Strafrecht overig
Verdachte is gedagvaard in verband met het overtreden van art. 2 en 3 Opiumwet alsmede art. 1.2.2. van het…
Rechtbank Noord-Holland, 28 maart 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:2968 · Rechtbank Noord-Holland · 28 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2019-2968
Zaakgegevens
Op 28 maart 2019 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 28 maart 2019
- Datum publicatie
- 8 april 2019
- Zaaknummer
- 15/210235-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2019:2968
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte is gedagvaard in verband met het overtreden van art. 2 en 3 Opiumwet alsmede art. 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit. Met betrekking tot de verdovende middelen hebben het politieonderzoek, het dossier en de tenlastelegging zich duidelijk gericht op de concrete hoeveelheden soft en hard drugs die verdachte ten tijde van de doorzoeking thuis voorhanden had. Van de handel in bedoelde drugs wordt verdachte –ondanks zijn verklaring ter zitting dat hij in drugs heeft gehandeld- vrijgesproken. Ten aanzien van de bij verdachte thuis aangetroffen hoeveelheid en soorten vuurwerk, stroken het proces-verbaal van doorzoeking en het proces-verbaal van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (PV COV) niet met elkaar. Onduidelijk is daarbij in hoeverre ook zogenaamde babynitraten door het COV zijn meegeteld en zo ja, of deze nader zijn onderzocht wat betreft de vraag of deze babynitraten vallen onder lijst II en art.1.2.2. Vuurwerkbesluit. Ook is onduidelijk gebleven op basis waarvan het COV heeft geconcludeerd dat een rapport van het NFI uit 2017 jn een andere strafzaak opgemaakt, onverkort tot bewijs zou kunnen dienen in onderhavige zaak. Gelet op de uiterlijke verschillen tussen het door het NFI technisch onderzochte en het bij verdachte aangetroffen vuurwerk (waar kennelijk geen verder (technisch) onderzoek naar is verricht), is de conclusie in het PV COV dat sprake is van “3680 stuks nitraten (lijst II) zijnde professioneel vuurwerk” onvoldoende onderbouwd en dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Sectie Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/210235-18
Uitspraakdatum: 28 maart 2019
Tegenspraak
Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 14 maart 2019 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.C.A. Bos – van Hasselt en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2018 tot en met 23 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, [in totaal] 175, in elk geval een of meer zogenaamde XTC-pillen, in elk geval een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA, zijnde MDA en MDMA en MDEA en N-ethylMDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 oktober 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk
- 206, althans een of meer, stuks Super Cobra 6 (lijst III) en/of
- 3680, althans een of meer, stuks nitraten (FP3 Jorge) (lijst II),
in elk geval een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht en/of voorhanden heeft/hebben gehad en of heeft/hebben opgeslagen;
Feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2018 tot en met 23 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 135,65 gram hennep en/of 1039,31 gram hashish in elk geval een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hashish, zijnde hennep en/of hashish [een] middel[len] vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de periode waarin verdachte deze drie feiten heeft gepleegd loopt van 1 september 2018 tot en met 23 oktober 2018.
Wat betreft feit 1 kan volgens de officier van justitie zowel het aanwezig hebben van de 175 XTC-pillen als de handel in deze pillen bewezen worden verklaard, zij het dat verdachte dit alleen en niet tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.
Feit 2 is naar het standpunt van de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen. Voor wat betreft de ten laste gelegde hoeveelheid van 3680 nitraten FP3 Jorge heeft de officier van justitie ter zitting betoogd dat zij is uitgegaan van het aantal dat door de verbalisant blijkens het proces-verbaal ‘Onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk’ is geteld. Voor de vaststelling dat het hier verboden professioneel vuurwerk betreft voor particulier gebruik, wordt daarbij verwezen naar het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Bij repliek heeft de officier van justitie aangevoerd dat het klopt dat het NFI-onderzoek betrekking heeft op een andere strafzaak en dat er naar de in onderhavige zaak inbeslaggenomen nitraten geen technisch onderzoek is verricht. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het NFI-rapport niet in deze zaak bruikbaar is, dan kan het proces-verbaal dienen als bewijsmiddel omdat daarin wordt gesteld dat sprake is van overeenkomende kenmerken en van professioneel vuurwerk (met minder dan 6 gram netto explosieve massa [hierna: NEM]). Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat het klopt dat in het politieonderzoek over de inbeslaggenomen, zogenaamde baby-nitraten niet apart is gerelateerd en dat - mocht de rechtbank van oordeel zijn dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor dit gedeelte van de nitraten - het aantal baby-nitraten kan worden afgetrokken van het totale aantal van 3680 stuks.
Ook feit 3 kan volgens de officier van justitie worden bewezenverklaard, zowel het aanwezig hebben van de hennep en hashish, als het handelen in deze verdovende middelen. Wel dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het tezamen en in vereniging plegen van dit feit.
De hoeveelheid hennep bedraagt in totaal de ten laste gelegde 135,65 gram, bestaande uit de henneptoppen die in de twee weckpotten zijn aangetroffen (SIN [SIN-nummer] : 124,07 gram) en de henneptoppen die in de acht aangetroffen gripzakjes zaten (SIN [SIN-nummer] : 11,58 gram). Wat betreft de ten laste gelegde hoeveelheid hashish van 1039,31 gram heeft de officier van justitie betoogd dat deze betrekking heeft op de bij de doorzoeking aangetroffen elf plakken hashish (SIN [SIN-nummer] : 1032,4 gram) en de inhoud van een gripzakje met een brokje hash (SIN-nummer [SIN-nummer] : 6,91 gram). Voor het geval dat de rechtbank de exacte hoeveelheid hashish niet kan vaststellen, heeft de officier van justitie subsidiair aangevoerd dat in ieder geval ‘een hoeveelheid hashish’ bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Wat betreft feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte alleen, en dus niet tezamen en in vereniging met anderen, 175 XTC-pillen aanwezig heeft gehad. De verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de handel in deze pillen, nu de verklaring van verdachte dat hij XTC-pillen dealde niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.
De verdediging is ten aanzien van feit 2 van mening dat het voorhanden hebben van 206 stuks Super Cobra 6 wettig en overtuigend kan worden bewezen, zij het in een kortere periode dan waar de officier van justitie ter zitting van is uitgegaan. Een periode van 1 oktober 2018 tot en met 23 oktober 2018 sluit immers beter aan bij het moment waarop het Team Criminele Inlichtingen Eenheid de informatie ontving over het handelen in zwaar vuurwerk. Wel dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van deze Cobra’s, nu de verklaring van verdachte dat hij het met twee vrienden heeft gekocht en voor hen heeft bewaard niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.
Wat betreft de nitraten FP3 Jorge heeft de raadsman aangevoerd dat de in beslaggenomen 3680 nitraten niet nader technisch zijn onderzocht en dat bovendien in het proces-verbaal ‘Onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk’ geen onderscheid is gemaakt tussen de nitraten en de baby-nitraten, welke laatste qua hoeveelheid NEM een andere inhoud hebben. Ook het NFI-rapport, dat bovendien ten behoeve van een andere strafzaak is opgemaakt, is niet bruikbaar want het heeft geen betrekking op dergelijke baby-nitraten, zodat dit deel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard.
Wat betreft feit 3 kan volgens de verdediging bewezen worden geacht dat verdachte hennep en hashish aanwezig heeft gehad en dat hij handelde in deze verdovende middelen. Wel dient een kortere periode bewezen te worden verklaard dan de periode die ten laste is gelegd en dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het tezamen en in vereniging plegen van het feit. Wat betreft de hash heeft de raadsman betoogd dat de optelsom van de aangetroffen hashish zoals weergegeven in het dossier niet strookt met de in de tenlastelegging opgenomen en door de officier van justitie ter zitting toegelichte hoeveelheid, zodat hoogstens ‘een hoeveelheid hashish’ bewezen kan worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
Bewijsoverwegingen
Overweging ten aanzien van feiten 1 en 3:
Wat betreft de ten laste gelegde periode en het handelen in dan wel aanwezig hebben van verdovende middelen, overweegt de rechtbank dat de tenlastelegging is opgesteld in een primaire en subsidiaire variant in plaats van een cumulatieve. Dit volgt uit de woorden “in elk geval” die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Dit betekent dat verdachte zowel bij feit 1 als bij feit 3 (telkens) slechts 1 verwijt wordt gemaakt. Door het noemen van concrete hoeveelheden XTC-pillen (feit 1) en gewichten hennep en hashish (feit 3) is de rechtbank van oordeel dat de verwijten die verdachte worden gemaakt zijn toegesneden op hetgeen bij de doorzoeking in de woning van verdachte op 23 oktober 2018 is aangetroffen, en niet zozeer op het verhandelen van deze verdovende middelen. Het onderzoek van de politie is daarop ook niet toegespitst geweest, nog daargelaten dat er voor de handel in genoemde drugs geen aanvullend bewijsmiddel (met betrekking tot concrete transacties en de werkzame stoffen in die eerder verkochte drugs) voorhanden is. De wijze van ten laste leggen maakt dat de rechtbank niet anders kan dan bij de bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 tot de vaststelling komen dat verdachte op 23 oktober 2018 bepaalde hoeveelheden XTC, hennep en hashish opzettelijk aanwezig heeft gehad. Van de eerdere verkoop van genoemde drugs wordt verdachte derhalve -ondanks zijn verklaring ter zitting dat hij ook in drugs heeft gehandeld- vrijgesproken. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte van het medeplegen van deze feiten moet worden vrijgesproken.
Overweging ten aanzien van feit 2:
Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank allereerst dat de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden Super Cobra 6 en nitraten FP3 Jorge kennelijk zijn toegesneden op hetgeen bij de doorzoeking in de woning van verdachte op 23 oktober 2018 is aangetroffen. Van het binnen het grondgebied van Nederland brengen of het op een eerder moment aanwezig hebben van dit vuurwerk, moet verdachte worden vrijgesproken.
Anders dan door de raadsman bepleit, acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwerk tezamen en in vereniging met anderen voorhanden had, nu hij heeft verklaard het vuurwerk samen met twee vrienden te hebben gekocht en voor hen te hebben bewaard. De strafrechtelijke bewijsminimumregels vereisen immers niet dat voor elk onderdeel van de bewezenverklaring een pluraliteit aan bewijsmiddelen nodig is.
Wat betreft de nitraten wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat blijkens het proces-verbaal bevindingen betreffende de doorzoeking (hierna: PV doorzoeking, dossierpagina’s 18-20) op 23 oktober 2018 bij verdachte thuis in een verhuisdoos en in vier reiskoffers respectievelijk 400, 480, 800, 200 en 1000 nitraatbommen in doosjes van 20 stuks zijn aangetroffen. Opgeteld zijn dit volgens de rechtbank 2880 nitraatbommen.
Daarnaast zijn volgens genoemd proces-verbaal 150 zogenaamde baby-nitraatbommen aangetroffen, verpakt in doosjes van 30 stuks. In genoemd proces-verbaal wordt evenwel gesproken van 3540 in beslaggenomen nitraatbommen en daarnaast 150 baby-nitraten. Het totaal aantal hiervan komt neer op 3690 stuks. Volgens de officier van justitie ter zitting is bij de optelsom van nitraten en baby-nitraten in het proces-verbaal doorzoeking mogelijk sprake van een telfout, maar bij de tenlastelegging is uitgegaan van het aantal van 3680 nitraten, zoals door verbalisant geteld blijkens het proces-verbaal ‘Onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk’ van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (hierna: PV COV, dossierpagina’s 82- 107).
De rechtbank stelt -los van deze getalsmatige verschillen die in het dossier niet worden opgehelderd- vast dat niet duidelijk is of in de totaaltelling van 3680 stuks ook de 150 baby-nitraten zijn meegenomen. Zo staat in het PV COV (dossierpagina 106) vermeld dat naast het onderzochte en beschreven vuurwerk, ook 950 gram JCO5 nitraten is aangetroffen, waarmee mogelijk wordt gedoeld op baby-nitraten. De baby-nitraten zijn in het dossier nergens nader beschreven. De rechtbank kan slechts door een vergelijking van het fotomateriaal behorend bij de doorzoeking (fotoblad 10, dossierpagina 38) met de foto uit het PV COV (dossierpagina 90) opmaken dat het hier betreft een partij uit 2017, verpakt per 30 stuks, met volgens het etiket een netto explosieve massa (NEM) van 0,83 gram per stuk. In bijlage 02 bij het PV COV (dossierpagina 104) stelt verbalisant [verbalisant] , dat zij van de 3680 getelde nitraten de afmeting heeft vastgesteld (55 mm) en op het vuurwerk opschriften zag met betrekking tot het merk en type, de categorie-indeling (F3) en de netto explosieve massa, waarbij deze bevindingen zijn weergegeven in een tabel: Producent Jorge — Naam FP3 Artikel nr. Afmeting 55 mm NEM in gram 2,1 gram Aantal stuks 3680 stuks /47 kilo CE markering 2463-F3-0028. Verbalisant heeft het vuurwerk vervolgens ingedeeld bij lijst II van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten en aangekruist “dat knalvuurwerk van hetzelfde merk, naam, type en/of artikelnummer, met gelijke uiterlijke kenmerken als door mij onderzocht, is onderzocht door het NFI”.
De rechtbank concludeert dat in geval verbalisant de 150 baby-nitraten heeft meegenomen in de telling, deze niet apart zijn beschreven voor wat betreft type, artikelnummer en andere kenmerken zoals de lengte en het NEM-gehalte. Evenmin is ingegaan op de vraag of het bijgevoegde NFI-rapport ook van toepassing kan worden geacht op deze baby-nitraten, dit terwijl bijvoorbeeld het NEM-gehalte van 0,83 gram evident afwijkt van de nitraten die door het NFI in de andere zaak zijn onderzocht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de in beslag genomen baby-nitraten professioneel vuurwerk in de zin van art.1.1.2. Vuurwerkbesluit betreffen.
Voor zover verbalisant bedoelde baby-nitraten buiten de telling heeft gehouden, valt niet te begrijpen hoe het onderzoek zich heeft kunnen richten op totaal 3680 nitraten, terwijl volgens het PV doorzoeking slechts 2880 of maximaal 3540 nitraatbommen (verpakt in doosjes van 20) in beslag zijn genomen. Het bovenstaande brengt met zich mee dat hoe dan ook het in de tenlastelegging genoemde aantal nitraten niet kan worden bewezen verklaard.
Met betrekking tot de vraag of nitraten, zoals die zijn inbeslaggenomen bij verdachte thuis, vallen onder lijst II en professioneel vuurwerk betreffen voor particulier gebruik, overweegt de rechtbank het volgende. Verbalisant heeft in het PV COV het vuurwerk ingedeeld bij lijst II van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten en aangekruist “dat knalvuurwerk van hetzelfde merk, naam, type en/of artikelnummer, met gelijke uiterlijke kenmerken als door mij onderzocht, is onderzocht door het NFI. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit knalvuurwerk niet voldeed aan de gestelde eisen van het Vuurwerkbesluit en/of de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 en/of Regeling Aanwijzing Consumenten- en Theatervuurwerk”. Bovendien is door verbalisant gerelateerd dat de samenstelling van de knallading blijkt uit de NFI verklaring, te weten het NEt rapport met paginanummer: 2017.10.11.156 (001) en op basis van deze bevindingen wordt door verbalisant vastgesteld dat de 3680 nitraatbommen aan te merken zijn als professioneel vuurwerk.
De rechtbank acht van belang dat genoemd NFI-rapport in een strafzaak uit 2017 is opgemaakt, waarbij sprake was van een uitgebreid, ook technisch onderzoek naar onder andere het NEM-gehalte van een partij nitraten, terwijl in onderhavige zaak alleen onderzoek is verricht naar uiterlijke kenmerken, die door verbalisant kort zijn benoemd, als: producent Jorge, naam FP3, afmeting 55 mm, NEM 2,1 gram en CE markering 2463-F3-0028 (dossierpagina 104). Op de bijgevoegde foto’s in het PV COV is het etiket en de verpakking van de nitraten niet goed leesbaar afgebeeld. De rechtbank kan op basis van de bij de doorzoeking gemaakte foto’s (fotobladen 47 en 48, dossierpagina’s 75-76) zelfstandig nog wel waarnemen dat er inderdaad visueel overeenkomsten bestaan tussen de door het NFI onderzochte (dossierpagina’s 97, 102 en 103) en de bij verdachte thuis aangetroffen nitraatbommen: in beide gevallen is sprake van een bruin-roze koker, voorzien van een etiket met opdruk van onder andere “Jorge, CE0589, en NEC 2,1 g”. Er zijn echter ook duidelijke verschillen: de NFI-kokers zijn uit 2017 met op het cellofaan onder andere de aanduiding NEC 10,5 g, terwijl voor het overige deze cellofaanverpakking evident afwijkt qua tekst en kleuring van het cellofaan bij de inbeslaggenomen nitraten, die bovendien uit 2018 dateren en het opschrift hebben: 12 mm (fotobladen 14 en 47, dossierpagina’s 42 en 75). Ook de etiketten van de kokers zijn niet gelijkend en daarbij anders verpakt: per 5 stuks in de NFI zaak (dossierpagina 102) en per 20 stuks in onderhavige zaak. Evenmin is duidelijk of de witte dozen waarin de bij verdachte inbeslaggenomen nitraten verpakt zaten, ook in de NFI zaak als verpakkingsmateriaal dienden.
Gelet op deze uiterlijke verschillen acht de rechtbank van belang dat verbalisant niet is ingegaan op de vraag op basis waarvan is vastgesteld dat het hier knalvuurwerk met gelijke uiterlijke kenmerken betreft als is onderzocht door het NFI. Ook acht de rechtbank in dit licht van belang dat verbalisant kennelijk geen verder (technisch) onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de inbeslaggenomen nitraten, zodat de conclusie van verbalisant “dat de samenstelling van de knallading blijkt uit die NFI verklaring en dat daarmee sprake is van professioneel vuurwerk” naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd. Ook voor de vaststelling dat het hier vuurwerk van lijst II betreft (dat wil onder andere zeggen: met een NEM gehalte van minder dan 6 gram, dossierpagina 106) bevat het PV COV te weinig duidelijk geformuleerde aanknopingspunten.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot bewezenverklaring te komen van het onderdeel “3680 stuks nitraten (lijst II) zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier vuurwerk”, zodat verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging onder feit 2 moet worden vrijgesproken.
Overweging ten aanzien van feit 3:
Ten aanzien van feit 3 heeft de ten laste gelegde hoeveelheid van 1039,31 gram hashish blijkens de toelichting van de officier van justitie ter zitting betrekking op de bij de doorzoeking gevonden elf plakken bruine substantie (SIN [SIN-nummer] : 1032,38 gram) alsmede het in een los gripzakje aangetroffen brokje hashish (SIN [SIN-nummer] : 6,91 gram). Nog los van het feit dat de totale hoeveelheid van beide SIN-nummers niet overeenkomt met het in de tenlastelegging genoemde gewicht, blijkt SIN [SIN-nummer] niet betrekking te hebben op het door de officier van justitie genoemde gripzakje, maar op drie (kennelijk losse) gripzakjes, die echter niet in het proces-verbaal van doorzoeking (dossierpagina 19 e.v.) zijn terug te vinden. Evenmin is blijkens het onderzoek Verdovende Middelen (dossierpagina 108 e.v.) op de in die losse zakjes aangetroffen substantie enige cannabis test (op de aanwezigheid van de hashish werkzame stof THC) toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet de ten laste gelegde hoeveelheid van 1039,31 gram hashish, maar enkel ‘een hoeveelheid hashish’ bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij op 23 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 175 XTC-pillen, bevattende MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2:
hij op 23 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk
- 206 stuks Super Cobra 6 (lijst III),
zijnde een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
hij op 23 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 135,65 gram hennep en een hoeveelheid hashish, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2: het medeplegen van het overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
Feit 3: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5 Strafbaarheid van verdachte
Over verdachte is op 20 december 2018 door deskundige [deskundige] , GZ-psycholoog, een Pro Justitia rapportage opgesteld.
De psycholoog komt tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een autisme spectrum stoornis en dat hij kenmerken heeft van een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. Dit uit zich onder meer in deficiënties betreffende de cognitieve capaciteiten, het tekortschieten in sociale vaardigheden en in het maken van contacten. Verdachte is star in zijn denken en handelen, overziet oorzaak en gevolg onvoldoende, heeft de neiging impulsief ondoordacht en periodiek agressief te handelen en is snel extern afgeleid. Voorts is sprake van een lacunaire gewetensontwikkeling en een gebrekkig empathisch vermogen. Hij kan zich moeilijk in anderen inleven, is sterk egocentrisch ingesteld en is gericht op directe behoeftebevrediging. Hij externaliseert de verantwoordelijkheid en denkt niet na over zijn eigen aandeel. Zijn denken is eenvoudig en praktisch van aard. Hij kan moeilijk prioriteren anders dan zijn eigen directe behoeften te volgen. Er is bij verdachte sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, waarbij met name zijn rekencapaciteiten naar boven uitschieten. Op de overige gebieden functioneert hij op een beneden gemiddeld of laag niveau; een rand zwakbegaafd intelligentieniveau. Doordat verdachte in een hoog opgeleid gezin opgroeit, krijgt hij veel algemene kennis en woordenschat mee. Dit zorgt ervoor dat hij makkelijk te overschatten is. Voornoemde stoornissen hebben alle een overlap, echter voldoet verdachte niet aan de criteria van een verstandelijke beperking, ADHD of een gedragsstoornis.
Gezien het chronische karakter waren de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling ook al ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig en hebben deze de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het begaan van de feiten beïnvloed. Hij heeft een grote behoefte aan geld, waar hij niet zozeer iets voor wil kopen maar het graag wil hebben. Daarnaast is verdachte een jongen die sociaal altijd moeite heeft gehad aansluiting te vinden. Het dealen gaf hem aanzien en bestaansrecht, zo valt te lezen in de rapportage.
Hij heeft een slecht zicht op oorzaak en gevolg en bagatelliseert en externaliseert dit volledig vanuit zijn beperkte cognitieve capaciteiten en de problemen met perspectiefname en empathie. Hij had wel gedragsalternatieven, maar de voordelen op sociaal gebied waren dermate groot dat hij dit moeilijk kon laten schieten. Doordat hij geen zicht heeft op de negatieve gevolgen en de risico’s van dit gedrag, is er voor hem geen reden geweest om niet te gaan dealen. Hij lijkt oprecht niet goed te begrijpen waarom hij niet zou dealen. De psycholoog concludeert dan ook dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht.
Wat betreft de kans op recidive heeft de psycholoog aangegeven dat het loslaten van het ‘bedrijf’, dat verdachte zelf zonder de hulp van zijn ouders had opgezet, wat hem bestaansrecht gaf en voorzag in de gewilde sociale contacten, lastig voor hem zal zijn. Er bestaat dus een risico voor het opnieuw opzetten van een crimineel ‘bedrijf’. Hij lijkt de bedrijfsrisico’s van het opgepakt worden momenteel zelfs al mee te wegen en lijkt al te bedenken hoe het volgende keer beter aan te pakken. Zonder justitieel ingrijpen wordt de kans op recidive door de psycholoog dan ook als hoog ingeschat. De risicofactoren daarin zijn de omgang met criminele jongeren, zijn neiging tot impulsiviteit en het niet goed kunnen overzien van de gevolgen van zijn eigen gedrag. Daarbij komt nog de sociale afwijzing die hij veel ervaren heeft, het al op jonge leeftijd in aanraking zijn gekomen met de politie, de problemen met school en zijn dagbesteding en de neiging te externaliseren. Daarnaast wil hij eigenlijk niet meer hard werken voor een paar euro per uur nu hij heeft gemerkt hoe het ook kan. Zijn toekomst is onzeker, nu hij geen passende scholing heeft gevonden die hem leuk lijkt. Anderzijds zijn de intensieve steun van en de band met zijn ouders beschermende factoren.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Nu echter geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit, is verdachte wel strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van alle drie feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdvijftig (150) uren bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door vijfenzeventig (75) dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft zij gevorderd een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor de duur van zes (6) weken met een proeftijd van twee (2) jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte zich laat begeleiden door de Jeugd- & Gezinsbeschermers, dat hij onderwijs zal volgen en/of zinvolle dagbesteding heeft, dat hij meewerkt aan de Forensische Ambulante Systeem Therapie van de Waag en dat hij zich houdt aan de avondklok zolang de jeugdreclassering dit nodig acht en die indien nodig door de jeugdreclassering kan worden aangepast.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van verdachte heeft gemaakt dat hij de ernst van de (gevolgen van) onderhavige feiten niet goed heeft kunnen overzien. Hij is weliswaar lang begeleid, maar hij is op dit punt nog onvoldoende behandeld. Deze behandeling kan worden opgelegd in het kader van een voorwaardelijk op te leggen straf(deel). De verdediging kan zich vinden in het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf, omdat verdachte moet ervaren dat wat hij heeft gedaan niet mag en kan. Oplegging van voorwaardelijke jeugddetentie, zoals door de officier van justitie is gevorderd, vindt de verdediging een stap te ver. De verdachte heeft reeds elf dagen in voorarrest gezeten en hij wil niet terugkeren naar een justitiële jeugdinrichting. Een voorwaardelijke werkstraf zal door verdachte als een voldoende pressiemiddel worden ervaren, zeker gelet op de vervangende jeugddetentie die daartegenover staat als hij de werkstraf niet (naar behoren) verricht.
De verdediging verzoekt de rechtbank enkel een werkstraf op te leggen van tweehonderd (200) uren, waarvan honderdvijfentwintig (125) uren voorwaardelijk en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad van de Kinderbescherming zijn geadviseerd en door de officier van justitie zijn gevorderd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 175 XTC-pillen, 135,65 gram hennep en een hoeveelheid hashish. Gelet op de in de woning van verdachte aangetroffen grote hoeveelheden verdovende middelen is de rechtbank, ondanks de partiële vrijspraak van de handel hierin, van oordeel dat deze middelen niet (enkel) voor eigen gebruik waren bestemd. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Dit heeft nadelige maatschappelijke gevolgen, zoals schade voor de gezondheid van personen en overlast als gevolg van strafbare feiten die gepleegd worden door de gebruikers van deze verdovende middelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Verder heeft verdachte professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik tezamen en in vereniging met anderen in zijn woning voorhanden gehad, terwijl in diezelfde woning zijn zusje en ouders verbleven. Het betrof vuurwerk dat uitsluitend onder strenge voorwaarden door deskundigen mag worden afgeschoten en het voorhanden hebben daarvan is zeer gevaarzettend. Ondeskundig gebruik van dit vuurwerk brengt grote gevaren voor de gebruiker, maar ook voor anderen met zich mee. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, terwijl hij wist dat dit vuurwerk illegaal was, toch tot de aankoop daarvan is overgegaan en hierbij grote risico’s heeft genomen. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met het genoemde grote gevaar voor letsel van omstanders en het gevaar voor zware schade bij omwonenden of goederen in de omgeving, waaronder zijn eigen gezin.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank, naast op de hiervoor onder 5. genoemde rapportage, in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 30 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar wel in 2017 ter zake van overtreding van de Opiumwet een transactie van de leerstraf Tools4U voor de duur van twintig (20) uren heeft aanvaard, waarbij hij zich tevens gedurende zes (6) maanden heeft gehouden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;
- het over de verdachte uitgebrachte rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), gedateerd 8 maart 2019, uitgebracht door [medewerker de Raad] .
In voornoemde rapportage komt onder meer naar voren dat verdachte zich over het algemeen goed aan de schorsingsvoorwaarden, waaronder het elektronisch toezicht, de avondklok en andere afspraken heeft gehouden; in zoverre stelt hij zich begeleidbaar op. Ook de ouders merken sindsdien dat verdachte een stuk rustiger is en beter is aan te spreken op zijn gedrag. Sinds oktober 2018 is verdachte gestart met een opleiding op het ROC en hij loopt op dit moment stage bij een bouwmarkt. Deze stage loopt over het algemeen goed, maar verdachte heeft intussen bijvoorbeeld wel geprobeerd om collega’s te werven aan wie hij wat zou kunnen verkopen. Waarom hij zich bezig heeft gehouden met het plegen van strafbare feiten, ondanks dat de ouders daar geregeld met hem over in gesprek gaan, weet verdachte niet. Hij weet wel dat hij de gevolgen enorm heeft onderschat. Vooralsnog lijkt het nog onvoldoende te zijn gelukt om zijn motivatie met betrekking tot zijn inzet om geld te verdienen met de handel in drugs af te doen laten nemen. Hij heeft ervaren dat hij met weinig inzet veel geld kan verdienen en het is onzeker of hij van plan is dat op te geven. De noodzakelijk geachte begeleiding/behandeling zal daar dan ook met name op gericht moeten zijn, wat vanwege zijn diagnose geen makkelijke opgave zal zijn.
Voorts blijkt uit de rapportage dat verdachte sinds zijn aanhouding voor onderhavige feiten is gestopt met roken en blowen. Sinds maart 2019 is verdachte gestart met medicatie gericht op zijn aandachtsproblematiek. De verdachte is van mening dat hij nu hierdoor beter in staat is om zich te concentreren en dat hij ook rustiger is geworden.
De Raad heeft benoemd dat er meerdere risicofactoren zijn aangetoond in de domeinen van vaardigheden, vrije tijd en geestelijke gezondheid. Deze factoren lijken echter samen te hangen met de diagnose van verdachte, welke ook is gesteld in het persoonlijkheidsonderzoek. De verdachte gaat om met antisociale leeftijdsgenoten waartegen hij niet altijd weerstand kon bieden en hij heeft moeite met oorzaak-gevolg-relaties, zelfinzicht en gewetensfuncties. De kenmerken van ADHD kunnen onnadenkendheid en impulsief gedrag versterken.
De kans op recidive wordt door de Raad als gemiddeld ingeschat. Om de kans op recidive te verkleinen, is het van belang dat er behandeling wordt ingezet die niet alleen gericht is op verdachte, maar ook op het gehele gezin. Het is van belang dat hij leert (sociale) situaties in te schatten en inzicht krijgt in oorzaak en gevolg. Hij heeft dit nodig om de consequenties van zijn eigen handelen te kunnen overzien, zodat hij vaardiger wordt om de juiste keuzes te maken. De Raad heeft Forensische Ambulante Systeem Therapie (hierna: FAST) geadviseerd, nu deze behandeling als doel heeft om bij jongeren met antisociaal en grensoverschrijdend gedrag terugval in dit probleemgedrag te verminderen en een eventuele uithuisplaatsing te voorkomen. Deze therapie sluit goed aan bij de uitkomsten en het advies vanuit het persoonlijkheidsonderzoek. Deze verplicht te stellen behandeling dient geborgd en gecoördineerd te worden vanuit eveneens verplicht te stellen begeleiding vanuit de jeugdreclassering. De verdachte heeft aangegeven het niet noodzakelijk te vinden dat hij verplicht wordt begeleid. Op het moment dat sprake is van een verplicht kader, stelt hij zich echter wel begeleidbaar op en gaat het ook beter met hem.
De Raad heeft dan ook geadviseerd om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met de algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij en toezicht en begeleiding door de Jeugd- en Gezinsbeschermers, dat verdachte mee zal werken aan de behandeling FAST bij de Waag, dat hij mee zal werken aan een avondklok zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en dat hij onderwijs zal volgen en/of een zinvolle dagbesteding zal hebben.
Ter aanvulling heeft [medewerker de Raad] namens de Raad ter terechtzitting aangegeven dat de Waag middels de behandeling FAST verdachte en zijn gezin maatwerk kan bieden. Deze behandeling is niet alleen systeemtherapie, maar is ook individueel op verdachte gericht. De Raad acht het van groot belang dat het gezin bij de behandeling van verdachte betrokken wordt. De Waag kan met de FAST behandeling meer bieden dan Multi Systeem Therapie (hierna: MST), waarbij zij ook mogelijkheden heeft om de behandeling uit te breiden. Verder is de afgelopen periode gebleken dat verdachte goed omgaat met de begrenzing, structuur en duidelijkheid die hem middels het elektronisch toezicht en de avondklok is geboden; hij gedijt goed bij deze strakke kaders. Wel heeft de Raad ter zitting aangevuld de bijzondere voorwaarde van een avondklok op te leggen zolang de jeugdreclassering dit nodig acht en dat deze indien nodig door de jeugdreclassering kan worden aangepast. Er wordt niet geadviseerd om ook het elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen, omdat verdachte na een relatief lange periode ook zonder elektronisch toezicht zichzelf dient leren te gedragen.
De ouders van verdachte hebben ter zitting aangegeven, dat de in de rapportages beschreven problematiek van verdachte ook ter zitting voelbaar en merkbaar is geweest. De verdachte is door de geboden begrenzing, structuur en duidelijkheid alsook door de medicatie rustiger geworden, maar dit is niet de oplossing van zijn problematiek. Naast begeleiding dient verdachte behandeld te worden, waarbij de ouders graag betrokken willen blijven.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij de rechtbank er ook rekening mee heeft gehouden dat de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen niet (enkel) voor eigen gebruik waren bestemd, is zij van oordeel dat oplegging van een aanzienlijke werkstraf gerechtvaardigd is. Nu de noodzaak tot behandeling zeer groot is en dit via het opleggen van bijzondere voorwaarden kan worden gewaarborgd, zal zij naast een onvoorwaardelijke werkstraf ook een aanzienlijke voorwaardelijke straf opleggen. Wat betreft de strafmodaliteit van deze voorwaardelijk op te leggen straf, heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte zal worden vrijgesproken van een aanzienlijk deel van het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk, te weten van 3680 nitraten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het moeten werken zonder daarvoor te worden betaald bij verdachte meer als de noodzakelijk geachte stok achter de deur zal worden ervaren dan een voorwaardelijke jeugddetentie, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Gelet hierop en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren opleggen. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering van de Jeugd- en Gezinsbeschermers noodzakelijk. Verder dient verdachte mee te werken aan een avondklok, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt, waarbij de avondklok indien nodig door de jeugdreclassering kan worden aangepast, alsook aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding. Tot slot acht de rechtbank het nodig dat verdachte, gelet op zijn problematiek, Forensische Ambulante Systeem Therapie bij de Waag ondergaat, dan wel een vergelijkbare behandeling bij een soortgelijke instelling. De rechtbank overweegt hierbij het voor de ontwikkeling van verdachte en voor het terugdringen van de kans op recidive van groot belang te vinden dat, met betrokkenheid van het gezin, onder meer aandacht wordt besteed aan het aanleren van vaardigheden waardoor hij (sociale) situaties leert inschatten en inzicht krijgt in oorzaak en gevolg.
7 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg van het Wetboek van Strafrecht;
2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet;
1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
9.2.2.1. van de Wet milieubeheer en
1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.
8 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERD (200) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door honderd (100) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot HONDERDTWINTIG (120) UREN bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
-
zich zal melden bij de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de Jeugd- & Gezinsbeschermers te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
-
zal meewerken aan behandeling van zijn problematiek middels Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST) bij de Waag of een vergelijkbare behandeling bij een soortgelijke instelling;
-
zal meewerken aan een avondklok, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt en die indien nodig door de jeugdreclassering kan worden aangepast en
-
zal meewerken aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding.
Geeft opdracht aan de Jeugd- en Gezinsbeschermers, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat – naar de maatstaf van twee (2) uren per dag – tweeëntwintig (22) uren werkstraf subsidiair elf (11) dagen vervangende jeugddetentie in mindering worden gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.A. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. L. van Dijk, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.R. Mol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2019.