Strafrecht overig

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op zondagmiddag…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
16/269039-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7701
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op zondagmiddag in een woonwijk in Utrecht met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen af te vuren. Verdachte was één van de twee schutters.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/269039-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1990] op [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats]

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 oktober 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. V. van der Horst;

  • de advocaat van de verdachte: mr. J.F. van der Brugge (hierna: de advocaat);

  • mevrouw [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair:

op 12 oktober 2025 in [woonplaats] samen met anderen met voorbedachte raad heeft geprobeerd om de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] van het leven te beroven door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

subsidiair

op voornoemde datum en plaats samen met anderen heeft geprobeerd om de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] van het leven te beroven door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

meer subsidiair

op voornoemde datum en plaats samen met anderen de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] heeft bedreigd door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

feit 2

op 12 oktober 2025 in Utrecht samen met anderen een pistoolmitrailleur, een machinegeweer en 12 (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad;

feit 3

op 12 oktober 2025 in [woonplaats] schoenen en een broek van [benadeelde] heeft gestolen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1, primair (poging moord) en feit 2 (het bezit van vuurwapens en munitie) heeft gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3 (diefstal).

De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van alle feiten.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 3 (diefstal van broek en schoenen van [benadeelde] )

De rechtbank oordeelt dat feit 3 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De reden hiervoor is dat de gestolen spullen niet bij de verdachte zijn aangetroffen. Er is onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. De officier van justitie en de verdediging komen tot diezelfde conclusie.

3.3.2.

Bewijsmiddelen feit 1, subsidiair (poging doodslag) en feit 2 (bezit vuurwapens en munitie)

De rechtbank oordeelt dat de feit 1, subsidiair (poging doodslag) en feit 2 (het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

3.3.3.1. Inleiding

Op zondagmiddag 12 oktober 2025 om 15:50 uur komt een melding binnen bij de politie dat op de [straat] in [woonplaats] een schietpartij heeft plaatsgevonden. Op camerabeelden van de omgeving is te zien dat twee personen met vuurwapens op woningen hebben geschoten en vervolgens in een voertuig zijn gestapt. Een getuige heeft gezien dat de daders van de schietpartij in een grijze Alfa Romeo met kenteken [kenteken] (hierna: de vluchtauto) zijn gestapt en geeft dit door aan de politie. Vervolgens ziet de politie de vluchtauto rijden, waarna een politieachtervolging plaatsvindt. Op de [straat] in [woonplaats] komt de vluchtauto tot stilstand en is te zien dat drie personen uit het vluchtvoertuig rennen. Na een (korte) achtervolging worden medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] in de omgeving aangetroffen. Beiden bekennen (uiteindelijk) bij de schietpartij betrokken te zijn geweest. [medeverdachte 2] bekent dat hij de bestuurder van de vluchtauto is geweest en [medeverdachte 1] verklaart dat hij één van de twee schutters is geweest.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte ook één van de schutters van de schietpartij is geweest. De verdachte ontkent dit.

3.3.3.2. De betrokkenheid van de verdachte

De rechtbank oordeelt dat bewezen kan worden dat de verdachte één van de schutters van de schietpartij is geweest. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Allereerst is van belang dat de verdachte in een woning aan de [adres 4] in [woonplaats] is aangetroffen, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat één van de vluchtende daders de portiek van de woningen aan de [perceelnummers] in is gerend. De bemanning van de politiehelikopter heeft continu zicht op (de portiek van) deze woningen gehad. De politie heeft ook snel versterking ter plaatse. De politie ziet geen personen uit de portiek of voor- en achterzijde van de woningen komen. Nadat de politie alle woningen één voor één leeghaalt en doorzoekt, wordt de verdachte in de woning aan de [adres 4] aangetroffen. De verdachte staat niet ingeschreven op dit adres en de bewoonster verklaart dat zij geen toestemming aan de verdachte heeft gegeven om in haar woning te verblijven. De verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd over waarom hij in deze woning aanwezig was.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat op basis van de aanwezigheid van de verdachte op de [adres 4] niet bewezen kan worden dat hij ook in Utrecht is geweest dan wel dat hij één van de schutters is geweest.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naast de aanwezigheid van de verdachte op de [straat] in [woonplaats] , bevat het dossier (veel) meer bewijs dat de verdachte één van de schutters is geweest. In de vluchtauto van de daders zijn twee automatische vuurwapens aangetroffen. De rechtbank stelt op basis van het vergelijkend hulzenonderzoek vast dat deze vuurwapens bij de schietpartij op de [straat] zijn gebruikt. Op beide vuurwapens is DNA-materiaal van de mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] én de verdachte aangetroffen. Dat de verdachte ook daadwerkelijk bij de schietpartij in [woonplaats] betrokken is geweest, blijkt uit de omstandigheid dat DNA-materiaal van de verdachte in de vluchtauto is aangetroffen en dat op de handen van de verdachte schotresten zijn aangetroffen. Ook zijn DNA-materiaal van de verdachte en schotresten aangetroffen op een bivakmuts die op de bestuurdersstoel van de vluchtauto lag. Uit de camerabeelden volgt dat de schutters gezichtsbekennende kleding droegen. Ook op een grijze trui die op de [adres 4] in [woonplaats] werd aangetroffen en die niet van de bewoonster van die woning was, zijn DNA-materiaal van de verdachte en schotresten aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat één van de schutters een grijze hoodie droeg. Dit alles past dan ook bij het scenario dat de verdachte tijdens het schietincident deze bivakmuts en trui heeft gedragen.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte één van de schutters van het schietincident is geweest.

3.3.3.3 (Voorwaardelijk) opzet op de dood

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is wat het handelen van de verdachte voor strafbaar feit oplevert.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van poging tot moord dan wel poging tot doodslag, maar hooguit van een bedreiging. De verdachte heeft namelijk geen opzet op de dood van de bewoners gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. Niet bewezen kan worden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woningen.

Geen vol opzet

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte de bedoeling (het volle opzet) heeft gehad om anderen van het leven te beroven. Uit het dossier en dat wat is besproken op de zitting valt immers niet op te maken dat de verdachte op de woningen heeft geschoten met het doel andere mensen om het leven te brengen.

Voorwaardelijk opzet

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat bepaalde gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

De rechtbank stelt allereerst vast dat als gevolg van de schietpartij reëel levensgevaar voor de bewoners van de woningen te duchten was.

De schutters hebben in totaal 36 kogels afgevuurd. Daarvan zijn 34 kogels ingeslagen in de ruiten of geveldelen van de woningen met de huisnummers [adres 2] en [adres 3] en 2 kogels in de woning met huisnummer [adres 1] . In de voorruiten van huisnummer [adres 2] en [adres 3] zijn tien kogelinslagen aangetroffen. Als gevolg hiervan zijn kogelfragmenten en scherpe glasdeeltjes in de woonkamer, de keuken en de slaapkamer van de woningen aangetroffen. Volgens de advocaat kan niet worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood, omdat de schutters met een schuine hoek omhoog hebben geschoten en meerdere kogelfragmenten in het plafond zijn aangetroffen. De rechtbank volgt dit verweer van de advocaat niet. Uit het forensisch onderzoek blijkt immers dat een deel van de kogelfragmenten ter hoogte van de vensterbank door de ruit van de woonkamers zijn gevlogen, waardoor het zeer aannemelijk was dat personen die op de bank zouden zitten door deze kogels geraakt zouden worden. Ook stellen de deskundigen vast dat gefragmenteerde munitiedelen en scherpe glasdeeltjes met (zeer) hoge snelheid door de woonkamers hebben gevlogen, waardoor gevaar te duchten was voor personen die zich in de woonkamer bevonden. Daarbij benoemen zij ook dat het zeer aannemelijk is dat bewoners zich op zondagmiddag om 15:50 uur in hun woonkamer bevinden.

Dat de woning met huisnummer [adres 1] slechts tweemaal geraakt is, waarvan tenminste één kogel voldoende kinetische energie had om potentieel letsel te veroorzaken, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat dus ook voor deze bewoners reëel levensgevaar te duchten was.

Uit het dossier volgt dat de schutters vier seconden lang lukraak en ongecontroleerd 36 kogels op meerdere bovenwoningen hebben afgevuurd. Dit blijkt uit van de spreiding van de kogelslagen en de omstandigheid dat de schutters ook andere woningen dan enkel de beoogde woning geraakt hebben.

Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank de conclusie van de deskundigen dat als gevolg van de schietpartij reëel levensgevaar voor de bewoners van de woningen met huisnummer [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te duchten was.

De advocaat heeft bepleit dat geen sprake kan zijn van een aanmerkelijke kans op de dood omdat de bewoners van de woningen met de huisnummers [adres 2] en [adres 3] op het moment van de schietpartij niet thuis waren en omdat van de persoon die in de woning met huisnummer [adres 1] aanwezig was niet kan worden vastgesteld waar zij zich op dat moment in de woning bevond. Volgens de advocaat blijkt uit de rechtspraak dat geen aanmerkelijke kans op de dood wordt aangenomen in zaken waar de bewoners ten tijde van het schietincident niet thuis dan wel niet in de beschoten ruimte waren.

De rechtbank ziet dat anders en wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1648). Daaruit maakt de rechtbank op dat wel sprake kan zijn van een poging doodslag als een potentieel slachtoffer door louter toeval op het moment van de schietpartij niet in de woning aanwezig was. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Het is immers heel gebruikelijk dat mensen zich op zondagmiddag om 15:50 uur in hun woning bevinden. Dat op het moment van de schietpartij (op één iemand na) niemand aanwezig was in de woningen, berust enkel op toeval. Dat blijkt uit de aangiftes van de potentiële slachtoffers: de bewoner van huisnummer [adres 2] had zijn woning slechts 20 minuten voor de schietpartij verlaten, de bewoner van huisnummer [adres 3] had die ochtend spontaan besloten om met zijn ouders naar de dierentuin te gaan en één van de bewoonsters van huisnummer [adres 1] was net een rondje aan het wandelen. Gelet op het tijdstip had dit heel anders kunnen zijn en de toevallige omstandigheid dat de bewoners (grotendeels) afwezig waren staat niet in de weg aan het aannemen van een aanmerkelijke kans. Daar komt nog bij dat één van de bewoners van huisnummer [adres 1] niet mee was gaan wandelen en zich dus wel degelijk in de woning bevond.

Aanvaarding

De vervolgvraag is dan of de verdachte die aanmerkelijke kans op levensgevaar van de bewoners ook bewust heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt dat de schutters (dus de verdachte en zijn medeverdachte) zich er op geen enkele wijze van hebben vergewist of er op het moment van schieten personen in de woning aanwezig waren. Volgens de deskundigen was het vanaf de openbare weg voor de schutters onmogelijk om te zien of er tijdens de schietpartij mensen in de woning aanwezig waren. Gelet op het (zeer) korte tijdsbestek waarbinnen de auto de straat inreed, de schutters uitstapten, op de woningen schoten en weer in de auto stapten, hebben de schutters ook niet op een andere wijze vastgesteld of de bewoners in de woningen aanwezig waren, terwijl zij daar gelet op het tijdstip van de schietpartij wel van uit moesten gaan.

Het op deze wijze op zondagmiddag schieten op meerdere woningen, zonder zich ervan te vergewissen of er bewoners thuis waren, is, zeker gezien de plaatsen waar de kogels zijn ingeslagen naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het dodelijk treffen van aanwezigen in die woningen dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van anderen. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat in zoverre.

3.3.3.4 Voorbedachte raad

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig

heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij moet komen vast te staan dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank kan op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid vaststellen op welk moment de verdachte wist dat het de bedoeling was dat hij op een woning zou schieten. De medeverdachten verklaren wisselend over het moment dat de opdracht volledig duidelijk was en de verdachte zelf zegt er niets over. Dit maakt dat op basis van het dossier onvoldoende vastgesteld kan worden of de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om op de woningen te schieten. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primaire feit (de poging tot moord). Het subsidiaire feit (de poging tot doodslag) is wel wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3.5. feit 2: het bezit van de gebruikte vuurwapens en de munitie

Omdat de verdachte een van de schutters van het schietincident is geweest, oordeelt de rechtbank dat ook bewezen kan worden dat de verdachte deze vuurwapens samen met zijn mededaders voorhanden heeft gehad.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:


feit 1, subsidiair
op 12 oktober 2025, te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk anderen, te weten de bewoners van de (boven)woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen automatische vuurwapens op voornoemde (boven)woningen hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2
op 12 oktober 2025, te Amsterdam en Utrecht tezamen en in vereniging met anderen

  1. wapens van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
    - een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en,
    - een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en

  2. munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39 mm voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezenverklaarde feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair : medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd

feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º, meermalen gepleegd

en

4.2.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf en maatregel

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte (voor de door haar bewezen geachte feiten) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat ziet geen goede reden om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan aan de bekennende medeverdachte, zoals door de officier van justitie is geëist. Dat de verdachte niet met de politie wil praten, komt omdat hij slechte ervaringen met de politie heeft en moet dan ook niet in het nadeel van de verdachte worden meegewogen. Verder heeft de advocaat opgemerkt dat hij de verdachte kent als iemand die zeer positief in het leven staat en iets van zijn leven wil maken.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op een zondagmiddag in een woonwijk met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen af te vuren. De bewoners zijn zonder dat duidelijk is geworden waarom slachtoffer geworden van een aanslag op hun thuisomgeving. Er is gespeeld met hun levens. Dat er niemand (zwaar) gewond is geraakt of is komen te overlijden, is niet aan de verdachte te danken. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat deze gebeurtenis hem veel angst en stress heeft bezorgd en nog steeds veel vragen oproept.

Het schieten met automatische vuurwapens op woningen roept daarnaast in de gehele samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw op.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie die bij het schietincident is gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle gevolgen van dien. Deze zaak is daarvan een schokkend voorbeeld. Daarnaast leidt vuurwapenbezit tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Gelet op de toename van vuurwapenbezit en het gevaarzettende karakter daarvan, dient er streng tegen te worden opgetreden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 30 juni 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder voor geweldsfeiten en wapenbezit tot (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld.

De verdachte heeft niets over zijn persoonlijke omstandigheden willen verklaren, zodat de rechtbank hier bij de strafoplegging ook geen rekening mee heeft kunnen houden.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere straf worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren opleggen, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan aan de medeverdachte [medeverdachte 1] , zoals door de officier van justitie is geëist. Hoewel de rechtbank in strafverminderende zin bij medeverdachte [medeverdachte 1] heeft meegewogen dat hij (grotendeels) openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen, is in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] nog een omgebouwd alarmpistool aangetroffen. Dit extra feit maakt dat de rechtbank ook in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] een gevangenisstraf van vier jaren oplegt.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel

Gelet op het strafblad van de verdachte oordeelt de rechtbank dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Derhalve zal de rechtbank ambtshalve ook de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de 38z maatregel, nu de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat deze maatregel pas ten uitvoer gelegd kan worden na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie tegen het einde van de straf en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank (artikel 6:6:23a en verder van het Wetboek van Strafvordering).

6 Vorderingen van de benadeelde partijen

6.1.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.418,62, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.418,62 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft op de zitting verzocht om de materiele schadepost toekomstige eigen risicokosten ten bedrage van € 770,00 niet-ontvankelijk te verklaren.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.648,62 aan materiële schade en voor een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade hoofdelijk kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt het toewijsbare bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering pas anderhalve dag voor de zitting is ingediend en de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materiële schadepost ‘huurkosten’, omdat deze kosten niet in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit staan. Ook verzoekt de advocaat om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de immateriële schadevergoeding te verklaren, omdat onvoldoende onderbouwd is dat sprake is van psychische schade bij de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid

Artikel 51g, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de benadeelde partij uiterlijk tot aan het requisitoir van de officier van justitie een vordering kan indienen. Hoewel het wenselijk is dat een vordering van de benadeelde partij ruim(er) voor de zitting wordt ingediend, is geen sprake van een situatie waarin geen inhoudelijk debat over de vordering heeft kunnen plaatsvinden. Uit de onderbouwing van het verweer tegen de vordering opgenomen in de pleitnota, die tijdens de zitting nader is toegelicht, leidt de rechtbank af dat de verdediging zich in dit geval voldoende heeft kunnen verweren. De vordering is bovendien niet zo complex of uitgebreid dat evident is dat de verdediging daar meer tijd of gelegenheid voor nodig had. Zodoende levert de behandeling van de vordering geen onevenredige belasting voor het strafproces op.

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schade in en aan de woning van de benadeelde partij is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.773,62) daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij, zoals verzocht in de toelichting op de vordering, niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de schadepost ‘toekomstige eigen risicokosten’ (€ 770,00), nu het op dit moment nog onduidelijk is of deze schade, voor zover al toewijsbaar, zich in de toekomst zal verwezenlijken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in de schadepost ‘huurkosten’ (€ 875,00). De benadeelde partij heeft een maand aan huurkosten van zijn woning gevorderd, omdat hij (tijdelijk) niet in zijn woning kon en wilde verblijven. De benadeelde partij heeft daarom bij een vriend en bij zijn moeder verbleven. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had deze huurkosten ook gemaakt als de schietpartij niet had plaatsgevonden, en niet is gebleken dat de benadeelde partij extra kosten voor het verblijf bij anderen heeft moeten maken.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft met de verklaringen van een vriend, zijn moeder en zijn werkgever voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de gevolgen van het bewezenverklaarde blijken. Zo volgt uit de verklaringen van een vriend en zijn moeder dat de benadeelde ongeveer een maand niet in zijn woning heeft durven verblijven. Ook blijkt uit de verklaring van de werkgever dat de benadeelde anderhalve maand niet heeft gewerkt. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dus toe tot bedrag van € 3.773,62 bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.773,62 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 37 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders [medeverdachte 1] (parketnummer: 16/269010-25) en [medeverdachte 2] (parketnummer: 16/268984-25) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of de Staat te betalen.

6.5.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 3)

[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.390,00 voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 890,00 voor vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.6.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de advocaat verzoeken om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding te verklaren, gelet op de gevorderde dan wel bepleite vrijspraak.

6.7.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • artikelen 36f, 38z, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1, primair en feit 3 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, subsidiair en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

38z-maatregel

-legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde [slachtoffer] (feit 1)

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.773,62, bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.773,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 37 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 3)

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. G.M.C. Klink en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

feit 1
primair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf on opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(n) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) te schieten;

feit 2
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Amsterdam en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A. een of meer wapen(s) van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

B. een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39mm voorhanden heeft gehad;

feit 3
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, schoenen (merk: Crocs) en/of een broek (merk: Australian), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Het proces-verbaal van beschrijving van de camerabeelden van het schietincident, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 12 oktober 2025 is er met automatische vuurwapens geschoten op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] .

Op de beelden zag ik dat het voertuig, waar de verdachten in zaten, om 15:48:25 uur de [straat] te [woonplaats] inreed. Het voertuig betrof een Alfa Romeo. Ik zag dat het voertuig stopte ter hoogte van de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] . Nadat het voertuig stopte, zag ik dat de achterdeuren opengingen. Ik zag dat er één persoon uitstapte bij de linkerachterdeur en dat er één persoon uitstapte bij de rechterachterdeur.

Ik zag dat de persoon die uitstapte bij de linkerachterdeur, uitstapte om 15:48:29 uur. Ik zag dat deze persoon een vuurwapengelijkend voorwerp met twee handen richtte op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Ik zag dat deze persoon vier seconden lang schoten loste op de woningen. Het signalement van de persoon die uitstapte bij de linkerachterdeur is donkergekleurde gezichtsbedekking en donkergekleurde bovenkleding.

Ik zag dat de persoon die uitstapte bij de rechterachterdeur, uitstapte om 15:48:31 uur. Ik zag dat deze persoon ook een vuurwapengelijkend voorwerp met twee handen richtte op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Ik zag dat deze persoon vier seconden lang schoten loste op de woningen.

Ik zag dat beide personen om 15:48:38 uur weer ingestapt waren in het voertuig en dat het voertuig daarna direct wegreed.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige nummer [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben getuige van een schietpartij op 12 oktober 2025 in de omgeving van de [straat] / [straat] te [woonplaats] . Ik zag een voertuig. Ik zag naast dit voertuig een persoon staan. Ik zag dat de persoon een voorwerp in zijn handen had wat leek op een pistool. Ik zag dat de persoon richting het voertuig ging. Het voertuig was voorzien van kenteken [kenteken] .

Het proces-verbaal beschrijving van de camerabeelden van de politie luchtvaart, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de Alfa Romeo rechtsaf de [straat] in reed. Ik hoorde de bemanning

van de helikopter waarschuwen dat de weg hier dood liep. Ik hoorde de bemanning van de helikopter zeggen: drie personen. Ik zag drie personen wegrennen. 1 persoon zag ik linksom het [straat] rennen. De twee andere personen zag ik rechtsaf richting het [straat] rennen. De bemanning van de helikopter volgde de man die linksaf rende. Deze persoon rende terug richting [straat] . Ik hoorde de bemanning van de helikopter zeggen [adres 4] . Ik zag dat de camera werd gewijzigd in het warmtebeeld en ik hoorde de bemanning van de helikopter zeggen: "hier moet hij zitten."

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door de helikopterbemanning was een derde verdachte gevolgd die zij zagen wegvluchten uit het voertuig welke betrokken was bij de schietpartij. Ik hoorde dat werd aangegeven via de portofoon dat deze verdachte een portiek in was gerend welke was gelegen aan de [straat] .

Het bleek te gaan om het portiek met daarin 8 woningen, namelijk perceelnummer [perceelnummers] . De helikopterbemanning gaf aan continu zicht te hebben gehad op de voor- en achterzijde van dit portiek en de daarin gelegen woningen. Ik hoorde dat er geen persoon uit het portiek naar buiten was gekomen waardoor het aannemelijk was dat de verdachte nog binnen was.

Hierop heb ik besloten om alle bewoners van deze woningen via de intercom aan te laten spreken om de woningen één voor één leeg te maken. Uit de woningen kwamen geen personen die in het beeld pasten van de vluchtende verdachte.

In de woning met perceelnummer [perceelnummer] werd een persoon aangetroffen. Deze persoon had niet gereageerd op het aanbellen bij de woning. Deze verdachte bleek te zijn: [verdachte] . Ik hoorde dat de bewoonster van perceelnummer [perceelnummer] niet begreep wie die man in haar woning was en dat hij daar niet thuis hoorde.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bevindingen

De auto stond in een bocht van de [straat] in [woonplaats] . Wij zagen dat het een auto van het merk: "Alfa Romeo" was. Wij zagen dat het kenteken van het voertuig [kenteken] was. In de bagageruimte van het voertuig zagen wij twee op vuurwapen gelijkende voorwerpen liggen.

Ik zag dat van één wapen het patroonmagazijn en de kamer leeg waren. Bij het andere vuurwapen zag ik dat er nog projectielen in het patroonmagazijn zaten en dat er een projectiel in de kamer zat.

Op de bestuurdersstoel van de auto zagen wij een zwarte balaclava liggen.

Sporendragers

SIN: AARK6633NL
Object: Vuurwapen (Auto. Vuurwapen).

SIN: AARK6634NL
Object: Vuurwapen (Auto. Vuurwapen).

SIN: AARK6635NL
Object: 12 stuks munitie (Kogelpatroon)
Bijzonderheden: Uit kamer en patroonmagazijn aart6634nl (de rechtbank begrijpt: AARK6634NL).

SIN: AARK6636NL

Object: Bivakmuts.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict [straat] [woonplaats] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Openbare weg

We zagen dat er in totaal 36 hulzen op de straat lagen waarvan er 15 flessenhals munitie hulzen en 21 9mm munitie hulzen lagen. We zagen ook dat de flessenhals munitie voornamelijk aan de westelijke zijde van de straat lagen en de 9mm hulzen meer aan de oostelijke zijde.

We zagen dat er inslagen zichtbaar waren in de ruit en de gevelplaten van tenminste drie woningen. In de ruit van de woning met huisnummer [adres 2] zagen we 10 inslagen. In de ruit van de woning van huisnummer [adres 3] zagen we ook 10 inslagen. In de geveldelen om de ruiten van de woningen [adres 2] en [adres 3] heen zagen we 14 inslagen. In de woning met huisnummer [adres 1] zagen we in de ruit op de tweede etage twee inslagen.

Onderzoek woning [adres 1]

We zagen aan in het raam in de slaapkamer twee beschadigingen in de ruit en het rolgordijn voor deze ruit. We zagen ook, in lijn met de beschadiging in de ruit, dat er een beschadiging in het plafond van de slaapkamer zichtbaar was. We zagen en voelden dat er vermoedelijk een deel van een projectiel het plafond in geschoten was. Daarnaast zagen we dat er ook een deel van een projectiel in een boekenkast lag.

Onderzoek woning [adres 2]

We zagen dat er, in lijn met de beschadigingen in de ruit, diverse beschadigingen zichtbaar waren in het plafond van de woonkamer. We zagen dat dit meer beschadigingen waren dan dat er gaten in de ruit zaten en dat deze beschadigingen het resultaat waren van scherfwerking door stuk geslagen munitiedelen. We zagen dat er in de muur, tegenover de ruit met de gaten, inslagen van scherfwerking en munitiedelen zichtbaar waren. We zagen ook dat er door de hele woonkamer scherpe glasdeeltjes over de vloer lagen welke vermoedelijk als gevolg van de schotbeschadigingen met hoge snelheid door de woonkamer gevlogen hebben tijdens het incident. Gelet op de beschadigingen en de impact van deze scherven op het plafond en de muur, kon door ons worden gesteld dat er een gevaar voor personen te duchten was als ze zich in deze ruimte bevonden tijdens het incident. We zagen ook dat één munitiedeel door de muur van de slaapkamer gepenetreerd is en daar een beschadiging in het plafond heeft veroorzaakt. We zagen dat de projectielen de ruit van de woonkamer penetreerde over de gehele hoogte van de ruit tot vlak boven de vensterbank. We zagen ook in de keuken dat er een beschadiging in de ruit zichtbaar was. In zowel de woonkamer als de keuken en de slaapkamer, zagen we diverse (versplinterde) munitiedelen liggen.

Onderzoek woning [adres 3]

We zagen dat de meeste inslagen zich aan de linkerzijde van de woonkamer bevonden. We zagen dat er in het plafond en de muur, gesitueerd tegenover de ruit met inslagen, op meerdere plaatsen beschadigingen te zien waren van gefragmenteerde munitiedelen. We zagen dat er diverse inslagen in de ruit van de woonkamer in lijn lagen met de bank in de woonkamer. We zagen daarbij, gelet op de hoogte van deze inslagen, dat het zeer aannemelijk was dat een aantal van deze projectielen een persoon welke op de bank zou zitten, geraakt konden hebben. We zagen ook dat er door de hele woonkamer scherpe glasdeeltjes over de vloer lagen welke vermoedelijk als gevolg van de schotbeschadigingen met hoge snelheid door de woonkamer gevlogen hebben tijdens het incident. Tot slot zagen we ook hier dat er beschadigingen zichtbaar waren in de ruit over de gehele hoogte tot vlak boven de vensterbank. Gelet op de locatie van de beschadigingen in de ruit en de impact van de beschadigingen door gefragmenteerde munitiedelen op het plafond en de muur als mede ook de scherpe glasdeeltjes door de gehele woonkamer, kon door ons worden gesteld dat er een gevaar voor personen te duchten was als die zich in de woonkamer hadden begeven tijdens het incident.

Interpretatie van de bevindingen

De woning aan de [adres 1] werd door tenminste twee projectielen geraakt. Gelet op de impact van het projectiel op het plafond kon worden gesteld dat tenminste één projectiel bij het penetreren van de ruit nog genoeg kinetische energie had om letsel te veroorzaken.

In de woningen met huisnummers [adres 2] en [adres 3] was substantieel meer schade. Over de vloer lagen in beide woningen, behalve munitiedelen, veel scherpe glasdeeltjes. Deze glasdeeltjes hebben vermoedelijk met hoge snelheid door de ruimte gevlogen. Daarnaast waren veel beschadigingen zichtbaar in de plafonds en de muren tegenover de beschadigde ruit. Daaruit was op te maken dat er gefragmenteerde munitiedelen met zeer hoge snelheid door de kamer gevlogen hebben. Tot slot waren de beschadigingen in de ruit zichtbaar over de gehele hoogte van de ruiten tot vlak boven de vensterbank. Daardoor kon worden gesteld dat het aannemelijk was dat personen welke zich in deze ruimtes begaven, geraakt konden worden als gevolg van het incident. In beide woningen betrof dit onder andere de woonkamer, een ruimte waarvan het, gelet op het tijdstip van het incident rond 15:50 uur, zeer aannemelijk is dat aanwezige bewoners zich bevinden.

Omdat de woningen zich aan de eerste en de tweede etage van het pand bevonden was het vanaf de openbare weg voor de schutters onmogelijk om te zien of er mensen thuis waren tijdens het schieten. Al met al werd er door ons gesteld dat er een reëel levensgevaar voor personen te duchten was als gevolg van het incident.

Sporendragers

- AARL0809NL (munitie);

- AARL0810NL (munitie);

- AARL0811NL (munitie);

- AARL0812NL (munitie);
- AARL0814NL (munitie);

- AARL0815NL (munitie);

- AARL0816NL (munitie);

- AARL0817NL (munitie);

- AARL0818NL (munitie);

- AARL0819NL (munitie);

- AARL0820NL (munitie);

- AARL0821NL (munitie);

- AARL0822NL (munitie);

- AARL0823NL (munitie);

- AARL0824NL (munitie);

- AARL0825NL (munitie);

- AARL0826NL (munitie);

- AARL0827NL (munitie);
- AARL0828NL (munitie);
- AARL0829NL (munitie);

- AARL0830NL (munitie);
- AARL0831NL (munitie);

- AARL0832NL (munitie);
- AARL0838NL (munitie);
- AARL0838NL (munitie);
- AARL0840NL (munitie);
- AARL0843NL (munitie).

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Wapen – en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat ten minste een deel van de verschoten munitiedelen zijn verschoten met de vuurwapens [AARK6633NL en AARK6634NL].

Hulzen, 9mm Parabellum

Voor elk van de 21 hulzen [AARL0809NL t/m -812NL, AARL0814NL t/m -827NL, AARL0830NL en AARL0832NL] en het vuurwapen [AARK6633NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De huls is verschoten met het vuurwapen.

Hypothese 2: De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

De resultaten van het vergelijkend huisonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Ordegrootte bewijskracht van extreem veel waarschijnlijker is > 1.000.000

Hulzen, 7,62x39mm

Voor elk van de 15 hulzen [AARL0828NL, -829NL, -831NL, -833NL t/m -844NL] en het vuurwapen [AARK6634NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De huls is verschoten met het vuurwapen.

Hypothese 2: De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

Met betrekking tot de hulzen [AARL0828NL, -829NL, -831NL en -843NL] zijn de resultaten van het vergelijkend huisonderzoek extreem veel waarschijnlijker

wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Ordegrootte bewijskracht van extreem veel waarschijnlijker is > 1.000.000.

Met betrekking tot de hulzen [AARL0838NL en -840NL] zijn de resultaten van het vergelijkend huisonderzoek veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Ordegrootte bewijskracht van veel waarschijnlijker is 100 - 10.000.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek

SIN

DNA kan afkomstig zijn van:

Bewijskracht

AASA8449NL#01
vuurwapen AARK6633NL:

ruwe delen/trekker/trekkerbeugel

minimaal vier personen;

- verdachte [medeverdachte 1]

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

- meer dan 1 miljard

AASA8453NL#01
vuurwapen AARK6634NL:

ruwe delen/trekker/trekkerbeugel

minimaal drie personen:

- verdachte [medeverdachte 2]

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

- ongeveer 1 miljoen

AASA8454NL#01
patroonmagazijn AARK6634NL

minimaal twee personen, waarvan een relatief grote hoeveelheid DNA (afgeleid DNA-hoofdprofiel) van verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven

Toen ik op 12 oktober 2025 omstreeks 17:00 uur bij mijn woning aan de [adres 4] kwam, stond er allemaal politie voor de deur. De politie vroeg aan mij of de jongeman die in mijn woning zat, mijn kleinzoon was. Die jongen is niet mijn kleinzoon en ik heb hem geen toestemming gegeven om in mijn woning te komen. De jongen werd aangehouden. De politie vroeg mij of er dingen anders waren in mijn woning. Ik kwam er achter dat er een jas in de woning was achtergelaten. De forensische opsporing heeft de jas meegenomen.

Een proces-verbaal relaas van verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de woning aan de [adres 4] in [woonplaats] is een grijze North Face jas veiliggesteld (AASA5364NL).

Later in het onderzoek bleek dat dit geen jas maar een grijze trui betrof. Omdat deze sporendrager als een jas is veiliggesteld en ingevoerd zal er voor de rest van dit dossier blijvend verwezen worden naar deze sporendrager als "jas".

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek

SIN

DNA kan afkomstig zijn van:

Bewijskracht

AARK6636NL#01

de binnenzijde van de

bivakmuts ter hoogte van

de mondregio

minimaal twee personen:
- verdachte [verdachte]
- minimaal één andere persoon

- meer dan 1 miljard

- niet van toepassing

AASA5364NL#02 de binnenzijde van de kraag jas

minimaal één persoon:
- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij hebben de handen van [verdachte] bemonsterd op de aanwezigheid van kruitresten.

SIN: AAIQ4689NL

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de onderzoeksset schiethanden [AAIQ4689NL] waarmee de handen van verdachte [verdachte] zijn bemonsterd, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer er schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn.

De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de grijze The North Face jas [AASA5364NL] zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer er schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op deze bemonsteringen aanwezig zijn.

Ordegrootte bewijskracht van zeer veel waarschijnlijker is 10.000-1.000.000.

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘Aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hypothese A1: Op de bemonsteringen van de bivakmuts zijn schotresten aanwezig.

Hypothese A2: Op de bemonsteringen van de bivakmuts zijn géén schotresten aanwezig.

De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de bivakmuts [AARK6636NL] uit vluchtvoertuig, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A1 waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is.

Ordegrootte bewijskracht van zeer veel waarschijnlijker is 10.000-1.000.000.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij zagen een grijskleurige auto van het merk Alfa Romeo met kenteken [kenteken] .Wij hebben bij de bestuurderskant op de volgende plaatsen bemonsteringen genomen:

  • stuur rondom (AATF6253NL);

  • stuur midden (AATF6254NL);

  • hoofdsteun bestuurderstoel (AATF6255NL);

  • versnellingspook (AATF6256NL).

Een geschrift, te weten het NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in [woonplaats] op 12 oktober 2025’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek

SIN

DNA kan afkomstig zijn van:

Bewijskracht

AATF6253NL#01

stuur rondom

minimaal drie personen;

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

AATF6254NL#01

midden kolom stuur

minimaal vijf personen;

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

AATF6255NL#01 hoofdsteun bestuurdersstoel

minimaal drie personen;

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

AATF6256NL#01 versnellingspook

minimaal twee personen;

- verdachte [verdachte]

- ongeveer 920 duizend

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , bewoner van de [adres 2] in [woonplaats] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Kan jij mij in het kort vertellen wat er is gebeurd op 12 oktober 2025?
A: Ik ging rond 15:30 uur van huis vandaan.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , bewoner van de [adres 3] in [woonplaats] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Kan jij mij in het kort vertellen wat er is gebeurd op 12 oktober 2025?

A: Mijn ouders hadden mij ‘s ochtends een berichtje gestuurd. Mijn ouders wilden graag dat wij mee gingen naar een dierentuin. Rond kwart over 9 in de ochtend ben ik van huis weg gegaan.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 oktober 2025 spraken wij de bewoonster [getuige 2] van de [adres 1] te [woonplaats] . Zij verklaarde het volgende. Mijn dochter lag te slapen tijdens de beschieting. Ik was een stukje wandelen toen zij belde dat zij allemaal politie buiten zag staan. Zij dacht dat het vuurwerk was.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 oktober 2025 kreeg ik de opdracht om de woning aan de [adres 1] te schonen. Ik zag enkele momenten later dat er beweging was achter de deur van de [adres 1] . Ik zag dat hier een persoon was welke de deur opende. Ik zag dat de persoon welke aanwezig was in de woning aan de [adres 1] was [B] .

Een proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik werd gevraagd om iets te doen. Ik ging daarop in. Toen zijn we naar [woonplaats] gereden

vanuit Amsterdam. In de buurt van de woning had iemand de tas gepakt en open gedaan. Toen zag ik dat daar vuurwapens inzaten. Toen werd de opdracht gegeven dat we op dat huis moesten schieten, bovenin.

Een proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik en twee andere mannen zaten in een auto. Ik werd gevraagd om te rijden. Ik kreeg te horen dat ik één keer snel langs moest rijden. Toen moest ik terugkeren naar de hoek. Toen ik was gekeerd, moest ik weer naar die kapperszaak. Toen stapten ze uit en begonnen ze te schieten.

V: Hoe zagen die andere twee eruit?
A: Eentje was echt heel erg gespierd. Lichtgekleurd. Die andere wel donker en dun.
V: En qua kleding?
A: Die lichtgekleurde had een blauw trainingspak aan.
V: En die andere?
A: Een donkergrijze hoodie.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , inhoudende de categorisering van de wapens en de munitie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN: AARK6634NL
Wapen: vuurwapen, machinegeweer.

Categorie: II sub 2.

Bovenvermeld voorwerp is van het merk Zastava model M70-AB2, kaliber 7.62 x 39mm. Tijdens de proefschoten bleek dit vuurwapen geschikt te zijn om zowel semi- als volautomatisch te kunnen vuren.

SIN: AARK6633NL
Wapen: vuurwapen, pistoolmitrailleur

Categorie: II sub 2.

Bovenvermeld voorwerp is van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm. Tijdens de proefschoten bleek dit vuurwapen geschikt te zijn om volautomatisch te kunnen vuren.

SIN: AARK6635NL

Munitie: 12 scherpe kogelpatronen

Categorie: III.

Bovengenoemde scherpe kogelpatronen zijn van het kaliber 7.62 x 39mm.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025348161 van: - 10 april 2026, doorgenummerd pagina 1 tot en met 454, hierna aangehaald met de toevoeging (A), - het forensisch dossier van 12 april 2026, doorgenummerd pagina 1 tot en met 30, hierna aangehaald met de toevoeging (B); - het verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] van 19 augustus 2026, pagina 1 tot en met 6. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 16 (A). Pagina 17 (A). Pagina 18 (A). Pagina 244 (A). Pagina 245 (A). Pagina 377 (A). Pagina 378 (A). Pagina 88 (A). Pagina 89 (A). Pagina 51 (B). Pagina 52 (B). Pagina 15 (B). Pagina 16 (B). Pagina 17 (B). Pagina 18 (B). Pagina 242 (B). Pagina 158 (B). Pagina 341 (A). Pagina 342 (A). Pagina 9 (B). Pagina 294 (B). Pagina 99 (B). Pagina 246 (B). Pagina 247 (B). Pagina 246 (B). Pagina 269 en 270 (B). Pagina 60 (B). Pagina 279 (B). Pagina 42 (A). Pagina 242 (A). Pagina 39 (A). Pagina 25 (A). Het proces-verbaal van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 augustus 2026, pagina 2. Het proces-verbaal van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 augustus 2026, pagina 3. Pagina 319 (A). Pagina 320 (A). Pagina 321 (A). Pagina 165 (B). Pagina 166 (B). Pagina 168 (B).