Strafrecht overig
Veroordeling wegens het doen van een valse bommelding, lokaalvredebreuk en stalking.
Rechtbank Noord-Holland, 20 april 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:3244 · Rechtbank Noord-Holland · 20 april 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2017-3244
Zaakgegevens
Op 20 april 2017 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 april 2017
- Datum publicatie
- 20 april 2017
- Zaaknummer
- 800133-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2017:3244
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling wegens het doen van een valse bommelding, lokaalvredebreuk en stalking.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/800133-16 en 15/255209-15 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 20 april 2017
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 april 2017 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren [in 1987],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres […].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.E. van der Plas en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
Primair
hij op of omstreeks 28 maart 2016 in de gemeente Heerhugowaard gegevens heeft doorgegeven, met het oogmerk (een) ander(en) ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was, waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, immers heeft hij, verdachte, tegen een medewerker van bioscoop Vue te Heerhugowaard gezegd dat hij, verdachte, van de antiterreureenheid was en dat een ontruiming van de bioscoop noodzakelijk was in verband met terreurdreiging, vervolgens heeft hij, verdachte in de bioscoopzaal tegen bezoekers gezegd dat de zaal gecontroleerd moest worden op verdachte pakketjes, en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte, tegen de inmiddels gearriveerde politie gezegd dat hij, verdachte, van de AIVD is en dat er
slechte mensen in de bioscoop zitten en dat de kans op een terroristische aanslag heel groot is;
Subsidiair
hij op of omstreeks 28 maart 2016 in de gemeente Heerhugowaard de bezoekers en/of medewerkers van de bioscoop Vue heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, althans met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen een medewerker van bioscoop Vue te Heerhugowaard gezegd dat hij, verdachte, van de antiterreureenheid was en dat een ontruiming van de bioscoop noodzakelijk was in verband met terreurdreiging, vervolgens heeft hij, verdachte in de bioscoopzaal tegen bezoekers gezegd dat de zaal gecontroleerd
moest worden op verdachte pakketjes, en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte, tegen de inmiddels gearriveerde politie gezegd dat hij, verdachte, van de AIVD is en dat er slechte mensen in de bioscoop zitten en dat de kans op een terroristische aanslag heel groot is;
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Alkmaar in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen aan de [xx] en in gebruik bij Medisch Centrum Alkmaar, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
Feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 12 juni 2015 tot en met 6 augustus 2015 te Naaldwijk, gemeente Westland en/of in de gemeente Heerhugowaard, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [aangeefster], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door die [aangeefster] meerdere malen per dag te bellen en /of via Whatsapp berichten te sturen met daarin teksten als:
"Onterecht met de verkeerde gesold. Ik zal een vordering benadeelde partij indienen" en/of "We zijn uit elkaar door broerlief. Ik wil dat deze man voor de tuchtcommissie komt en uiteindelijk uit zijn ambt wordt gezet" en/of
"Ik ben tot een hoop bereid als mij onrecht wordt aangedaan" en/of
"Als jij hier zo of morgen op wil reageren je leest wel alles maar negeert me compleet dat is toch heel raar na bijna 5 maanden het bed gedeeld te hebben".
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Redengevende feiten en omstandigheden
[De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3 op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte gedaan op de zitting van 6 april 2017.]
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
Primair
hij op 28 maart 2016 in de gemeente Heerhugowaard gegevens heeft doorgegeven, met het oogmerk anderen ten onrechte te doen geloven dat op een voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was, waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, immers heeft hij, verdachte, tegen een medewerker van bioscoop Vue te Heerhugowaard gezegd dat hij, verdachte, van de antiterreureenheid was en dat een ontruiming van de bioscoop noodzakelijk was in verband met terreurdreiging, vervolgens heeft hij, verdachte, in de bioscoopzaal tegen bezoekers gezegd dat de zaal gecontroleerd moest worden op verdachte pakketjes, en vervolgens heeft hij, verdachte, tegen de inmiddels gearriveerde politie gezegd dat hij, verdachte, van de AIVD is en dat er slechte mensen in de bioscoop zitten en dat de kans op een terroristische aanslag heel groot is;
Feit 2:
hij op 15 maart 2016 te Alkmaar in een besloten lokaal gelegen aan de [xx] en in gebruik bij Medisch Centrum Alkmaar wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
Feit 3:
hij in de periode van 12 juni 2015 tot en met 6 augustus 2015 te Naaldwijk, gemeente Westland, en in de gemeente Heerhugowaard wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster], met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te dulden, door die [aangeefster] meerdere malen per dag te bellen en WhatsApp berichten te sturen met daarin teksten als:
"Onterecht met de verkeerde gesold. Ik zal een vordering benadeelde partij indienen" en
"We zijn uit elkaar door broerlief. Ik wil dat deze man voor de tuchtcommissie komt en uiteindelijk uit zijn ambt wordt gezet" en
"Ik ben tot een hoop bereid als mij onrecht wordt aangedaan" en
"Als jij hier zo of morgen op wil reageren je leest wel alles maar negeert me compleet dat is toch heel raar na bijna 5 maanden het bed gedeeld te hebben".
Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair:
gegevens doorgeven met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijk plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.
Feit 2:
in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.
Feit 3:
belaging.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
6 Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vier jaren, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf vordert de officier van justitie als bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een behandelverplichting bij zowel het Forensisch ACT-team als eventueel ook de Brijder Verslavingszorg en een locatiegebod in die zin dat verdachte, vanwege de meldplicht en de behandelverplichtingen, in Zaandam moet verblijven in plaats van bij zijn vriendin in Flevoland.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de raadsman verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan volgens de raadsman een voorwaardelijke gevangenisstraf of een (deels) voorwaardelijke taakstraf worden opgelegd met bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft verzocht aan het voorwaardelijk strafdeel geen locatiegebod te verbinden. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de bijzondere voorwaarde van een eventuele behandelverplichting bij de Brijder besloten ligt in de bijzondere voorwaarden van (kort gezegd) reclasseringstoezicht en de behandelverplichting bij het Forensisch ACT-team.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich op 28 maart 2016 in een bioscoop in Heerhugowaard voorgedaan als een medewerker van de AIVD dan wel een antiterreureenheid. Hij heeft tegen een medewerker van de bioscoop gezegd dat ontruiming van de bioscoop noodzakelijk was in verband met terreurdreiging. Verder heeft hij tegen in een bioscoopzaal aanwezige bezoekers gezegd dat de zaal gecontroleerd moest worden op verdachte pakketjes. De rechtbank acht dit een ernstig feit en rekent verdachte dit ook zwaar aan. Het doen van dit soort valse meldingen leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid en kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting, zeker in het huidige tijdsgewricht.
Daarnaast heeft verdachte zich op 15 maart 2016, in de nachtelijke uren, schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk bij het Medisch Centrum Alkmaar, waar dienstverleners zich op dat moment bezighielden met hulpverlening aan de broer van verdachte. Verdachte, die onder invloed van alcohol was, heeft door dit feit te plegen ernstige overlast veroorzaakt.
Voorts heeft verdachte zich in 2015 gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin [aangeefster]. Nadat zij de relatie met hem had verbroken, heeft verdachte haar meerdere malen per dag gebeld en berichten gestuurd. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die [aangeefster].
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de onderhavige feiten de oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld. Kort voor het plegen van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten, namelijk op 10 maart 2016, was verdachte nota bene nog veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van twee jaren. De eerdere veroordelingen van verdachte hebben verdachte er klaarblijkelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 1 augustus 2016, opgesteld door [deskundige 1], GZ-psycholoog. Dit rapport, uitgebracht ter zake van alleen het onder 1 ten laste gelegde, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Vanuit het onderhavige psychologische onderzoek blijkt dat er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met cluster b (borderline en antisociale) trekken. Voorts is bij hem sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van Gilles de la Tourette en misbruik van alcohol.
(…)
Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van eenzelfde beeld.
(…)
Ondanks dat betrokkene het ten laste gelegde deels ontkent, is er wel een verband tussen de diagnose en het ten laste gelegde – indien bewezen – te leggen. Vanuit onderhavig onderzoek komt naar voren dat betrokkene voornamelijk geneigd is te redeneren vanuit een opportunistisch en egocentrisch perspectief. Zijn keuzes zijn vanuit zijn beneden gemiddelde intelligentie veelal gebaseerd op directe behoeftebevrediging. In samenhang met zijn persoonlijkheidsstoornis maakt dit dat hij gericht is op contact en aandacht van anderen, maar moeite heeft om de juiste aansluiting te vinden en moeite heeft met het inschatten van de gevolgen van zijn gedrag. Bij oplopende spanning en stress nemen zijn angst-, paniekklachten en tics toe en kan hij geneigd zijn meer alcohol te gaan drinken om zichzelf beter te voelen. Een verhoogde alcoholinname kan een faciliterende werking hebben bij het ontstaan van zijn ontremde gedrag. De geheugenproblemen die door betrokkene worden genoemd ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten, kunnen aan de hand van de resultaten van onderhavig onderzoek niet worden vastgesteld. In samenhang met zijn beperkte copingvaardigheden en zijn opportunistische houding wat maakt dat hij zich gemakkelijk door situaties kan laten meeslepen, betekent dit dat er sprake is van een significante, zij het beperkte doorwerking van de multipele problematiek in het ten laste gelegde. Er wordt dan ook geadviseerd om betrokkene - ten aanzien van de strafbare feiten (indien bewezen)- als verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.”
De rechtbank neemt dit advies over en acht verdachte in ieder geval voor het onder 1 primair bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar.
Het Pro Justitia rapport houdt verder in:
“Na een weging van risico en beschermende factoren (…) kan worden gesteld dat het recidiverisico bij gelijkblijvende omstandigheden hoog is. Zijn beneden gemiddeld intelligentie niveau en met name de moeite die hij heeft met het adequaat inschatten van oorzaak-gevolgrelaties, zijn beïnvloedbaarheid en de cluster-B (Borderline en antisociale) trekken in zijn persoonlijkheid in combinatie met een hoog recidiverisico maken dat er een noodzaak is voor behandeling. Deze behandeling dient zich vooral te richten op het bewerkstelligen van een veilig woon-en arbeidsklimaat, waarin betrokkene zich vooral kan bezighouden met positieve zaken als werk en een opleiding waarvoor hij gemotiveerd is en waar zijn dochter een belangrijke plaats kan innemen. Betrokkene is gebaat bij toezicht en controle op wat hij doet en hoe hij zijn sociale leven vorm geeft. (…) Volgens betrokkene is er al enige jaren geen sprake meer van hulpverleningscontacten. Betrokkene zou veel baat hebben gehad bij deze contacten. Er valt echter te verwachten dat betrokkene moeite zal hebben met het opbrengen van motivatie voor deze contacten omdat hij in zijn leven heel veel negatieve ervaringen heeft met hulpverleners. Om deze reden zal een Forensisch ACT behandeling, die outreachend is, maar ook speciaal gericht moet zijn op zijn beperkte verstandelijke capaciteiten, het beste aansluiten bij de problematiek van betrokkene. (…)
Gezien de problemen op de verschillende leefgebieden, het opportunistische en probleemvermijdende karakter van betrokkene, wordt geadviseerd de behandeling op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel (bij bewezen geachte feiten). Deze behandeling dient plaats te vinden binnen het kader van een zo langdurig mogelijk reclasseringstoezicht (‘meldplicht’).”
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 16 augustus 2016, opgemaakt door [deskundige 2], werkzaam bij Reclassering Nederland. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
“Risicofactoren bij de [betrokkene] blijken het gebrek aan een zinvolle en structurele dagbesteding, zijn financiële situatie en het negatieve jeugdverleden waarbij cliënt op zeer jonge leeftijd uit huis is geplaatst en tot zijn zestiende levensjaar in verschillende tehuizen en internaten heeft verbleven. Daarnaast zet de reclassering vraagtekens bij de vaardigheden van betrokkene om met geld om te gaan. (…)
(…)
Betrokkene houdt zich tot nu toe aan de meldplicht afspraken bij de reclassering, dit verloopt echter niet altijd soepel. (…) Zijn toezichthouder geeft aan dat bij een voorwaardelijke veroordeling het nakomen van zijn meldplicht contacten zal moeten verbeteren.
Tevens is het belangrijk dat de [betrokkene] openheid van zaken geeft omtrent zijn omstandigheden binnen het reclasseringstoezicht en de ambulante behandeling.
(…) Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen.
Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:
• Meldplicht
• Behandelverplichting – Ambulante behandeling.”
Reclassering Nederland adviseert een langdurige meldplicht op te leggen omdat zij niet verwacht dat binnen de reguliere termijn van twee jaar de gewenste doelen zijn behaald. De geadviseerde ambulante behandeling zal naar het advies van de reclassering moeten plaatsvinden bij het Forensische ACT-team of soortgelijke ambulante forensische zorg.
[Deskundige 3], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland en tevens de toezichthouder van verdachte, is ter terechtzitting van 6 april 2017 als getuige gehoord, waarbij zij voornoemd rapport heeft onderschreven en als volgt heeft aangevuld. Het contact met verdachte is in de eerste periode moeizaam verlopen. Het gaat op dit moment iets beter en er heeft inmiddels een intakegesprek bij het Forensisch ACT-team plaatsgevonden. Het is van belang dat een eventuele behandeling bij de Brijder de ambulante behandeling bij het Forensisch ACT-team niet doorkruist.
Gelet op de stukken en gezien de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de adviezen van de Pro Justitia rapporteur en Reclassering Nederland dienen te worden opgevolgd.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan – gelet op de problematiek van verdachte – een proeftijd verbinden van drie jaren, om verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.
Voorts acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering en een ambulante behandelverplichting noodzakelijk. Dergelijke verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden. De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding om een locatiegebod als bijzondere voorwaarde op te leggen. De rechtbank laat het verder aan Reclassering Nederland en het Forenisch ACT-team over om te beoordelen of tevens ambulante behandeling bij de Brijder noodzakelijk is en zo ja, op welk moment deze behandeling het beste kan worden gevolgd.
7 Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.161,79, vermeerderd met de wettelijke rente, ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:
-
Kosten dierenarts 2 katten: € 942,79
-
Camera: € 319,00
-
Geleend geld: € 900,00
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet als een rechtstreeks gevolg van de onder 3 bewezen verklaarde belaging kan worden gezien en dat de benadeelde partij daarom niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
8 Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 10 maart 2016 in de zaak met parketnummer 15/255209-15 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Verdachte was ter terechtzitting van de politierechter aanwezig en heeft daar gelijk afstand gedaan van het recht hoger beroep in te stellen. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is aan de verdachte toegezonden.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 138, 142a en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank:
? Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
? Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.
Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:
-
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
-
zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres [yy]. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
-
zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;
-
verplicht is zich te laten behandelen/begeleiden door het Forensische ACT-team of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;
waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie, noodzakelijk oordeelt.
? Veroordeelt verdachte tot het verrichten van zestig (60) uren taakstraf, die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door dertig (30) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, subsidiair één dag hechtenis, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
? Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering.
? Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 10 maart 2016 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in de zaak met parketnummer 15/255209-15 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van zestig (60) uren, subsidiair dertig (30) dagen hechtenis.
? Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Warmerdam, voorzitter,
mr. A.S. van Leeuwen en mr. S. Jongeling, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 april 2017.