Arbeidsrecht
achterstallig loon ogv rechtsvermoeden art 7:610b BW, rechter bepaalt andere referteperiode dan door…
Rechtbank Noord-Holland, 15 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:12246 · Rechtbank Noord-Holland · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/arbeidsrecht/beschikking/ecli-nl-rbnho-2026-12246
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- K/4102/12265831
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:12246
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
achterstallig loon ogv rechtsvermoeden art 7:610b BW, rechter bepaalt andere referteperiode dan door werknemer gehanteerde referteperiode. Aanzeg- en transitievergoeding verschuldigd omdat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgever niet is verlengd en niet tijdig is aangezegd. Geen sprake van opzegging door werknemer. Geen sprake van onverschuldigd betaald loon. Werknemer had tijdens ziekte recht op loon.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12265831 \ AO VERZ 26-73
Beschikking van 15 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [plaats],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. P.M.A.F. Peutz,
tegen
BEVEILIGINGSUITZENDBUREAU B.V.,
te Amsterdam,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: BUB,
vertegenwoordigd door D. Leroy.
De zaak in het kort
Het verzoek tot betaling van achterstallig loon gebaseerd op het rechtsvermoeden (artikel 7:610b BW) wordt toegewezen. Werknemer heeft gedurende het dienstverband structureel meer uren gewerkt dan de overeengekomen omvang. De kantonrechter hanteert daarbij wel een andere referteperiode, omdat de door werknemer gehanteerde referteperiode niet representatief is. Het verzoek tot betaling van een aanzeg- en transitievergoeding wordt toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgever niet is verlengd. Van een (duidelijke en ondubbelzinnige) opzegging door werknemer is niet gebleken. Het tegenverzoek van werkgever tot terugbetaling van onverschuldigd betaald loon wordt afgewezen, omdat werknemer over de betreffende periode recht had op loondoorbetaling tijdens ziekte.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties
- het verweerschrift, met een zelfstandig tegenverzoek met producties
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 Feiten
Op 7 april 2025 is [verzoeker] bij BUB in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden zonder een vaste urenomvang tegen een bruto uurloon van € 16,63 bruto exclusief emolumenten.
In de arbeidsovereenkomst staat dat [verzoeker] via BUB een BBL-traject voor de opleiding MBO Beveiliging niveau 2 volgt.
Gedurende het dienstverband heeft [verzoeker] beveiligingswerkzaamheden op Schiphol verricht ten behoeve van I-SEC. De planning en inroostering van de werkzaamheden werd in opdracht van BUB verzorgd door extern bedrijf AFS.
Op 19 maart 2026 heeft [verzoeker] de volgende WhatsAppconversatie gevoerd met [betrokkene 1] (People Leader) van I-SEC:
[19-03-2026, 08:23:02] [verzoeker] [[verzoeker], toevoeging ktr]: ‘Ik weet niet of jij mij misschien kan helpen ermee of dat ik zelf nog een keer achter mn uitzendbureau moet aan gaan. Ik ga de komende periode niet meer naar werk kunnen komen door mn zwangerschap (…) ik ga binnenkort ook op afspraak bij de pop poli int ziekenhuis en be gewoon niet in staat om te werken. Wat kunnen we doen/kan ik doen?’
[19-03-2026, 10:01:01] [betrokkene 1] [[betrokkene 1], toevoeging ktr]: ‘(…) Ik zal de no-shows verwijderen.’
[19-03-2026, 10:03:22] [betrokkene 1]: ‘Als je door je zwangerschap niet meer kunt werken zul je je moeten ziekmelden.’
(…)
[19-03-2026, 12:54:47] [verzoeker]: ‘Aan AFS is het doorgegeven dat ik zwanger ben. Met BUB heb ik net gebeld en het verteld. (…) Maar iedereen weet het nu en sta overal ziekgemeld als t goed is nu!’
Op 2 april 2026 heeft [verzoeker] de volgende WhatsAppconversatie gevoerd met [betrokkene 2] (directeur/bestuurder) van BUB:
[02-04-2026, 12:15:49] [verzoeker]: ‘(…) Jij vertelde mij gisteren dat de ziekmeldingen van mijn ingeplande diensten niet bij jullie binnenkomen. Dit betekent dat diensten waarvoor ik stond ingepland en mij correct heb ziekgemeld, nu mogelijk niet worden meegenomen in mijn uitbetaling (…). Dit is niet mijn fout, aangezien ik mij via de juiste weg heb ziekgemeld. Daarnaast zijn deze ziekmeldingen gewoon terug te vinden in de systemen van I-SEC, dus dit kan ook vanuit jullie kant worden gecontroleerd en achterhaald. Ik verwacht daarom dat alle ingeplande uren waarvoor ik ziekgemeld was, gewoon worden uitbetaald. Het kan niet zo zijn dat dit bij mij wordt neergelegd , terwijl dit een interne afstemming is tussen jullie, AFS en I-SEC. (…).
Daarnaast wil ik aangeven dat mij eerder is geadviseerd door iemand van personeelszaken om een WW-uitkering aan te vragen en zelf ontslag te nemen. Dit is niet passend in mijn situatie, aangezien ik ziekgemeld ben (…)’.
Op 3 april 2026 heeft BUB de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 5 april 2026 schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd.
Op 22 april 2026 heeft [verzoeker] BUB gevraagd om de transitievergoeding en de aanzegvergoeding te betalen.
Op 27 mei 2026 heeft een gemachtigde namens [verzoeker] BUB gesommeerd de transitie- en aanzegvergoeding en achterstallig loon te betalen.
BUB heeft hieraan geen gehoor gegeven.
3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, BUB te veroordelen tot betaling van:
I) het achterstallige brutoloon van € 11.384,72 bruto over de periode augustus 2025 tot en met april 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
II) de gefixeerde schadevergoeding van € 2.061,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III) de transitievergoeding van € 732,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente
IV) de proceskosten van [verzoeker].
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] is gedurende de arbeidsovereenkomst steeds minder ingeroosterd, terwijl haar opgegeven beschikbaarheid gelijk bleef. Zij vordert daarom op grond van artikel 7:610b BW achterstallig loon gebaseerd op het gemiddeld aantal gewerkte uren in de eerste drie maanden van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft [verzoeker] recht op een aanzeg- en transitievergoeding. BUB heeft namelijk te laat aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zal worden.
BUB verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Een aanzeg- en transitievergoeding zijn niet verschuldigd, omdat de arbeidsovereenkomst door opzegging door [verzoeker] is geëindigd. Er is ook geen achterstallig loon verschuldigd, omdat het rechtsvermoeden niet van toepassing is. Ook varieerde de arbeidsomvang vanwege het oproepkarakter van de arbeidsovereenkomst sterk.
Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzoekt BUB de kantonrechter om [verzoeker] te veroordelen om € 2.175,87 aan uitbetaald loon aan haar terug te betalen. Dit loon is volgens BUB onverschuldigd betaald voor diensten die [verzoeker] niet heeft gewerkt en waarvoor [verzoeker] geen geldige ziekmelding heeft gedaan.
4 De beoordeling van het verzoek
De vraag die partijen verdeeld houdt is of BUB aan [verzoeker] achterstallig loon, een aanzeg- en een transitievergoeding moet betalen.
De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Achterstallig loon
[verzoeker] vordert achterstallig loon over de periode augustus 2025 tot en met 5 april 2026, omdat zij gedurende haar dienstverband steeds minder werd ingeroosterd, ondanks dat de door haar opgegeven beschikbaarheid gelijk bleef. [verzoeker] doet daarom een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW gelet op de gewerkte uren in de eerste drie maanden van de arbeidsovereenkomst.
BUB stelt zich op het standpunt dat het rechtsvermoeden niet van toepassing is. Volgens BUB ontstaat het rechtsvermoeden uitsluitend indien de werknemer gedurende 13 aaneengesloten weken in een regelmatig en structureel arbeidspatroon meer uren heeft gewerkt dan de contractuele arbeidsduur, waarbij de loonperioden 7, 8, 9 en 13 op grond van artikel 13 lid 6 van de cao particuliere bedrijfsbeveiliging (hierna: de cao) niet meetellen. In het geval van [verzoeker] is hieraan niet voldaan. Gedurende het dienstverband zijn er 16 werken geweest zonder geregistreerde uren. Bovendien varieerde de arbeidsomvang sterk per loonperiode, hetgeen het oproepkarakter van de arbeidsovereenkomst bevestigt en een regelmatig en structureel arbeidspatroon als bedoeld in artikel 7:610b BW uitsluit, aldus nog steeds BUB.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 7:610b BW staat dat, wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden (de ‘referteperiode’). Het artikel is van dwingend recht, wat inhoudt dat er (ook bij cao) niet ten nadele van de werknemer van mag worden afgeweken.
Het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW is van toepassing in situaties waarin (i) de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen, of (ii) de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur. Die laatste situatie is hier aan de orde. Uit de verstrekte urenoverzichten volgt namelijk dat [verzoeker] gedurende haar dienstverband elke maand - dus structureel - (veel) méér uren heeft gewerkt dan de overeengekomen nul uur.
De kantonrechter verwerpt het verweer van BUB dat het rechtsvermoeden uitsluitend ontstaat indien de werknemer gedurende 13 aaneengesloten weken in een regelmatig en structureel arbeidspatroon meer uren heeft gewerkt dan de contractuele arbeidsduur (waarbij bepaalde loonperiodes conform artikel 13 lid 6 van de cao niet meetellen). De wet stelt die (aanvullende) voorwaarde namelijk niet voor toepassing van het rechtsvermoeden. Voor zover het door BUB genoemde cao-artikel beoogt af te wijken van het wettelijk rechtsvermoeden, is die afwijking niet geldig (zie 4.5 hiervoor). Overigens is de kantonrechter van oordeel dat, ook wanneer de in de cao genoemde loonperiodes buiten beschouwing blijven, [verzoeker] in tenminste drie maanden structureel méér uren heeft gewerkt dan overeengekomen. [verzoeker] doet daarom terecht een beroep op het rechtsvermoeden. Dat de arbeidsomvang vanwege het oproepkarakter van de overeenkomst per loonperiode (sterk) fluctueerde, zoals BUB heeft aangevoerd, doet hier niet aan af.
De vervolgvraag is welke referteperiode moet worden gehanteerd voor de vaststelling van de arbeidsomvang ex artikel 7:610b BW. De door [verzoeker] gehanteerde referentieperiode van april, mei en juni 2025 vindt de kantonrechter niet representatief. [verzoeker] heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij in die periode veel meer uren heeft gewerkt vanwege de door haar gevolgde BBL-opleiding en de drukke zomervakantieperiode. Van belang in dat verband is dat BUB onweersproken heeft toegelicht dat de uren die [verzoeker] de eerste drie maanden van haar dienstverband ten behoeve van haar opleiding heeft besteed aan lessen, trainingen en inwerken ook als arbeidsuren zijn geregistreerd en betaald. Het gemiddelde van de daaropvolgende drie maanden (juli, augustus en september) levert evenmin een representatief beeld op, omdat die periode (grotendeels) in de drukkere zomervakantieperiode valt.
Tot slot acht de kantonrechter het ook niet redelijk om de gemiddelde arbeidsomvang te baseren op alleen de laatste zes maanden van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] is in die periode namelijk aanzienlijk minder ingeroosterd dan in de zes maanden daarvoor. BUB heeft ter zitting verklaard dat er in die periode wél voldoende werk beschikbaar was om [verzoeker] meer uren in te zetten, maar dat zij niet op meer uren is ingeroosterd doordat zij zich onvoldoende beschikbaar hield. Dat laatste is door [verzoeker] gemotiveerd betwist. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij haar beschikbaarheid via een app bij AFS moest opgeven, dat zij haar beschikbaarheid altijd zo ruim mogelijk invulde (hele werkdagen, avonduren en weekenden) en dat zij bij BUB heeft aangekaart dat zij te weinig uren werd ingeroosterd. Dit alles is door BUB niet gemotiveerd weersproken. BUB heeft aangegeven dat werknemers bij klachten over de inroostering altijd worden doorgestuurd naar AFS. Het had op de weg van BUB gelegen om inzicht in het systeem van AFS (en de door [verzoeker] opgegeven beschikbaarheid) te verschaffen, aangezien deze partij door BUB is ingeschakeld om namens haar de planning/inroostering te verzorgen. Nu BUB dit niet heeft gedaan, wordt de stelling van BUB dat [verzoeker] minder is ingeroosterd doordat zij zich voor minder uren beschikbaar is gaan houden, als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
De kantonrechter ziet in voornoemde bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding om bij het bepalen van de gemiddelde arbeidsomvang uit te gaan van het gemiddeld aantal uren dat tijdens het hele dienstverband is gewerkt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de gemiddelde arbeidsomvang de in artikel 13 lid 6 van de cao genoemde loonperiodes buiten beschouwing te laten. BUB heeft desgevraagd namelijk niet kunnen toelichten waarom (juist) die periodes relevant zijn voor het bepalen van de referteperiode zoals bedoeld in artikel 7:610b BW.
Uitgaande van het door BUB verstrekte urenoverzicht per loonperiode (productie 3), waarvan de juistheid niet is betwist door [verzoeker], komt het gemiddeld aantal uren per loonperiode uit op 49,33 uren. Voor zover [verzoeker] minder uren dan dit gemiddeld aantal uren heeft gewerkt (en uitbetaald gekregen), maakt zij aanspraak op loon over het verschil. [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:628 BW recht op loon over deze niet-gewerkte uren, omdat (zoals hiervoor onder 4.8 is overwogen) onvoldoende is gebleken dat de omstandigheid dat [verzoeker] (steeds) minder uren werd ingeroosterd is gelegen in een verminderde beschikbaarheid van [verzoeker].
Voor zover het feitelijk gewerkte (en uitbetaalde) aantal uren per loonperiode in de periode van augustus tot 5 april 2026 lager was dan 49,33 uur, zal BUB worden veroordeeld om het verschil in uren aan [verzoeker] na te betalen op basis van het overeengekomen bruto uurloon van € 16,63, te vermeerderen met emolumenten zoals vakantietoeslag en overige toeslagen. De kantonrechter wijst erop dat de berekeningsmethodiek die verzoekster in productie 10 heeft gehanteerd, (dus) niet juist is. Over de loonperiodes waarin minder dan 49,33 uur is uitbetaald, dient een nabetaling plaats te vinden. Dit betreft loonperiodes 5, 7, 9, 10, 11, 12 en 13 zoals weergegeven in productie 3 van BUB. Over die loonperiodes moet het uurloon inclusief toeslagen worden berekend aan de hand van het gemiddelde uurloon inclusief toeslagen over het totaal van alle gedurende het dienstverband gewerkte uren.
BUB moet over dit achterstallig loon wettelijke verhoging betalen, die de kantonrechter gelet op alle omstandigheden van het geval matigt tot 15%. Daarnaast dient BUB wettelijke rente te betalen vanaf het moment van opeisbaarheid. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is verschuldigd vanaf de datum van deze beschikking.
BUB moet een aanzegvergoeding betalen
Volgens artikel 7:668 lid 1 BW informeert de werkgever de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt over het al dan niet voorzetten ervan. Indien de werkgever deze verplichting niet nakomt is hij volgens artikel 7:668 lid 3 BW een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over een maand. Indien de werkgever de verplichting niet tijdig nakomt, is hij een vergoeding naar rato verschuldigd.
Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met (na stilzwijgende verlenging) een looptijd tot 7 april 2026. Dat betekent dat BUB [verzoeker] uiterlijk op 6 maart 2026 schriftelijk had moeten informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Het staat vast dat BUB dat heeft nagelaten, waardoor zij de aanzegvergoeding verschuldigd is.
BUB heeft aangevoerd dat geen aanzegvergoeding verschuldigd is, omdat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst op 19 maart 2026 heeft opgezegd in een telefoongesprek met een HR-medewerker diezelfde dag. [verzoeker] heeft betwist dat zij haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
De kantonrechter stelt voorop dat een werkgever niet te snel mag aannemen dat de werknemer zelf ontslag neemt, gezien de ernstige gevolgen die een dergelijke vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer als regel heeft. Een werkgever kan zijn werknemer alleen dan aan een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst houden, als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder omstandigheden kan de werkgever ook een onderzoeksplicht hebben om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen, en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
In dit geval is niet gebleken van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoeker] gericht op de beëindiging van haar dienstverband. Dat volgt ook niet uit de door BUB overgelegde (maar niet ondertekende) samenvatting van het telefoongesprek van 19 maart 2026. Daaruit kan weliswaar worden opgemaakt dat [verzoeker] vanwege complicaties tijdens haar zwangerschap problemen ervoer met het voortzetten van haar werkzaamheden en dat zij daarom wilde stoppen met werken. Maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat zij (ook) haar arbeidsovereenkomst wilde beëindigen.
Dat [verzoeker] niet de wil had haar arbeidsovereenkomst te beëindigen, volgt ook uit de door haar overgelegde WhatsAppberichten van 2 april 2026 aan [betrokkene 2] van BUB (2.5)) en uit het feit dat zij, blijkens de door BUB overgelegde samenvatting van het telefoongesprek met HR op 19 maart 2026, geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de HR-medewerker om een ontslagbrief in te leveren.
Nu de arbeidsovereenkomst niet door opzegging door [verzoeker] is geëindigd, is BUB een aanzegvergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is gelijk aan het loon over de periode van 6 maart 2026 tot en met 3 april 2026 en moet worden berekend op basis van het bepaalde in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding en de Regeling looncomponenten en arbeidsduur.
De wettelijke rente over de aanzegtermijn is verschuldigd vanaf 7 april 2026, zijnde een maand na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan.
BUB moet een transitievergoeding betalen
Het verzoek tot betaling van de transitievergoeding wordt ook toegewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is van een ontslagname door [verzoeker] geen sprake geweest. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege per 5 april 2026 op initiatief van BUB niet (aansluitend) is voortgezet.
BUB zal worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding op basis van een arbeidsomvang van 49,33 uur per loonperiode tegen het overeengekomen bruto uurloon van € 16,63, vermeerderd met de emolumenten die op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding en Regeling looncomponenten en arbeidsduur in aanmerking moeten worden genomen.
De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt, zoals gevorderd, toegewezen vanaf 7 mei 2026.
5 De beoordeling van het tegenverzoek
Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzoekt BUB de kantonrechter om [verzoeker] te veroordelen om € 2.175,87 aan uitbetaald loon aan haar terug te betalen. Dit loon is volgens BUB onverschuldigd betaald voor diensten die [verzoeker] niet heeft gewerkt en waarvoor [verzoeker] geen geldige ziekmelding heeft gedaan en voor een no-show door toedoen van [verzoeker] op 13 maart 2026.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat een werknemer die als gevolg van ziekte niet kan werken, op grond van artikel 7:629 BW recht heeft op loon. BUB betwist niet dat [verzoeker] de periode waarover het loon wordt teruggevorderd door (zwangerschap gerelateerde) ziekte niet in staat was om te werken. Daarmee staat het recht op loon over die periode vast. De stelling van BUB dat [verzoeker] zich niet correct heeft ziekgemeld doet hieraan niet af. Overigens is niet komen vast te staan dat [verzoeker] zich niet correct (want niet bij BUB) heeft ziekgemeld. [verzoeker] heeft gesteld dat zij zich steeds, zoals in de praktijk gebruikelijk was, in elk geval bij I-SEC en/of AFS ziek meldde, en BUB heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat dit de staande praktijk was.
Voor de ziektedagen vanaf 19 maart 2026 blijkt bovendien uit de gedingstukken dat [verzoeker] zich wel degelijk (ook) bij BUB heeft ziekgemeld (zie de WhatsAppberichten van 2 april 2026 die zijn weergegeven in 2.5 en de door BUB overgelegde samenvatting van het gesprek tussen [verzoeker] en HR van 19 maart 2026).
Voor wat betreft de no-show van 13 maart 2026 heeft [verzoeker] gewezen op de WhatsAppconversatie met haar leidinggevende van I-SEC op 19 maart 2026 (2.4). Daaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] op 13 maart 2026 al ziek was, maar op no-show stond omdat haar eerdere ziekmelding niet goed was gegaan. Deze uitleg is door de leidinggevende geaccepteerd waarna de no-show is verwijderd.
De conclusie is dat [verzoeker] over genoemde periodes recht had op loon, waardoor er niet onverschuldigd is betaald. Het verzoek van BUB wordt daarom afgewezen.
Proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek
De proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek komen voor rekening van BUB, omdat zij (grotendeels) in het ongelijk is gesteld.
De proceskosten in het verzoek worden begroot op € 956,- (€ 93,- aan griffiegeld en € 865,- aan salaris gemachtigde). De proceskosten in het tegenverzoek worden begroot op
€ 577,- aan salaris gemachtigde.
6 De beslissing
De kantonrechter
In het verzoek
veroordeelt BUB tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallig loon over de periode augustus 2025 tot en met april 2026 en berekend conform het bepaalde in 4.11, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van algehele betaling;
veroordeelt BUB tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over de (onder 6.1 hiervoor bedoelde) wettelijke verhoging vanaf 15 september 2026 tot de dag van algehele betaling;
veroordeelt BUB tot betaling aan [verzoeker] van de aanzegvergoeding berekend conform het bepaalde in 4.18, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2026 tot de dag van algehele betaling;
veroordeelt BUB tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding berekend conform het bepaalde in 4.21, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 mei 2026 tot de dag van algehele betaling;
veroordeelt BUB in de proceskosten die aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 956,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek af;
veroordeelt BUB in de proceskosten, die aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 577,-.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.