zogeheten black-out heeft gehad. Het bestaan van een acute medische noodsituatie, zoals door de raadsman is betoogd, is niet met objectieve gegevens onderbouwd en ook verder niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen kan juist worden afgeleid dat de verdachte ervoor heeft gekozen om in de auto te stappen, terwijl zij al nachten niet had geslapen en medicatie had gebruikt. Dit terwijl van bestuurders wordt verwacht dat zij voldoende fit zijn als zij aan het verkeer deelnemen. Omdat van verontschuldigende omstandigheden bij het onvoldoende aandacht hebben op het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en wat daarop is gevolgd niet is gebleken, is van verontschuldigbare onmacht, in die zin dat de verdachte geen relevant strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, geen sprake. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Alles overziend, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de nodige oplettendheid betracht met een ernstig ongeval tot gevolg. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht om in het verkeer voorzichtig en oplettend te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich, met het voorgaande verkeersgedrag, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Conclusie

De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat het slachtoffer op zijn fiets door de verdachte is aangereden en daardoor ten val is gekomen. Het slachtoffer heeft door dat ongeval zodanig letsel opgelopen dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. De rechtbank heeft het letsel van het slachtoffer hiervoor gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De verdachte is na het ongeval doorgereden en heeft het slachtoffer daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, in een hulpeloze toestand achtergelaten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, WVW 1994.

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte wist noch redelijkerwijs moest vermoeden dat zij een ongeval had veroorzaakt waarbij een ander letsel had opgelopen en in een hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De rechtbank volgt de raadsman daarin niet. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na de aanrijding met hoge snelheid is weggereden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een eerste indicatie dat verdachte zich bewust was van de aard en de ernst van de aanrijding. Verder is uit onderzoek naar de data van de telefoon van de verdachte gebleken dat zij binnen twee uren na het ongeluk op haar telefoon de volgende zoekopdrachten heeft uitgevoerd: “ongekuk (de rechtbank begrijpt: ongeluk) bennekelstraat Eindhoven”, “nieuws gerelateerd aan Bennekelstraat” en “omroep brabant: Doorrijder”. Uit de webgeschiedenis van haar telefoon volgt verder dat de verdachte in diezelfde tijdspanne allerlei nieuwsberichten heeft geopend die betrekking hadden op het betreffende verkeersongeval. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verdachte ongeveer twee uur na het ongeval contact heeft gezocht met een garage om de schade aan onder meer de rechter buitenspiegel van haar auto te laten repareren.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat een aanrijding had plaatsgevonden, dat aan een ander als gevolg van die aanrijding letsel was toegebracht en dat die ander in een hulpeloze toestand werd achtergelaten, toen zij de plaats van het ongeval verliet.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Afwezigheid van alle schuld

Door de raadsman is met een beroep op afwezigheid van alle schuld ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte door de medicatie zodanig gedesoriënteerd was of in een black-out zat, dat zij niet heeft meegekregen dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden. Door deze medische toestand ontbrak bij de verdachte elk besef.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, omdat elke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de verdachte in zodanige mate gedesoriënteerd was of in een black-out verkeerde, dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het ongeval.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

1 primair.
op 4 juli 2025 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Suzuki type Swift, voorzien van het kenteken [kenteken], daarmede rijdende over de weg, de Bennekelstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- niet de nodige voorzichtigheid te betrachten en onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- gezien de wegsituatie/verkeerssituatie onvoldoende afstand op zijn voorganger te houden en niet tijdig te remmen en
- tegen een fietser voor haar te botsen, waardoor de bestuurder van die fiets (genaamd [slachtoffer]) ten val is gekomen,
waardoor die [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een traumatische incomplete dwarslaesie, een gebroken schouderblad, rugwervel (C5) en nek, werd toegebracht;

2.
als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Eindhoven aan de Bennekelstraat, op 4 juli 2025 voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar zij wist, een ander (te weten [slachtoffer]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging voorkomen, zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 gevorderd:

  • een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht;

  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft matiging van de eis van de officier van justitie bepleit. Daartoe heeft hij onder meer het volgende aangevoerd. De verdachte heeft een blanco strafblad. Zij heeft zich oprecht schuldbewust en berouwvol getoond en vindt het verschrikkelijk wat het slachtoffer is overkomen. Ze wil hem graag antwoorden geven, maar dat kan ze niet, omdat zij zich niets van het ongeval kan herinneren. In het adviesrapport van de reclassering van 29 september 2026 wordt geconcludeerd dat er bij de verdachte geen aanwijzingen zijn voor alcohol- of drugsproblematiek, dat zij zich coöperatief opstelt in de richting van de reclassering en dat zij voor haar handelen verantwoordelijkheid toont. De reclassering acht een gevangenisstraf niet wenselijk, omdat de verdachte als alleenstaande moeder de zorg draagt voor haar tienjarige zoon. Een financiële sanctie lijkt evenmin passend gezien de afhankelijkheid van de verdachte van haar bijstandsuitkering en haar beperkte financiële ruimte. In het geval de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een taakstraf gecombineerd met een ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij het uitvoeren van een taakstraf zal rekening gehouden moeten worden met de beperkte fysieke belastbaarheid van de verdachte, in het bijzonder haar rugklachten. Voor wat betreft de rij-ontzegging heeft de raadsman verzocht de duur daarvan gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte haar rijbewijs al kwijt is geweest. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat een langere rij-ontzegging noodzakelijk is, is verzocht het deel dat de periode van 6 maanden ontstijgt voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De aard en ernst van de feiten

De verdachte heeft als bestuurder van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Zij heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en is tegen een voor haar rijdende fietser gereden. Hierdoor heeft slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het slachtoffer heeft na het ongeval direct een operatie moeten ondergaan en heeft daarna enige tijd op de IC gelegen. Daarna heeft hij een tijd moeten revalideren. Hij ondervindt nog dagelijks hinder van de gevolgen van het verkeersongeval.

De verdachte is na het ongeval niet gestopt op om hulp te verlenen aan het slachtoffer, maar zij heeft de plaats van het ongeval verlaten en hem in hulpeloze toestand achtergelaten. Dat terwijl zij wist dat zij betrokken was geraakt bij een verkeersongeval, getuige haar zoekopdrachten binnen twee uren na het ongeval en de omstandigheid dat zij diezelfde dag, binnen vier uren na het ongeval, telefonisch contact met een garage heeft gezocht en die garage heeft bezocht om de kapotte rechterspiegel van haar auto te laten vervangen. Desondanks heeft zij zich niet bij de politie gemeld. Dit alles getuigt van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Dat de verdachte destijds tegen de automonteur heeft gezegd dat de spiegel van haar auto was getrapt, is wat de rechtbank betreft veelzeggend over haar geloofwaardigheid. Door het tijdsverloop heeft de politie bovendien geen adequaat onderzoek meer kunnen verrichten naar mogelijk strafverzwarende omstandigheden, zoals de mate waarin de verdachte onder invloed van medicatie verkeerde. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

De op te leggen straffen

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank naast de ernst van de feiten ook gekeken naar de volgende aspecten.

De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn vastgesteld in het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de rechtbanken en gerechtshoven, in het geval van aanmerkelijke schuld waarbij zwaar lichamelijk letsel het gevolg is en waarbij geen alcoholgebruik in het spel is, een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden als uitgangspunt nemen. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, is geen oriëntatiepunt beschikbaar.

De rechtbank overweegt dat deze oriëntatiepunten een richtsnoer vormen bij het bepalen van de op te leggen straf, waarbij het de rechter vrijstaat om van deze oriëntatiepunten af te wijken.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte er blijk van heeft gegeven dat zij de ernst van het door haar aan het slachtoffer aangedane leed inziet. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte oprecht berouw lijkt te hebben van haar handelen.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het adviesrapport van Reclassering Nederland van 29 september 2026. In dit rapport is onder meer het volgende gesteld. De verdachte had in de dagen voorafgaand aan het ongeval verschillende soorten medicatie ingenomen, waaronder lorazepam, candesartan en oxycodon. Zij erkent dat zij niet had mogen rijden, maar stelt dat zij zich er niet van bewust was dat de combinatie van medicatie haar rijvaardigheid kon beïnvloeden. De verdachte kwam in haar jongere jaren enkele malen met justitie in aanraking vanwege vermogensdelicten. De afgelopen zeventien jaar is zij niet meer met justitie in aanraking gekomen en zij heeft geen eerdere veroordelingen voor gewelds- of verkeersdelicten. Het recidiverisico en het risico op nieuw letsel worden laag ingeschat. Het langdurige gebruik van verschillende soorten medicatie vormt hierbij een aandachtspunt, met name in relatie tot verkeersdeelname, maar er zijn geen aanwijzingen voor onjuist medicatiegebruik. Op de verschillende leefgebieden is sprake van een relatief stabiele situatie. De verdachte woont met haar tienjarige zoon en is als alleenstaande moeder verantwoordelijk voor diens opvoeding. Zij ontvangt een bijstandsuitkering en kan hiervan, mede door haar goede financiële vaardigheden, rondkomen zonder schulden. Zij heeft weinig arbeidsverleden en is vanwege langdurige lichamelijke klachten volledig arbeidsongeschikt verklaard. Haar lichamelijke beperkingen hebben een duidelijke invloed op haar dagelijks functioneren. Er zijn geen aanwijzingen voor actuele alcohol- of drugsproblematiek. Ze stelt zich coöperatief op richting de reclassering, toont verantwoordelijkheid voor haar handelen en betuigt spijt richting het slachtoffer. Op basis van de lage risico-inschattingen en het ontbreken van voldoende relevante criminogene factoren worden geen aanknopingspunten gezien voor het opstellen van een plan van aanpak gericht op een begeleidingstraject, interventietraject of behandeltraject. Gezien haar lichamelijke beperkingen kan een eventuele werkstraf worden uitgevoerd, mits bij de invulling daarvan rekening wordt gehouden met haar fysieke belastbaarheid en dan met name haar rugproblemen. Een financiële sanctie lijkt gezien haar bijstandsuitkering en beperkte financiële draagkracht moeilijk uitvoerbaar en wordt daarom niet wenselijk geacht. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om bij het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf rekening te houden met de fysieke beperkingen van de verdachte. Bij de keuze en uitvoering van de taakstraf zal de reclassering rekening houden met de beperkte fysieke belastbaarheid van de verdachte.

Voor wat betreft de duur van de op te leggen rij-ontzegging zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal aldus een deel van de ontzegging voorwaardelijk opleggen. Dit deel van de ontzegging zal niet worden ten uitvoer gelegd mits de verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank gezien het lage recidiverisico geen termen aanwezig om daarnaast aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Alles overziend, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tijd waarin het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van de op te leggen rij-ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 primair en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

ten aanzien van feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

* een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;

legt op de volgende bijkomende straf:

* een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd waarin het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Flikkenschild, voorzitter,

mr. M.W.M. Bankers en mr. M.T.T. Slenter, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 30 oktober 2026.