Strafrecht overig

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op zondagmiddag…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
16/269010-25, 13/174909-23 (vord. tul), 16/208898-23 (vord. tul) & 21/001713-21 (vord. tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7710
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op zondagmiddag in een woonwijk in Utrecht met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen af te vuren. Verdachte was één van de twee schutters.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/269010-25, 13/174909-23 (vord. tul), 16/208898-23 (vord. tul) &

21/001713-21 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2001] op [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 oktober 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. V. van der Horst;

  • de advocaat van de verdachte: mr. D.R. Kops (hierna: de advocaat);

  • mevrouw [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair:

op 12 oktober 2025 in [woonplaats] samen met anderen met voorbedachte raad heeft geprobeerd om de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] van het leven te beroven door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

subsidiair

op voornoemde datum en plaats samen met anderen heeft geprobeerd om de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] van het leven te beroven door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

meer subsidiair

op voornoemde datum en plaats samen met anderen de bewoners van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] heeft bedreigd door meerdere malen met automatische vuurwapens op die woningen te schieten;

feit 2

op 12 oktober 2025 in Utrecht samen met anderen een pistoolmitrailleur, een machinegeweer en 12 (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad;

feit 3

op 12 oktober 2025 in Huizen een omgebouwd alarmpistool voorhanden heeft gehad.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1, primair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1, primair (poging moord) en feit 1 subsidiair (poging doodslag). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 1, meer subsidiair (bedreiging), feit 2 en feit 3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsmiddelen feit 1, subsidiair (poging doodslag) en feit 2 (bezit vuurwapens en munitie)

De rechtbank oordeelt dat de feit 1, subsidiair (poging doodslag) en feit 2 (het bezit van de gebruikte vuurwapens en munitie) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

3.3.2.1. Inleiding

Op zondagmiddag 12 oktober 2025 om 15:50 uur komt een melding binnen bij de politie dat op de [straat] in [woonplaats] een schietpartij heeft plaatsgevonden. Op camerabeelden van de omgeving is te zien dat twee personen met vuurwapens op woningen hebben geschoten en vervolgens in een voertuig zijn gestapt. Een getuige heeft gezien dat de daders van de schietpartij in een grijze Alfa Romeo met kenteken [kenteken] (hierna: vluchtauto) zijn gestapt en geeft dit door aan de politie. Vervolgens ziet de politie de vluchtauto rijden, waarna een politieachtervolging plaatsvindt. Op de [straat] in [woonplaats] komt de vluchtauto tot stilstand en is te zien dat drie personen uit het vluchtvoertuig rennen. Na een (korte) achtervolging worden medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte in de omgeving aangetroffen. Beiden bekennen (uiteindelijk) bij de schietpartij betrokken te zijn geweest. [medeverdachte 1] verklaart dat hij de bestuurder van de vluchtauto is geweest en de verdachte verklaart dat hij één van de twee schutters is geweest. De rechtbank heeft in het vonnis van de medeverdachte [medeverdachte 2] vastgesteld dat hij de andere schutter is geweest.

3.3.2.2 (Voorwaardelijk) opzet op de dood

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is welk strafbaar feit de verdachte heeft begaan door zo te handelen.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van poging tot moord dan wel poging tot doodslag, maar hooguit van een bedreiging. De verdachte heeft namelijk geen opzet op de dood van de bewoners gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. Niet bewezen kan worden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woningen.

Geen vol opzet

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte de bedoeling (het volle opzet) heeft gehad om anderen van het leven te beroven. Uit het dossier en dat wat is besproken op de zitting valt immers niet op te maken dat de verdachte op de woningen heeft geschoten met het doel andere mensen om het leven te brengen.

Voorwaardelijk opzet

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

De rechtbank stelt allereerst vast dat als gevolg van de schietpartij reëel levensgevaar voor de bewoners van de woningen te duchten was.

De schutters hebben in totaal 36 kogels afgevuurd. Daarvan zijn 34 kogels ingeslagen in de ruiten of geveldelen van de woningen met de huisnummers [adres 2] en [adres 3] en 2 kogels in de woning met huisnummer [adres 1] . Als gevolg hiervan zijn kogelfragmenten en scherpe glasdeeltjes in de woonkamer, de keuken en de slaapkamer van de woningen aangetroffen. Volgens de advocaat heeft dit niet geleid tot een aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woningen, omdat de schutters met een schuine hoek omhoog hebben geschoten en meerdere kogelfragmenten in het plafond zijn aangetroffen. De rechtbank volgt dit verweer van de advocaat niet. Uit het forensisch onderzoek blijkt immers dat een deel van de kogelfragmenten ter hoogte van de vensterbank door de ruit van de woonkamers zijn gevlogen, waardoor het zeer aannemelijk was dat personen die op de bank zouden zitten door deze kogels geraakt zouden worden. Ook stellen de deskundigen vast dat gefragmenteerde munitiedelen en scherpe glasdeeltjes met (zeer) hoge snelheid door de woonkamers hebben gevlogen, waardoor gevaar te duchten was voor personen die zich in de woonkamer bevonden. Daarbij benoemen zij dat het zeer aannemelijk is dat bewoners zich op zondagmiddag om 15:50 uur in hun woonkamer bevinden.

Dat de woning met huisnummer [adres 1] slechts tweemaal geraakt is, waarvan tenminste één kogel voldoende kinetische energie had om potentieel letsel te veroorzaken, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat dus ook voor deze bewoners reëel levensgevaar te duchten was.

Uit het dossier volgt dat de schutters vier seconden lang lukraak en ongecontroleerd 36 kogels op meerdere bovenwoningen hebben afgevuurd. Dit blijkt uit van de spreiding van de kogelslagen en de omstandigheid dat de schutters ook andere woningen dan enkel de beoogde woning geraakt hebben. Daarnaast heeft de verdachte verklaard nog nooit eerder geschoten te hebben. Hij had dus geen enkele ervaring in het schieten met een dergelijk wapen wat bijdraagt aan het ongecontroleerd schieten.

Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank de conclusie van de deskundigen dat als gevolg van de schietpartij reëel levensgevaar voor de bewoners van de woningen met huisnummer [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te duchten was.

De advocaat heeft bepleit dat geen sprake kan zijn van een aanmerkelijke kans op de dood omdat de bewoners van de woningen met de huisnummers [adres 2] en [adres 3] op het moment van de schietpartij niet thuis waren en omdat van de persoon die in de woning met huisnummer [adres 1] aanwezig was niet kan worden vastgesteld waar zij zich in de woning met bevond. Volgens de advocaat blijkt uit de rechtspraak dat geen aanmerkelijke kans op de dood wordt aangenomen in zaken waar de bewoners ten tijde van het schietincident niet thuis dan wel niet in de beschoten ruimte waren.

De rechtbank ziet dat anders en wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1648). Daaruit maakt de rechtbank op dat wel sprake kan zijn van een poging doodslag als een potentieel slachtoffer door louter toeval op het moment van de schietpartij niet in de woning aanwezig was. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Het is immers heel gebruikelijk dat mensen zich op zondagmiddag om 15:50 uur in hun woning bevinden. Dat op het moment van de schietpartij (op één iemand na) niemand aanwezig was in de drie woningen, berust enkel op toeval. Dat blijkt uit de aangiftes van de potentiële slachtoffers: de bewoner van huisnummer [adres 2] had zijn woning slechts 20 minuten voor de schietpartij verlaten, de bewoner van huisnummer [adres 3] had die ochtend spontaan besloten om met zijn ouders naar de dierentuin te gaan en één van de bewoonsters van huisnummer [adres 1] was net een rondje aan het wandelen. Gelet op het tijdstip had dit heel anders kunnen zijn en de toevallige omstandigheid dat de bewoners (grotendeels) afwezig waren staat niet in de weg aan het aannemen van een aanmerkelijke kans. Daar komt nog bij dat één van de bewoners van huisnummer [adres 1] niet mee was gaan wandelen en zich dus wel degelijk in de woning bevond.

Aanvaarding

De vervolgvraag is dan of de verdachte die aanmerkelijke kans op levensgevaar van de bewoners ook bewust heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt dat de schutters (dus de verdachte en zijn medeverdachte) zich er op geen enkele wijze van hebben vergewist of er op het moment van schieten personen in de woning aanwezig waren. Volgens de deskundigen was het vanaf de openbare weg voor de schutters onmogelijk om te zien of er tijdens de schietpartij mensen in de woning aanwezig waren. Gelet op het (zeer) korte tijdsbestek waarbinnen de auto de straat inreed, de schutters uitstapten, op de woningen schoten en weer in de auto stapten, hebben de schutters ook niet op een andere wijze vastgesteld of de bewoners in de woningen aanwezig waren, terwijl zij daar gelet op het tijdstip van de schietpartij wel vanuit moesten gaan.

Het op deze wijze op zondagmiddag schieten op meerdere woningen, zonder zich ervan te vergewissen of er bewoners thuis waren, is, zeker gezien de plaatsen waar de kogels zijn ingeslagen, naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het dodelijk treffen van aanwezigen in die woningen dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van anderen. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat in zoverre.

3.3.2.3 Voorbedachte raad

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig

heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij moet komen vast te staan dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Uit de telefoon van de verdachte volgt dat hij in de ochtend voorafgaand aan de schietpartij al is benaderd voor een klus, en dat hij vanaf dat moment ook wist dat het om een klus met vuurwapens ging. De officier van justitie leidt dit af uit een Snapchat-bericht waarin wordt gesproken over een klus met twee man met die ‘hu hu’ en een ‘driver’. Met een ‘hu hu’ wordt volgens de officier van justitie een vuurwapen bedoeld.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hoewel de verdachte ruim van tevoren wist dat hij iets strafbaars zou gaan doen, raakte hij pas in de omgeving van de woningen op de hoogte van de aanwezigheid van de vuurwapens en dat het bij deze klus ging om het schieten op een woning. De verdachte heeft zich daarom niet gedurende enige tijd kunnen beraden op het te nemen besluit.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en in lijn met het standpunt van de verdediging, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank kan op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid vaststellen op welk moment de verdachte wist dat het de bedoeling was dat hij op een woning zou schieten. De verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] verklaren hier wisselend over. Dat aan de verdachte eerder in de ochtend via Snapchat is doorgegeven dat het ging om een klus met ‘die hu hu’ (vuurwapen), maakt dit niet anders. Uit dit bericht kan hoogstens worden afgeleid dat de verdachte wist dat de klus iets met een vuurwapen te maken had, maar niet dat hij op dat moment ook wist dat hij daarmee op een woning moest schieten. Dit maakt dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden of de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om op de woningen te schieten. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primaire feit (de poging tot moord). Het subsidiaire feit (de poging tot doodslag) is wel wettig en overtuigend bewezen.

3.3.2.4. feit 2: het bezit van de gebruikte vuurwapens en de munitie

Omdat de verdachte een van de schutters van het schietincident is geweest, oordeelt de rechtbank dat ook bewezen kan worden dat de verdachte deze vuurwapens samen met zijn mededaders voorhanden heeft gehad.

3.3.2.5. Feit 3: het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool

De verdachte bekent dat hij feit 3 heeft gepleegd, zoals dat hieronder bewezen wordt verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.

De gebruikte bewijsmiddelen zijn:

  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026;

  • het proces-verbaal forensisch onderzoek, inhoudende het aantreffen van een vuurwapen in de woning van de verdachte;

- het proces-verbaal van categorisering van het in de woning van de verdachte aangetroffen vuurwapen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:


feit 1, subsidiair
op 12 oktober 2025, te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk anderen, te weten de bewoners van de (boven)woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen automatische vuurwapens op voornoemde (boven)woningen hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2
op 12 oktober 2025, te Amsterdam en Utrecht tezamen en in vereniging met anderen

  1. wapens van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
    - een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en
    - een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en

  2. munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39 mm voorhanden heeft gehad;

feit 3
op 12 oktober 2025 te Huizen een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (van origine een alarmpistool, omgebouwd naar scherp schietend), van het merk BBM (Bruni), model 315 Auto, kaliber 8 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezenverklaarde feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair : medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º, meermalen gepleegd

en

feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf en maatregel

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om aansluiting te zoeken bij de straffen, die opgelegd worden in zaken waar het schieten op een woning als bedreiging wordt gekwalificeerd. Het uitgangspunt in die zaken is een gevangenisstraf van 30 tot 36 maanden. De advocaat verzoekt de rechtbank om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en de maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door op een zondagmiddag in een woonwijk met automatische vuurwapens 36 kogels op drie bovenwoningen af te vuren. De bewoners zijn zonder dat duidelijk is geworden waarom slachtoffer geworden van een aanslag op hun thuisomgeving. Er is gespeeld met hun levens. Dat er niemand (zwaar) gewond is geraakt of is komen te overlijden, is niet aan de verdachte te danken. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat deze gebeurtenis hem veel angst en stress heeft bezorgd en nog steeds veel vragen oproept. Het schieten met automatische vuurwapens op woningen roept daarnaast in de gehele samenleving gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw op.

De rechtbank vindt het ernstig en zorgelijk dat de verdachte puur en alleen voor het geld bereid is geweest om dit ernstige strafbare feit te plegen en dat hij niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie die bij het schietincident zijn gebruikt. Ook heeft de verdachte in zijn woning een omgebouwd alarmpistool voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle gevolgen van dien. Deze zaak is daarvan een schokkend voorbeeld. Daarnaast leidt vuurwapenbezit tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Gelet op de toename van vuurwapenbezit en het gevaarzettende karakter daarvan, dient er streng tegen te worden opgetreden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 10 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder voor geweldsfeiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

De reclassering heeft op 1 oktober 2026 een rapportage over de verdachte opgesteld. De reclassering ziet een delictpatroon in het plegen van gekwalificeerde vermogensdelicten en schat het recidiverisico in als hoog. Er is sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Zo had de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vaste dagbesteding en geen stabiel inkomen. Ook was sprake van drugsgebruik en een negatief sociaal netwerk waar het plegen van criminele activiteiten als normaal werd beschouwd.

Opvallend is dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in drie lopende proeftijden liep. Ook liet de verdachte gedurende het toezicht en zijn ambulante behandeling een overwegend passieve houding zien, waardoor meerdere trajecten omtrent huisvesting, dagbesteding en ambulante behandeling (deels) niet van de grond zijn gekomen.

Toch adviseert de reclassering om aan de verdachte (opnieuw) een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij (in het kort) de volgende bijzondere voorwaarden: (1) meldplicht, (2) opname in een zorginstelling, (3) verblijf bij begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (4) contactverbod met medeverdachten, (5) volgen van een opleiding en (6) beschikken over dagbesteding.

De reclassering adviseert de rechtbank daarnaast om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere straf worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank zal, in afwijking van het reclasseringsadvies, geen (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden opleggen, omdat zij daarvoor geen aanleiding ziet. De verdachte liep in drie proeftijden maar dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Als de verdachte op een gegeven moment in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, kan van daaruit gezocht worden naar een kader om het recidiverisico te verminderen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere straf aan de verdachte op te leggen dan aan de medeverdachte [medeverdachte 2] , zoals door de officier van justitie is geëist. Hoewel de rechtbank in strafverminderende zin bij de verdachte heeft meegewogen dat hij (grotendeels) openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen, weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte nog een ander vuurwapen voorhanden heeft gehad, die tijdens de doorzoeking is gevonden in de woning. Dit maakt dat de rechtbank, net als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] , ook aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren oplegt.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal tenuitvoergelegd worden binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel

Gelet op het hoge recidiverisico oordeelt de rechtbank dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Daarom zal de rechtbank, conform het reclasseringsadvies, ambtshalve ook de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de 38z maatregel, nu de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat deze maatregel pas ten uitvoer gelegd kan worden na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie tegen het einde van de straf en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank (artikel 6:6:23a en verder van het Wetboek van Strafvordering).

6 In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:

  • 2 STK Kentekenplaat (3602109);

  • 1 STK Personenauto (3602106);

  • 1 STK Pistool (3602105);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602100);

  • 1 STK Papier (3602103);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602101);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602099);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602102).

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de valse kentekenplaten en het pistool te onttrekken aan het verkeer en de personenauto verbeurd te verklaren. De overige goederen mogen terug naar de verdachte.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de personenauto verbeurd verklaren, omdat met behulp hiervan feit 1 is gepleegd.

Onttrekking aan het verkeer

De valse kentekenplaten en het pistool worden onttrokken aan het verkeer, omdat hiermee feit 1 en feit 3 zijn gepleegd en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Teruggave aan de verdachte

De rechtbank gelast de teruggave van de telefoons en het papier aan de verdachte.

7 Vordering benadeelde partij

7.1.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.418,62, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.418,62 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft op de zitting verzocht om de materiële schadepost toekomstige eigen risicokosten ten bedrage van € 770,00 niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.648,62 aan materiële schade en voor een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade hoofdelijk kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt het toewijsbare bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de materiële schadeposten ‘huurkosten’ en ‘toekomstige eigen risicokosten’. De advocaat voert geen verweer over het overige deel van de vordering tot schadevergoeding.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schade in en aan de woning van de benadeelde partij is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.773,62) daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij, zoals verzocht in de toelichting op de vordering, niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de schadepost ‘toekomstige eigen risicokosten’ (€ 770,00), nu het op dit moment nog onduidelijk is of deze schade, voor zover al toewijsbaar, zich in de toekomst zal verwezenlijken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in de schadepost ‘huurkosten’ (€ 875,00). De benadeelde partij heeft een maand aan huurkosten van zijn woning gevorderd, omdat hij (tijdelijk) niet in zijn woning kon en wilde verblijven. De benadeelde partij heeft daarom bij een vriend en bij zijn moeder verbleven. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had deze huurkosten ook gemaakt als de schietpartij niet had plaatsgevonden en niet is gebleken dat de benadeelde partij extra kosten voor het verblijf bij anderen heeft moeten maken.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft met de verklaringen van een vriend, zijn moeder en zijn werkgever voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de gevolgen van het bewezenverklaarde blijken. Zo volgt uit de verklaringen van een vriend en zijn moeder dat de benadeelde ongeveer een maand niet in zijn woning heeft durven verblijven. Ook blijkt uit de verklaring van de werkgever dat de benadeelde anderhalve maand niet heeft gewerkt. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dus toe tot een bedrag van € 3.773,62 bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.773,62 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 37 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders [medeverdachte 2] (parketnummer: 16/269039-25) en [medeverdachte 1] (parketnummer: 16/268984-25) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of de Staat te betalen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Het hof in Arnhem heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 21/001713-21 op 20 december 2022 een voorwaardelijke jeugddetentie van 43 dagen opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.

De politierechter in Utrecht heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer

16/208898-23 op 20 oktober 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank in Amsterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer

13/174909-23 op 11 oktober 2024 een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.

8.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vorderingen toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen om te zetten in een taakstraf.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden

De rechtbank zal daarom de vorderingen tot tenuitvoerlegging toewijzen en de tenuitvoerlegging gelasten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenisstraffen om te zetten in een taakstraf.

9 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 38z, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1, primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

38z-maatregel

-legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

  • 2 STK Kentekenplaat (3602109) (feit 1);

  • 1 STK Pistool (3602105) (feit 3);

  • verklaart 1 STK Personenauto (3602106) verbeurd (feit 1);

  • gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:

  • 1 STK Papier (3602103);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602100);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602101);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602099);

  • 1 STK Telefoontoestel (3602102);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde [slachtoffer] (feit 1)

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.773,62, bestaande uit € 1.773,62 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.773,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 37 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21/001713-21

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door het hof in Arnhem bij arrest van 20 december 2022 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 43 dagen;

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/208898-23

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in Utrecht bij vonnis van 20 oktober 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand;

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/174909-23

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank in Amsterdam bij vonnis van 11 oktober 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 180 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. G.M.C. Klink en

mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

feit 1
primair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf on opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander of anderen, te weten een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(en) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de riciting van, voornoemde (boven)woning(en) heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van de (boven)woning(n) gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en/of [adres 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een of meer (automatische) vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde (boven)woning(en) te schieten;

feit 2
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Amsterdam en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A. een of meer wapen(s) van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te

weten:

- een pistoolmitrailleur, van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm, zijnde een

vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

- een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39mm,

zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

A. een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39mm voorhanden heeft gehad;

feit 3
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025, te Huizen, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (van origine een alarmpistool, omgebouwd naar scherpschietend), van het merk BBM (Bruni}, model 315 Auto, kaliber 8mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026

Het klopt dat ik op 12 oktober 2025 met een automatisch vuurwapen heb geschoten op de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , en [adres 3] in [woonplaats] . Het was de bedoeling om de woning aan de [adres 3] te raken. Ik heb nooit eerder met een automatische vuurwapen geschoten.

Het klopt dat ik op 12 oktober 2025 in Amsterdam en Utrecht samen met anderen een pistoolmitrailleur van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm, een machinegeweer, van het merk Zastava, model M70-AB2, kaliber 7.62x39mm en 12 (bijbehorende) scherpe patronen, kaliber 7.62x39mm voorhanden heb gehad.

Het proces-verbaal van beschrijving van de camerabeelden van het schietincident, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 12 oktober 2025 is er met automatische vuurwapens geschoten op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] .

Op de beelden zag ik dat het voertuig, waar de verdachten in zaten, om 15:48:25 uur de [straat] te [woonplaats] inreed. Het voertuig betrof een Alfa Romeo. Ik zag dat het voertuig stopte ter hoogte van de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] . Nadat het voertuig stopte, zag ik dat de achterdeuren opengingen. Ik zag dat er één persoon uitstapte bij de linkerachterdeur en dat er één persoon uitstapte bij de rechterachterdeur.

Ik zag dat de persoon die uitstapte bij de linkerachterdeur, uitstapte om 15:48:29 uur. Ik zag dat deze persoon een vuurwapengelijkend voorwerp met twee handen richtte op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Ik zag dat deze persoon vier seconden lang schoten loste op de woningen.

Ik zag dat de persoon die uitstapte bij de rechterachterdeur, uitstapte om 15:48:31 uur. Ik zag dat deze persoon ook een vuurwapengelijkend voorwerp met twee handen richtte op de woningen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Ik zag dat deze persoon vier seconden lang schoten loste op de woningen.

Ik zag dat beide personen om 15:48:38 uur weer ingestapt waren in het voertuig en dat het voertuig daarna direct wegreed.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige nummer [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben getuige van een schietpartij op 12 oktober 2025 in de omgeving van de [straat] / [straat] te [woonplaats] . Ik zag een voertuig. Ik zag naast dit voertuig een persoon staan. Ik zag dat de persoon een voorwerp in zijn handen had wat leek op een pistool. Ik zag dat de persoon richting het voertuig ging. Het voertuig was voorzien van kenteken [kenteken] .

Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bevindingen

De auto stond in een bocht van de [straat] in [woonplaats] . Wij zagen dat het een auto van het merk: "Alfa Romeo" was. Wij zagen dat het kenteken van het voertuig [kenteken] was. In de bagageruimte van het voertuig zagen wij twee op vuurwapen gelijkende voorwerpen liggen.

Ik zag dat van één wapen het patroonmagazijn en de kamer leeg waren. Bij het andere vuurwapen zag ik dat er nog projectielen in het patroonmagazijn zaten en dat er een projectiel in de kamer zat.

Sporendragers

SIN: AARK6633NL
Object: Vuurwapen (Auto. Vuurwapen).

SIN: AARK6634NL
Object: Vuurwapen (Auto. Vuurwapen).

SIN: AARK6635NL
Object: 12 stuks munitie (Kogelpatroon)
Bijzonderheden: Uit kamer en patroonmagazijn aart6634nl (de rechtbank begrijpt: AARK6634NL).

Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict [straat] [woonplaats] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Openbare weg

We zagen dat er in totaal 36 hulzen op de straat lagen waarvan er 15 flessenhals munitie hulzen en 21 9mm munitie hulzen lagen. We zagen ook dat de flessenhals munitie voornamelijk aan de westelijke zijde van de straat lagen en de 9mm hulzen meer aan de oostelijke zijde.

We zagen dat er inslagen zichtbaar waren in de ruit en de gevelplaten van tenminste drie woningen. In de ruit van de woning met huisnummer [adres 2] zagen we 10 inslagen. In de ruit van de woning van huisnummer [adres 3] zagen we ook 10 inslagen. In de geveldelen om de ruiten van de woningen [adres 2] en [adres 3] heen zagen we 14 inslagen. In de woning met huisnummer [adres 1] zagen we in de ruit op de tweede etage twee inslagen.

Onderzoek woning [adres 1]

We zagen aan het raam in de slaapkamer twee beschadigingen in de ruit en het rolgordijn voor deze ruit. We zagen ook, in lijn met de beschadiging in de ruit, dat er een beschadiging in het plafond van de slaapkamer zichtbaar was. We zagen en voelden dat er vermoedelijk een deel van een projectiel het plafond in geschoten was. Daarnaast zagen we dat er ook een deel van een projectiel in een boekenkast lag.

Onderzoek woning [adres 2]

We zagen dat er, in lijn met de beschadigingen in de ruit, diverse beschadigingen zichtbaar waren in het plafond van de woonkamer. We zagen dat dit meer beschadigingen waren dan dat er gaten in de ruit zaten en dat deze beschadigingen het resultaat waren van scherfwerking door stuk geslagen munitiedelen. We zagen dat er in de muur, tegenover de ruit met de gaten, inslagen van scherfwerking en munitiedelen zichtbaar waren. We zagen ook dat er door de hele woonkamer scherpe glasdeeltjes over de vloer lagen welke vermoedelijk als gevolg van de schotbeschadigingen met hoge snelheid door de woonkamer gevlogen hebben tijdens het incident. Gelet op de beschadigingen en de impact van deze scherven op het plafond en de muur, kon door ons worden gesteld dat er een gevaar voor personen te duchten was als ze zich in deze ruimte bevonden tijdens het incident. We zagen ook dat één munitiedeel door de muur van de slaapkamer gepenetreerd is en daar een beschadiging in het plafond heeft veroorzaakt. We zagen dat de projectielen de ruit van de woonkamer penetreerde over de gehele hoogte van de ruit tot vlak boven de vensterbank. We zagen ook in de keuken dat er een beschadiging in de ruit zichtbaar was. In zowel de woonkamer als de keuken en de slaapkamer, zagen we diverse (versplinterde) munitiedelen liggen.

Onderzoek woning [adres 3]

We zagen dat de meeste inslagen zich aan de linkerzijde van de woonkamer bevonden. We zagen dat er in het plafond en de muur, gesitueerd tegenover de ruit met inslagen, op meerdere plaatsen beschadigingen te zien waren van gefragmenteerde munitiedelen. We zagen dat er diverse inslagen in de ruit van de woonkamer in lijn lagen met de bank in de woonkamer. We zagen daarbij, gelet op de hoogte van deze inslagen, dat het zeer aannemelijk was dat een aantal van deze projectielen een persoon welke op de bank zou zitten, geraakt konden hebben. We zagen ook dat er door de hele woonkamer scherpe glasdeeltjes over de vloer lagen welke vermoedelijk als gevolg van de schotbeschadigingen met hoge snelheid door de woonkamer gevlogen hebben tijdens het incident. Tot slot zagen we ook hier dat er beschadigingen zichtbaar waren in de ruit over de gehele hoogte tot vlak boven de vensterbank. Gelet op de locatie van de beschadigingen in de ruit en de impact van de beschadigingen door gefragmenteerde munitiedelen op het plafond en de muur als mede ook de scherpe glasdeeltjes door de gehele woonkamer, kon door ons worden gesteld dat er een gevaar voor personen te duchten was als die zich in de woonkamer hadden begeven tijdens het incident.

Interpretatie van de bevindingen

De woning aan de [adres 1] werd door tenminste twee projectielen geraakt. Gelet op de impact van het projectiel op het plafond kon worden gesteld dat tenminste één projectiel bij het penetreren van de ruit nog genoeg kinetische energie had om letsel te veroorzaken.

In de woningen met huisnummers [adres 2] en [adres 3] was substantieel meer schade. Over de vloer lagen in beide woningen, behalve munitiedelen, veel scherpe glasdeeltjes. Deze glasdeeltjes hebben vermoedelijk met hoge snelheid door de ruimte gevlogen. Daarnaast waren veel beschadigingen zichtbaar in de plafonds en de muren tegenover de beschadigde ruit. Daaruit was op te maken dat er gefragmenteerde munitiedelen met zeer hoge snelheid door de kamer gevlogen hebben. Tot slot waren de beschadigingen in de ruit zichtbaar over de gehele hoogte van de ruiten tot vlak boven de vensterbank. Daardoor kon worden gesteld dat het aannemelijk was dat personen welke zich in deze ruimtes begaven, geraakt konden worden als gevolg van het incident. In beide woningen betrof dit onder andere de woonkamer, een ruimte waarvan het, gelet op het tijdstip van het incident rond 15:50 uur, zeer aannemelijk is dat aanwezige bewoners zich bevinden.

Omdat de woningen zich aan de eerste en de tweede etage van het pand bevonden was het vanaf de openbare weg voor de schutters onmogelijk om te zien of er mensen thuis waren tijdens het schieten. Al met al werd er door ons gesteld dat er een reëel levensgevaar voor personen te duchten was als gevolg van het incident.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Kan jij mij in het kort vertellen wat er is gebeurd op 12 oktober 2025?
A: Ik ging rond 15:30 uur van huis vandaan.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Kan jij mij in het kort vertellen wat er is gebeurd op 12 oktober 2025?

A: Mijn ouders hadden mij ‘s ochtends een berichtje gestuurd. Mijn ouders wilde graag dat wij mee gingen naar een dierentuin. Rond kwart over 9 in de ochtend ben ik van huis weg gegaan.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 oktober 2025 spraken wij de bewoonster [getuige 2] van de [adres 1] te [woonplaats] . Zij verklaarde het volgende. Mijn dochter lag te slapen tijdens de beschieting. Ik was een stukje wandelen toen zij belde dat zij allemaal politie buiten zag staan. Zij dacht dat het vuurwerk was.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 oktober 2025 kreeg ik de opdracht om de woning aan de [adres 1] te schonen. Ik zag enkele momenten later dat er beweging was achter de deur van de [adres 1] . Ik zag dat hier een persoon was welke de deur opende. Ik zag dat de persoon welke aanwezig was in de woning aan de [adres 1] was [B] .

Een proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik en twee andere mannen zaten in een auto. Ik werd gevraagd om te rijden. Ik kreeg te horen dat ik één keer snel langs moest rijden. Toen moest ik terugkeren naar de hoek. Toen ik was gekeerd, moest ik weer naar die kapperszaak. Toen stapten ze uit en begonnen ze te schieten.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , inhoudende de categorisering van de wapens en de munitie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN: AARK6634NL
Wapen: vuurwapen, machinegeweer.

Categorie: II sub 2.

Bovenvermeld voorwerp is van het merk Zastava model M70-AB2, kaliber 7.62 x 39mm. Tijdens de proefschoten bleek dit vuurwapen geschikt te zijn om zowel semi- als volautomatisch te kunnen vuren.

SIN: AARK6633NL
Wapen: vuurwapen, pistoolmitrailleur

Categorie: II sub 2.

Bovenvermeld voorwerp is van het merk Steyr, model MP40, kaliber 9x19mm. Tijdens de proefschoten bleek dit vuurwapen geschikt te zijn om volautomatisch te kunnen vuren.

SIN: AARK6635NL

Munitie: 12 scherpe kogelpatronen

Categorie: III.

Bovengenoemde scherpe kogelpatronen zijn van het kaliber 7.62 x 39mm.

Pagina 86 en 87 (B). Pagina 167 (B). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025348161 van: - 10 april 2026, doorgenummerd pagina 1 tot en met 454, hierna aangehaald met de toevoeging (A), - het forensisch dossier van 12 april 2026, doorgenummerd pagina 1 tot en met 30, hierna aangehaald met de toevoeging (B); - het verhoor van de medeverdachte [verdachte] van 19 augustus 2026, pagina 1 tot en met 6. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 16 (A). Pagina 17 (A). Pagina 18 (A). Pagina 244 (A). Pagina 245 (A). Pagina 51 (B). Pagina 15 (B). Pagina 16 (B). Pagina 17 (B). Pagina 18 (B). Pagina 42 (A). Pagina 242 (A). Pagina 39 (A). Pagina 25 (A). Pagina 319 (A). Pagina 320 (A). Pagina 165 (B). Pagina 166 (B). Pagina 168 (B).