Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - meervoudig Strafrecht overig

19 maart 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:2262

Op 19 maart 2019 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht. Het zaaknummer is 15/700014-17, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBNHO:2019:2262. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
15/700014-17
Datum uitspraak
19 maart 2019
Datum gepubliceerd
18 maart 2019
Vindplaatsen
  • JHSE 2019/0
  • NJFS 2019/152
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700014-17 (P)

Uitspraakdatum: 19 maart 2019

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 en 5 maart 2019 in de zaak tegen:

[verdachte]
,

geboren op

[geboortedatum]
te
[geboorteplaats]
,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]
.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in de hoedanigheid van directeur van het bedrijf

[speelhal]
en/of
[speelhal]
, op of omstreeks 31 december 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig en/of onoordeelkundig, althans met aanmerkelijke verwaarlozing van de in deze te betrachten zorgvuldigheid heeft gehandeld en/of nagelaten, door niet, althans onvoldoende zorg te dragen voor een verantwoord en/of veilig gebruik van een opblaasbaar speeltoestel (genaamd

Afmat Race Opblaasstructuur) (in overeenstemming met de gebruikershandleiding), immers heeft hij, verdachte,

- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerde(e) en/of gediplomeerd(e) toezichthouders/personeel in de speelhal (te weten de

[speelhal]
) waar voornoemd speeltoestel was geplaatst en/of in gebruik was, en/of

- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat de/het in die speelhal aanwezige toezichthouder/personeel (te weten

[getuige 1]
) voldoende was geïnformeerd en/of geïnstrueerd over het gebruik van voornoemd speeltoestel, en/of

- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat tijdens het gebruik van voornoemd speeltoestel continue toezicht aanwezig was, en/of

- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel uitsluitend met de bijgeleverde stangen werd uitgevoerd/bespeeld, en/of

- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel niet (ook) werd gebruikt als glijbaan, althans niet vanaf voornoemd speeltoestel naar beneden werd gegleden, en/of - niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel

niet werd gebruikt door kinderen jonger dan acht jaar, althans (te) jonge

kinderen, en/of

- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor voldoende matten, althans valdempende ondergrond en/of waarschuwingsborden (aanduidende de gebruiksregels) om en/of naast en/of tegen voornoemd speeltoestel, en/of

- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat een of meer medewerker(s) van

[kinderdagverbllijf]
was/waren geïnformeerd over de risico's en/of gevaren van voornoemd speeltoestel,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat

[slachtoffer]
is overleden.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3
Inleiding

Op 31 december 2015 is de vierjarige

[slachtoffer]
van een opblaasbaar speeltoestel (genaamd “afmatrace”) gevallen en ernstig gewond geraakt. Op 9 januari 2016 is hij in het VUmc te Amsterdam aan de gevolgen van zijn (hersen)letsel overleden. Het ongeval vond plaats in een overdekte speelhal genaamd “
[speelhal]
” dan wel “
[speelhal]
” van
[speelhal]
te Grootebroek (ook bekend als
[speelhal]
). Verdachte is directeur van deze onderneming.
[slachtoffer]
bevond zich (samen met negen andere kinderen in de leeftijd van vier tot zes jaar) in deze speelhal in het kader van een uitstapje van Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang
[kinderdagverbllijf]
. Namens
[kinderdagverbllijf]
was als begeleidster
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
, pedagogisch medewerker, aanwezig. Zij had tien kinderen onder haar hoede.
[getuige 1]
was die dag namens
[speelhal]
werkzaam in de speelhal.

Aan verdachte is overtreding van artikel 307 Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste gelegd; het OM verwijt verdachte, in de hoedanigheid van directeur van het bedrijf

[speelhal]
en/of
[speelhal]
, dat het aan zijn schuld is te wijten dat
[slachtoffer]
is overleden.

Schuld in de zin van artikel 307 Sr komt in beeld, als een verdachte een bepaald gevolg (de dood) duidelijk niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat de persoon in kwestie niet alleen anders had moeten handelen (vermijdbaarheid) maar ook anders had kunnen handelen (verwijtbaarheid). Daarbij is niet elke fout die iemand maakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. In strafrechtelijke bewoordingen: er moet minimaal sprake zijn van ‘aanmerkelijke schuld’ om tot een veroordeling te kunnen komen. Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en van de overige omstandigheden van het geval. Het uiteindelijke gevolg van de gedragingen van verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg daarin mee te wegen. Verder is voor schuld vereist dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat en dat het gevolg voldoende voorzienbaar was. Het juridische criterium om dit vast te stellen, is het toerekenen naar redelijkheid.

De schuld van verdachte zou volgens het OM, kort gezegd, hebben bestaan in het niet, althans onvoldoende zorg dragen voor een verantwoord en/of veilig gebruik van de afmatrace en het niet houden van adequaat toezicht daarop, waardoor

[slachtoffer]
van dit speeltoestel is gevallen en vervolgens is overleden.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte schuld heeft aan het ongeval dient de rechtbank te beoordelen of verdachte een zorgplicht had tegenover

[slachtoffer]
, en zo ja of hij deze zorgplicht heeft geschonden. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord dient de rechtbank te beoordelen of er een causaal verband bestaat tussen de door verdachte geschonden zorgplicht en het overlijden van
[slachtoffer]
. Indien ten slotte sprake is van voormeld causaal verband, moet worden beoordeeld of verdachte op dit punt minst genomen een aanmerkelijk verwijt kan worden gemaakt.

4
Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar zijn op geschrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Op grond van de inhoud van het dossier kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan dood door schuld. Hij heeft daartoe, samengevat, het volgende betoogd.

De officier van justitie stelt voorop dat een beheerder van een speelhal, in casu

[speelhal]
, er voor zorg dient te dragen dat de gebruikers van een speeltoestel geen gevaar lopen. Verdachte was als directeur en bestuurder van de enig aandeelhouder van deze speelhal eindverantwoordelijk.

Verdachte heeft het speeltoestel gekocht zonder handleiding of certificaat van goedkeuring en hij heeft zich naar eigen zeggen niet in de werking van het toestel verdiept. Uit de rapportage van de deskundige Bos en de constateringen van de inspecteur van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) blijkt dat het speeltoestel niet voldeed aan de veiligheidseisen en eigenlijk niet eens opgezet had mogen worden. Aan de gebruikers van het toestel is geen informatie verstrekt omtrent het gebruik van het speeltoestel.

Indien verdachte de afmatrace niet in gebruik had genomen of de juiste veiligheidsmaatregelen zou hebben genomen en de medewerkers voldoende zou hebben geïnstrueerd, dan zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden en zou het slachtoffer

[slachtoffer]
niet zijn overleden, aldus de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie is er bij verdachte sprake van bewuste schuld. Een directeur van een speelhal dient zich bewust te zijn van de risico’s die kleven aan het gebruik van de diverse speeltoestellen. Bovendien is er een jaar voorafgaand aan dit ongeval eveneens een kind van de afmatrace gevallen in de speelhal bij

[speelhal]
. Daar komt bij dat op grond van de zogenoemde ‘Garantenstellung’ aan de eigenaar van een speelhal met verschillende jaren ervaring hogere eisen mogen worden gesteld dan aan een gemiddeld mens als het gaat om voorzichtigheid, oplettendheid en handelen in de uitoefening van die functie mede gelet op de gevaarzetting van de omgeving waarin hij zijn functie uitoefent. Het gaat hier immers om kleine kinderen die zelf onvoldoende in staat zijn om risico’s in te schatten. Bovendien gaat het om speeltoestellen die gevaarzettend kunnen zijn en derhalve mag van de eigenaar van een speelhal worden verwacht dat hij op die gevaarzettende aspecten acht slaat en daarvoor de nodige veiligheidsmaatregelen treft. Verdachte heeft dit nagelaten.

Gelet op deze omstandigheden stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zeer onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat

[slachtoffer]
is komen te overlijden.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit.

Primair heeft de raadsman betoogd (onder verwijzing naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 18 december 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:4662) dat met betrekking tot verdachte als privépersoon niet gesproken kan worden van een zorgplicht. Het Openbaar Ministerie heeft er voor gekozen om naast de rechtspersoon

[speelhal]
ook vervolging in te stellen tegen verdachte als privépersoon en niet in de hoedanigheid van feitelijk leidinggevende aan de verweten gedraging in de zin van artikel 51 lid 2 Sr. Door deze manier van ten laste leggen omzeilt de officier van justitie volgens de verdediging de volgorde die bij feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging bedoeld is; eerst moet komen vast te staan dat een rechtspersoon een strafbaar feit heeft gepleegd en vervolgens kan aan de orde komen of een natuurlijk persoon aan dat strafbare feit opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven. Nu creëert de officier van justitie ten onrechte de mogelijkheid om verdachte ook te kunnen straffen in het geval dat de rechtspersoon wordt vrijgesproken van het (schuld)delict.

De kern van het subsidiaire betoog richt zich in de eerste plaats op de stelling van de verdediging dat verdachte er op mocht vertrouwen dat de afmatrace veilig was. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte de afmatrace heeft gekocht bij een gerenommeerd bedrijf, dat de speelhal in 2013 is geïnspecteerd door de NVWA waarbij de NVWA de speeltoestellen heeft bekeken en geen ernstige risico’s heeft vastgesteld waarna geen vervolginspectie door de NVWA heeft plaatsgevonden.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat

[getuige 1]
, de medewerker die op die bewuste dag stond ingeroosterd in de speelhal, wel degelijk goed was geïnstrueerd.

[getuige 2]
was een van de vaste medewerkers van de speelhal en zij heeft
[getuige 1]
ingewerkt. Volgens vast protocol werd de afmatrace (zonder speling) tegen de ballenbak aangeschoven dan wel werden er valkussens geplaatst tussen de ballenbak en de afmatrace. Het feit dat
[getuige 1]
die bewuste dag de afmatrace heeft opgeblazen en, nadrukkelijk tegen de instructies in, er niet voor zorg heeft gedragen dat de valbescherming tussen de afmatrace en de ballenbak op die bewuste dag in orde was, kan in de visie van de verdediging niet in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.

Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de afmatrace is ontworpen voor het gebruik door twee personen die zich aan de hand van een stok naar boven laten trekken.

[speelhal]
stelde het toestel ook voor kinderen beschikbaar als glijbaan. Dit oneigenlijk gebruik was volgens inspecteur
[Inspecteur]
van de NVWA op zich niet gevaarlijk. De raadsman stelt zich op het standpunt dat
[speelhal]
redelijkerwijs niet kon voorzien dat een kind op een valbeschermingswand zou klimmen en vervolgens hupsend en glijdend naar beneden zou gaan. Dit (apert onjuist, onvoorzichtig, gevaarlijk en onverwachts) gebruik van de afmatrace ligt in de visie van de verdediging te ver verwijderd van normaal gebruik van een glijbaan, zodat het ongeval niet voorzienbaar is geweest. Het feit dat die dit niet voorzienbare gebruik van het toestel aan de aandacht van de professionele toezichthouder
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
is ontsnapt is buitengewoon ongelukkig maar kan niet aan de gebrekkige instructies van verdachte worden toegeschreven.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Verweer ontbreken zorgplicht bij verdachte als natuurlijk persoon

In het betoog van de verdediging dat genoemd arrest van het Gerechtshof Amsterdam analoog op de onderhavige zaak kan worden toegepast miskent de raadsman dat de overweging van het Hof waar de raadsman naar verwijst, ziet op een ander strafrechtelijk verwijt.

In de zaak bij het Hof werd een zorginstelling, alsmede haar directeur (primair) vervolgd ter zake artikel 255 Sr (het opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen). Het Hof heeft overwogen dat voor een bewezenverklaring van dit feit in de eerste plaats moet komen vast te staan dat op verdachte een uit een overeenkomst voortvloeiende verplichting rustte om het slachtoffer de nodige hulp te bieden in de zin van verpleging en/of verzorging. Uit de stukken heeft het Hof afgeleid dat deze verplichting op de rechtspersoon rustte, waarvan de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde algemeen directeur was. Nu ten aanzien van verdachte als privépersoon niet gesproken kon worden van een uit een overeenkomst voortvloeiende verplichting om het slachtoffer te verplegen en/of verzorgen (en verdachte niet werd vervolgd als feitelijk leidinggevende van de rechtspersoon) heeft het Hof geoordeeld dat verdachte reeds om die reden moest worden vrijgesproken.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat aan zijn schuld de dood van een ander te wijten is (overtreding van artikel 307 Sr). Dit verwijt ziet – anders dan artikel 255 Sr – niet op handelen dat voortvloeit uit wet of overeenkomst. De materiële norm van artikel 307 Sr ‘gij zult u niet zodanig onzorgvuldig of onvoorzichtig gedragen dat het leven van een ander wordt vernietigd’ richt zich tot eenieder. Specifieke hoedanigheden zijn niet vereist om onder de werking van de norm te vallen (hoewel deze wel relevant kunnen zijn voor het aannemen van een bijzondere zorgplicht zoals hierna zal worden overwogen).

Overigens was in voornoemde zaak bij het Hof eveneens (subsidiair) dood door schuld (artikel 307 Sr) ten laste gelegd. Het Hof heeft verdachte hiervan vrijgesproken omdat de verweten nalatigheid van verdachte niet dermate groot was dat gesproken kon worden van een aanmerkelijke nalatigheid. De keuze van het OM verdachte als natuurlijk persoon te vervolgen en niet als feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon speelde bij deze overweging geen rol.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

4.3.2

Bewijsoverweging

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Zorgplicht

[speelhal]
exploiteert onder de naam
[speelhal]
bedrijfsmatig een partycentrum, waarin zich (onder meer) een speelhal genaamd
[speelhal]
met daarin verschillende speeltoestellen bevindt. De veiligheid van speeltoestellen is geregeld in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS). Dit besluit stelt onder andere eisen aan de veiligheid en aan het beheer van speeltoestellen in de openbare ruimte. Ingevolge artikel 15 lid 1 WAS dient degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, ervoor zorg te dragen dat een speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op

[speelhal]
en op verdachte als directeur en indirect bestuurder (te weten bestuurder van de bestuurder en enig aandeelhouder) van deze rechtspersoon een beheersverplichting en zorgplicht rustte met betrekking tot de veiligheid van de speeltoestellen, waaronder de afmatrace. Deze zorgplicht omvat niet alleen dat de speeltoestellen zich in goede staat van onderhoud dienen te bevinden en op de juiste wijze moeten zijn geïnstalleerd, maar ook dat de gebruikers van de toestellen worden geïnformeerd over hoe zij deze (op een veilige wijze) dienen te gebruiken en dat er indien nodig toezicht wordt gehouden op het gebruik.

Certificaat van goedkeuring

Ingevolge de WAS dient een speeltoestel gecertificeerd te zijn. Is dit niet het geval, dan moet de beheerder het voor ingebruikname laten keuren door een door de minister aangewezen keuringsinstelling (AKI). Voorts dient de beheerder voor ieder speeltoestel een logboek bij te houden.

Verdachte heeft in 2010 samen met zijn toenmalige zakenpartner

[Naam]
de afmatrace (tweedehands) via internet gekocht zonder certificaat van goedkeuring en logboek. Na een inspectiebezoek van de NVWA in 2013, waarbij werd geconstateerd dat genoemde documenten ontbraken, heeft een medewerker van
[speelhal]
deze documenten in 2014 bij de leverancier opgevraagd en toegezonden aan de NVWA.

In de administratie van de NVWA staan tussen 2 oktober 2013 en 1 januari 2016 geen inspecties op het adres van de speelhal geregistreerd. Het toestel kwam bij de NVWA pas weer in beeld naar aanleiding van het ongeval. Toen bleek dat het certificaat van goedkeuring ongeldig was; het certificaat hoorde niet bij de afmatrace van

[speelhal]
(geproduceerd in 2006) maar bij een soortgelijk toestel dat is geproduceerd in 2004. Noch de producent, noch de leverancier kon desgevraagd een certificaat overleggen dat van toepassing was op het toestel dat in gebruik was bij
[speelhal]
. Mogelijk is een niet goedgekeurd prototype in de handel gebracht, maar dit is niet komen vast te staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat
[speelhal]
en verdachte wisten dat het certificaat van goedkeuring niet in orde was of dat zij dit redelijkerwijs hadden kunnen weten, zodat verdachte op dit punt geen verwijt kan worden gemaakt.

Gebruikershandleiding

Bij de documenten die

[speelhal]
bij de leverancier had opgevraagd, bevond zich onder meer een gebruikershandleiding. Volgens getuige
[Inspecteur]
, inspecteur productieveiligheid bij NVWA, was de gebruikershandleiding voorzien van een serienummer dat betrekking had op het toestel dat in de speelhal van
[speelhal]
stond. Deskundige J.W. Bos, als ingenieur werkzaam bij het Keurmerkinstituut heeft echter geconcludeerd dat de gebruikershandleiding niet bij het speeltoestel hoort waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat verdachte in ieder geval beschikte over een gebruikershandleiding ”
[Maatschappij]
Luchtkussenfabrikanten gebruikershandleiding afmatrace” die betrekking had op het uitgebate speeltoestel genaamd afmatrace dan wel een soortgelijk toestel.

Schending zorgplicht

Voor het beantwoorden van de vraag of verdachte op 31 december 2015 ten opzichte van het slachtoffer zijn zorgplicht heeft geschonden, neemt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

De afmatrace is een luchtkussen dat in hoogte oploopt tot 420 centimeter, met aan beide zijden een valbescherming van 47 centimeter hoog. De afmatrace is bedoeld als speltoestel, waarbij de gebruiker met stangen naar boven moet klimmen door deze in de op het toestel aanwezige sporten te steken. Verdachte heeft het toestel aangeschaft om tijdens meerkampen te gebruiken, maar daarnaast is besloten om het – indien er geen meerkamp was – in de speelhal opgeblazen neer te zetten zodat kinderen het konden gebruiken als glijbaan.

In de gebruikershandleiding, die werd bewaard achter de bar van de

[speelhal]
, is onder meer opgenomen dat het luchtkussen alleen geschikt is voor het doel waarvoor het is ontworpen, dat er tijdens het gebruik continu toezicht bij het toestel moet zijn door een toezichthouder die goed geïnstrueerd is over het gebruik van het toestel, dat klimmen op de randen niet is toegestaan en dat het niet als glijbaan gebruikt mag worden.

Deze instructies zijn in de handleiding opgenomen uit het oogpunt van veiligheid. Van een beheerder van een dergelijk toestel mag worden verwacht dat hij – uit het oogpunt van veiligheid – zodanige maatregelen treft, dat de gebruikers het speeltoestel overeenkomstig de voorgeschreven regels gebruiken.

Verdachte heeft de gebruikershandleiding niet gelezen en zich evenmin op andere wijze verdiept in het gebruik en doel van het toestel en de regelgeving daaromtrent. Er hingen geen waarschuwingsborden of gebruiksregels over de afmatrace in de

[speelhal]
. Uit het dossier blijkt dat binnen
[speelhal]
ook niet duidelijk was wie verantwoordelijk was voor kennisneming en gebruik van de handleiding, voor de zorg om maatregelen te treffen die ertoe strekken dat de (veiligheids)regels worden nageleefd, en wie de medewerkers die feitelijk toezicht moeten houden daarover instrueert. De stelling van verdachte, inhoudende dat hieromtrent een ongeschreven protocol bestond, is niet onderbouwd en vindt geen steun in het dossier dan wel in het overig onderzoek ter terechtzitting.

Op 31 december 2015 was namens

[speelhal]
[getuige 1]
als toezichthouder aanwezig in de
[speelhal]
.
[getuige 1]
was op dat moment ongeveer een maand bij
[speelhal]
in dienst en hij had een enkele keer eerder bij de
[speelhal]
gewerkt. Hij heeft verklaard dat hij niet was geïnstrueerd over het gebruik van de afmatrace en dat hij geen gebruikershandleiding heeft gezien of gelezen. Hij wist dat de afmatrace als glijbaan gebruikt werd, maar hij wist niet dat dit volgens de gebruikershandleiding niet was toegestaan.
[getuige 1]
heeft op die dag de valmatten die eromheen lagen aangeschoven. Hij heeft geen matten neergelegd aan de kant waar
[slachtoffer]
is gevallen. Hij wist niet dat ook aan die kant matten neergelegd moesten worden. Hij heeft de begeleidster van
[kinderdagverbllijf]
,
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
, niet geïnformeerd over het gebruik van de afmatrace.
[getuige 1]
heeft de bewuste dag in algemene zin toezicht gehouden in de
[speelhal]
. Hij stond niet direct onder of naast de afmatrace om daarop continu toezicht te houden.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn zorgplicht heeft geschonden.

In de eerste plaats heeft hij de afmatrace als glijbaan laten gebruiken, dus voor een ander doel dan waarvoor deze was bestemd, terwijl zodanig gebruik volgens de gebruikershandleiding uitdrukkelijk verboden is. Verdachte heeft daarnaast nagelaten de benodigde veiligheidsmaatregelen te treffen, waar het gaat om gebruik door jonge kinderen, waarvoor het toestel in beginsel niet bedoeld is.

Voor de vraag welke veiligheidsmaatregelen verdachte in acht had moeten nemen, heeft de rechtbank – naast de gebruikershandleiding – in belangrijke mate acht geslagen op het rapport van de deskundige Bos. Hieruit volgt onder meer dat de valhoogte van de afmatrace in combinatie met de lage randen zeer gevaarlijk is. Dit betekent volgens Bos dat er voldoende valdempende matten hadden moeten liggen en dat – nu het toestel vanuit zijn ontwerp niet duidelijk aangeeft hoe het gebruikt moet worden – waarschuwingsborden met gebruiksregels noodzakelijk zijn. Toezichthouders dienen op de hoogte te zijn van deze informatie en dienen specifiek geïnstrueerd te worden. Direct en continu toezicht, met volledige aandacht op het toestel, acht deskundige Bos bij gebruik door kinderen jonger dan 8 jaar van groot belang.

De rechtbank neemt deze conclusies van deskundige Bos over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte niet de benodigde veiligheidsmaatregelen heeft getroffen.

De aanwezige toezichthouder

[getuige 1]
was onvoldoende geïnformeerd en geïnstrueerd door
[speelhal]
over het gebruik van de afmatrace. Hij was niet op de hoogte van de gebruikershandleiding, wist niet dat er matten moesten liggen aan de zijde waar
[slachtoffer]
is gevallen, wist niet dat hij de bezoekers moest informeren over de gevaren, met name ook bij klimmen op de randen, en wist niet dat er continu toezicht bij de afmatrace moest zijn. Dit heeft ertoe geleid dat op 31 december 2015 geen continu toezicht aanwezig was, dat er onvoldoende matten lagen dan wel dat er onvoldoende valdempende ondergrond beschikbaar was, en dat
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
als begeleidster van de aanwezige kinderen op geen enkele wijze – door waarschuwingsborden met gebruiksregels dan wel door
[getuige 1]
– geïnformeerd was over de risico's en/of gevaren van voornoemd speeltoestel. Aldus heeft verdachte onvoldoende zorg gedragen voor een verantwoord en veilig gebruik van de afmatrace.

Het verweer van de verdediging, inhoudende dat

[getuige 1]
wel degelijk voldoende zou zijn geïnstrueerd en nadrukkelijk tegen de instructies zou hebben gehandeld, blijkt geenszins uit het dossier en vindt bovendien zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Uit het dossier blijkt dat
[getuige 2]
en
[getuige 3]
normaal gesproken werkzaam waren in de speelhal; zij kenden blijkens hun verklaring de inhoud van de gebruikershandleiding van de afmatrace en waren zich bewust van de noodzaak van continu toezicht bij dit toestel, onder meer om klimmen op de randen te voorkomen. Uit hun verklaringen blijkt niet dat zij
[getuige 1]
, die kort tevoren in dienst was getreden als medewerker kartbaan/lasergame, hebben ingewerkt ten aanzien van het gebruik van de afmatrace in de
[speelhal]
als glijbaan voor kinderen.

In aanvulling hierop overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de afmatrace volgens ‘vast protocol’ werd opgebouwd en dat nieuwe medewerkers volgens ‘vast protocol’ werden ingewerkt. Deze protocollen zijn naar zijn zeggen echter niet op schrift te gesteld. Kennelijk doelt verdachte met de term ‘protocollen’ op een gangbare werkwijze die niet formeel is vastgelegd, hetgeen de controle en het waarborgen van de naleving van dergelijke protocollen bemoeilijkt en (onbewust) handelen in strijd met (niet vastgelegde) werkafspraken en instructies in de hand werkt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte als beheerder van de speelhal verantwoordelijk is voor de wijze waarop zijn bedrijf is georganiseerd, meer in het bijzonder voor de wijze waarop zijn medewerkers worden ingewerkt en geïnstrueerd met betrekking tot het veilig gebruik van de diverse toestellen in de speelhal.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging, inhoudende dat verdachte er op mocht vertrouwen dat de afmatrace veilig was omdat hij de afmatrace heeft gekocht bij een gerenommeerd bedrijf, de speelhal in 2013 is geïnspecteerd door de NVWA en voorts geen vervolginspectie door de NVWA heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank als volgt.De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat verdachte bij de aanschaf van de afmatrace in 2010 vrij nonchalant te werk is gegaan; hij heeft zich, gelet zijn verklaring, kennelijk niet bekommerd om de wettelijke vereisten voor de exploitatie en aankoop van een speeltoestel en zich niet verdiept in het (veilig) gebruik van het toestel. Vervolgens heeft de NVWA in 2013 tijdens een inspectie van de speelhal geen ernstige risico’s vastgesteld. Wel bleek tijdens die inspectie dat verdachte niet beschikte over de benodigde documenten (certificaat van goedkeuring, logboek en handleiding) voor verschillende toestellen, waaronder de afmatrace. Getuige

[Inspecteur]
heeft hieromtrent verklaard dat hij verdachte heeft verteld dat hij wettelijk verplicht was om over deze documenten te beschikken en dat hij als beheerder een beheersverplichting heeft die bestaat uit het bijhouden van onderhoud en reparaties en dergelijke. Verdachte heeft nadien de benodigde documenten laten opvragen, maar heeft deze documenten naar eigen zeggen niet ingezien. Hetzelfde geldt voor de folder voor beheerders van speeltoestellen die getuige
[Inspecteur]
bij de inspectie aan verdachte heeft gegeven; ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij deze folder niet heeft gelezen. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verdachte erop mocht vertrouwen dat de afmatrace veilig was, integendeel; verdachte heeft zich – ook nadat hij hierop was geattendeerd – niet verdiept in de wettelijke verplichtingen die hij als beheerder van speeltoestellen had.

Causaliteit

Dan is aan de orde de vraag of tussen het schenden van de zorgplicht en het overlijden van

[slachtoffer]
een zodanig causaal verband bestaat dat zijn dood redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Hierbij is van belang of het gevolg voor verdachte, op het moment dat hij zijn zorgplicht schond, redelijkerwijs voorzienbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een dergelijk verband en een dergelijke voorzienbaarheid.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat

[slachtoffer]
als gevolg van de val ernstig hersenletsel heeft opgelopen, waarna hij enkele dagen na het ongeluk aan de gevolgen van dit letsel is overleden.

De dood van

[slachtoffer]
kan redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend, omdat hij heeft nagelaten juist datgene te doen wat vanuit zijn bijzondere zorgplicht als beheerder van een speelhal van hem werd verlangd, en hierdoor de kans op het uiteindelijke ingetreden gevolg werd vergroot.

In dit verband merkt de rechtbank op dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt om te veronderstellen dat

[slachtoffer]
is overleden door een andere oorzaak dan dat hij – door kort gezegd onvoldoende veiligheidsmaatregelen en het ontbreken van continu (en direct) toezicht door goed geïnstrueerde toezichthouders – op de rand van de afmatrace heeft kunnen klimmen en vervolgens op een hoogte van enkele meters naar beneden is gevallen.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, had verdachte moeten beseffen dat kinderen risico’s anders inschatten dan volwassenen en dat klimmen op randen hen niet vreemd is. Het enkele feit dat de NVWA tijdens de inspectie in 2013 heeft geoordeeld dat (oneigenlijk) gebruik van de afmatrace als glijbaan op zich niet gevaarlijk is doet hier niet aan af. De rechtbank neemt hierbij – zoals eerder overwogen – in aanmerking dat sprake was van een hoog speeltoestel, met een onacceptabele valhoogte, gelet op de lage opstaande randen, en onvoldoende valbescherming, zodat verdachte er ernstig rekening mee diende te houden dat de kans om van het toestel te vallen redelijk groot is en dat de kans op ernstig en blijvend letsel (bij vallen) zeer groot is.

Schuld

Voor het aannemen van schuld (culpa) moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Verdachte kon anders handelen (vermijdbaarheid) en diende ook anders te handelen (verwijtbaarheid). De standaard waartegen dat handelen wordt afgemeten kan bovendien mede bepaald worden door de zogenaamde Garantenstellung. Dit houdt in dat op bepaalde personen in een specifieke hoedanigheid een grotere mate van verantwoordelijkheid rust, waarbij het handelen in het specifieke geval wordt afgezet tegen dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van (on)voorzichtig gedrag mede daardoor bepaald.

Ten aanzien van de mate van schuld overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte was in zijn hoedanigheid van directeur van

[speelhal]
gehouden als beheerder van de speelhal zorg te dragen voor een verantwoord en veilig gebruik van de diverse speeltoestellen, waaronder de afmatrace. Hiervoor is reeds besproken op welke wijze verdachte de jegens
[slachtoffer]
rustende zorgplicht heeft geschonden. Voor de vaststelling van de mate van schuld houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet alleen op

31 december 2015 die zorgplicht heeft geschonden; zoals hiervoor overwogen was sprake van een jarenlange structurele situatie waarin verdachte – ook na bezoek van de inspectie – heeft verzuimd om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen als beheerder. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat op 15 februari 2015 een vijfjarig meisje van de afmatrace is gevallen en daarbij waarschijnlijk op haar hoofd terecht is gekomen. De moeder van het gevallen kind heeft dit voorval – via de echtgenote van verdachte – onder de aandacht gebracht. Het voorval is niet opgenomen in het (uitdrukkelijk voor dit soort gevallen bedoelde) logboek omdat de melding pas enkele weken later – en niet op de dag van het ongeluk zelf – bekend werd, aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard hierna te hebben besloten om – hoewel de toedracht van het ongeluk niet duidelijk was – meer matten rond de speeltoestellen neer te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voorval illustratief voor de nonchalante wijze waarop verdachte met zijn beheerdersverplichting is omgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte door het aldus schenden van de op hem rustende zorgplicht verweten worden dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld.

Gelet op het bovenstaande is sprake van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte, als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte (in de hoedanigheid van directeur van

[speelhal]
) te wijten is dat
[slachtoffer]
is overleden. Het verwijt van het OM dat verdachte dit feit zou hebben gepleegd in het kader van de uitoefening van een beroep of ambt, zijnde een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 309 Sr, is door het OM niet geconcretiseerd of onderbouwd en ook niet als verwijt opgenomen in de tenlastelegging. Dit neemt niet weg dat – zoals hiervoor overwogen – de bewezenverklaarde hoedanigheid als directeur van
[speelhal]
wel relevant is voor het aannemen van een bijzondere zorgplicht.

Partiele vrijspraak

Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde verwijten onder het eerste, vierde en zesde gedachtestreepje:

Eerste gedachte streepje: “niet, althans onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerde(e) en/of gediplomeerd(e) toezichthouders/personeel in de speelhal (te weten de

[speelhal]
) waar voornoemd speeltoestel was geplaatst en/of in gebruik was”;

Vierde gedachtestreepje: “niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel uitsluitend met de bijgeleverde stangen werd uitgevoerd/bespeeld”;

Zesde gedachtestreepje: “niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel niet werd gebruikt door kinderen jonger dan acht jaar, althans (te) jonge kinderen”,

is de rechtbank van oordeel dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

Bij de afmatrace kan volgens deskundige Bos worden volstaan met één toezichthouder. Omdat deze continu bij dit toestel zal moeten blijven is er geen gelegenheid op de andere toestellen toezicht te houden. In feite moeten zoveel toezichthouders aanwezig zijn als toestellen waar continu toezicht op gehouden moet worden, vermeerderd met één. Dit betekent dat er feitelijk – kwantitatief – voldoende toezichthouders aanwezig waren, te weten

[getuige 1]
en
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
. Hieraan doet niet af dat geen sprake is geweest van continu en direct toezicht en dat
[getuige 1]
in dit verband niet goed is geïnstrueerd, zodat hij niet in staat was om
[Begeleidster Kinderdagverblijf]
te waarschuwen en te informeren over veiligheidsrisico’s.Het enkele feit dat
[getuige 1]
niet voldoende gekwalificeerd zou zijn (opgenomen onder het eerste gedachtestreepje) omdat hij niet beschikte over een EHBO diploma, zoals voorgeschreven in de gebruikershandleiding, kan weliswaar worden bewezen, maar levert geen causaal verband op met het ongeval en de dood van
[slachtoffer]
.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het verwijt zoals verwoord onder het vierde gedachtestreepje. In de gebruikershandleiding staat opgenomen dat het luchtkussen geschikt is voor het doel waarvoor het is ontworpen, niet voor andere doeleinden dient te worden gebruikt en dat het alleen met de bij geleverde stangen dient te worden gespeeld. Uit de stukken is komen vast te staan dat de afmatrace is gebruikt zonder de bijgeleverde stangen zodat dit verwijt feitelijk juist is, maar dat levert geen causaal verband op met het ongeluk.

Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van het laatste gedachtestreepje dat in de gebruikershandleiding geen leeftijdsgrens is opgenomen, terwijl de wet- en regelgeving daarin evenmin voorziet. Om die reden bestond er voor verdachte geen verplichting een specifieke leeftijdsgrens te stellen aan het gebruik van de afmatrace. Op dit punt is daarom op zich beschouwd geen sprake van een schending van de zorgplicht. Wanneer het toestel wordt gebruikt zoals bedoeld, met stokken, en men alleen op de voorgeschreven wijze naar boven en naar beneden gaat, zal er een natuurlijke selectie plaatsvinden die meebrengt dat alleen de oudere kinderen naar boven kunnen klimmen, zoals deskundige Bos heeft gerapporteerd.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij, in de hoedanigheid van directeur van het bedrijf

[speelhal]
en/of
[speelhal]
, op 31 december 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld door onvoldoende zorg te dragen voor een verantwoord en veilig gebruik van een opblaasbaar speeltoestel (genaamd afmatrace) in overeenstemming met de gebruikershandleiding, immers heeft hij, verdachte,

- niet ervoor zorggedragen dat de in die speelhal aanwezige toezichthouder (te weten

[getuige 1]
) voldoende was geïnformeerd en geïnstrueerd over het gebruik van voornoemd speeltoestel, en/of

- niet ervoor zorggedragen dat tijdens het gebruik van voornoemd speeltoestel continu toezicht aanwezig was, en/of

- niet ervoor zorggedragen dat voornoemd speeltoestel niet (ook) werd gebruikt als glijbaan, althans niet vanaf voornoemd speeltoestel naar beneden werd gegleden, en/of

- onvoldoende zorggedragen voor voldoende matten, althans valdempende ondergrond, en niet zorgdragen voor waarschuwingsborden (aanduidende de gebruiksregels) om en/of naast en/of tegen voornoemd speeltoestel, en/of

- niet ervoor zorggedragen dat een of meer medewerker(s) van

[kinderdagverbllijf]
was/waren geïnformeerd over de risico's en/of gevaren van voornoemd speeltoestel,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat

[slachtoffer]
is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5
Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6
Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7
Motivering van de sanctie
7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

7.2

Standpunt van de verdediging

Over een eventuele strafoplegging heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt. Wel is door de raadsman opgemerkt dat met de nabestaanden is overeengekomen dat een schadevergoeding aan hen zal worden betaald.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Op 31 december 2015 is de toen vierjarige

[slachtoffer]
in het bedrijf waarvan verdachte directeur is ten gevolge van een val van een opblaasbaar (speel)toestel, genaamd de afmatrace, overleden. Verdachte was als beheerder van de speelhal verantwoordelijk voor de veiligheid van de gebruikers daarvan, waaronder
[slachtoffer]
. Zoals eerder aangegeven bracht die verantwoordelijkheid een zorgplicht met zich mee. Aan die zorgplicht heeft verdachte niet voldaan. In die zin treft verdachte een – aanmerkelijk – verwijt aan het overlijden van
[slachtoffer]
.

Bij de bepaling van de op te leggen straf weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee het gegeven dat sprake is van een structurele jarenlang bestaande vorm van nalatigheid als beheerder van een speelhal waar verdachte zich – blijkens zijn houding ter terechtzitting – geen enkele rekenschap van geeft. Een (schriftelijk) veiligheidsprotocol omtrent het gebruik van de toestellen ontbrak, binnen het bedrijf was onduidelijk wie daarvoor verantwoordelijk was en wie diende te zorgen dat het personeel geïnstrueerd was en dat de veiligheidsregels werden nageleefd.

De ouders van

[slachtoffer]
werden de betreffende oudejaarsdag volkomen onverwacht met deze ingrijpende gebeurtenis geconfronteerd en moeten sindsdien verder leven met dit grote gemis. Uit het door (en namens) de ouders van
[slachtoffer]
ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat het verdriet om het verlies van hun zoon nog altijd onverminderd groot is.

Naast deze omstandigheden is ook van belang dat verdachte nooit heeft bedoeld een situatie te laten ontstaan waarin

[slachtoffer]
zou overlijden. De rechtbank twijfelt er niet aan dat het op deze tragische wijze overlijden van
[slachtoffer]
ook voor verdachte een uiterst schokkende ervaring is geweest, waarmee ook hij zal moeten leren verder te leven.

Wat betreft de persoon van verdachte neemt de rechtbank verder in aanmerking dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit, waaronder met name het gegeven dat verdachte jarenlang een onveilige situatie in zijn bedrijf heeft laten bestaan zonder de noodzaak tot het treffen van (veiligheids)maatregelen in te zien, het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, met de bedoeling verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit, meer in het bijzonder dat hij zich als beheerder van een speelhal schuldig zal maken aan soortgelijke strafbare feiten. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de modaliteit van de gevangenisstraf, zij het in voorwaardelijke vorm, noodzakelijk om te waarborgen dat verdachte de veiligheid binnen zijn bedrijf op andere wijze zal organiseren.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 307 van het Wetboek van Strafrecht.

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. J. van Beek en mr. N. Boots, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. de Graag,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart 2019.

Bijlage - Bewijsmiddelen

ECLI:NL:GHAMS:2018:4662; ECLI:NL:GHAMS:2018:4663

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158