Strafrecht overig

Verdachte veroordeeld voor een gevangenisstraf van 30 maanden wegens de opzettelijke invoer van ruim 3 kilo…

Rechtbank Noord-Holland, 23 juni 2020

Zaakgegevens

Op 23 juni 2020 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
23 juni 2020
Datum publicatie
25 juni 2020
Zaaknummer
15/009426-20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:4635
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte veroordeeld voor een gevangenisstraf van 30 maanden wegens de opzettelijke invoer van ruim 3 kilo cocaïne. Een inbeslaggenomen telefoon en geldbedrag van 880 euro worden teruggegeven aan verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/009426-20

Uitspraakdatum: 23 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.P. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 11 januari 2020 (dossierpagina’s 63-67);

  • het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 6 februari 2020 (dossierpagina’s 97A-97B);

  • een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium d.d.

16 januari 2020, met laboratoriumnummer 428 X 20, opgemaakt door [deskundige] .

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 880,-. Ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoon (Samsung), heeft de officier van justitie gevorderd deze te retourneren aan verdachte.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat verdachte uitvoerig heeft verklaard dat hij vanwege financiële omstandigheden is gekomen tot dit feit. De raadsman heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim drie kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne die verdachte bij zich had, kan het niet anders dan dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Daarmee is verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die de handel in en het gebruik van verdovende middelen veroorzaken. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof en aantasting van het financiële verkeer door het met de drugshandel gepaard gaande witwassen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de hoogte van straffen die plegen te worden opgelegd aan koeriers die een vergelijkbare hoeveelheid aan harddrugs hebben ingevoerd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De hoeveelheid cocaïne die verdachte heeft ingevoerd sluit aan bij een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. De rechtbank heeft oog voor de moeilijke persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte. Deze omstandigheden zijn echter niet zo anders dan de omstandigheden waarin vele drugskoeriers verkeren, dat zij aanleiding vormen om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten, zoals door de raadsman is bepleit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoon (Samsung) dient te worden teruggegeven aan verdachte. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 880,-, dient te worden teruggegeven aan verdachte. Zoals de raadsman heeft bepleit, kan de rechtbank niet vaststellen dat dit geldbedrag (gedeeltelijk) door middel van of uit de baten van het misdrijf is verkregen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (zegge: dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- PL2700-20-003290-5 – Geld (€880,-)

- PL2700-20-003290-6 Telefoon (Samsung).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. ten Bos, voorzitter,

mrs. F.W. van Dongen en C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J.A. Huismans en mr. S. Bähler,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni 2020.

Mr. de Jonge van Ellemeet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.