Strafrecht overig
Alles riekt naar een vooropgezet plan, maar uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank…
Rechtbank Noord-Holland, 11 maart 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:2576 · Rechtbank Noord-Holland · 11 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2025-2576
Zaakgegevens
Op 11 maart 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 11 maart 2025
- Datum publicatie
- 11 maart 2025
- Zaaknummer
- 15.214331.24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:2576
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Alles riekt naar een vooropgezet plan, maar uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wat de toedracht is geweest en wat er zich tussen de auto’s precies heeft afgespeeld.
Die onduidelijkheid leidt ertoe dat de rechtbank, hoewel zij ernstig twijfelt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, tot de conclusie komt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ten laste gelegde gronddelict, te weten de diefstal met geweld van de rugzak. De vast te stellen feiten ten aanzien van de toedracht van het voorval bieden namelijk onvoldoende basis voor een uit de uiterlijke verschijningsvorm van die feiten af te leiden oordeel over het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de ten laste gelegde diefstal van de rugzak. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.214331.24 (P)
Uitspraakdatum: 11 maart 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 september 2024, 23 december 2024 en 25 februari 2025 in de zaak tegen:
[verdachte 1] ,
geboren op [geboortedatum en -plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Rademacher en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, op de openbare weg, de Dobbeven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugtas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk
geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [slachtoffer] bij zijn rechter bovenarm beet te pakken, althans vast te pakken en/of
- (vervolgens) een arm om de nek van die [slachtoffer] te klemmen en/of geklemd te houden en/of
- die [slachtoffer] (meermalen) te slaan tegen zijn lichaam en/of
- te worstelen met die [slachtoffer] en/of
- met een vuurwapen, althans (met een op een vuurwapen gelijkend) voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Standpunten van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van het voorarrest van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft tot integrale vrijspraak gepleit en heeft daartoe aangevoerd dat uit de stukken niet kan worden vastgesteld dat de medeverdachte [verdachte 1] opzet heeft gehad op het gronddelict, te weten het medeplegen van de ten laste gelegde diefstal met geweld.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voor een bewezenverklaring van de onderhavige feiten is vereist dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de diefstal met geweld zoals ten laste is gelegd.
De verdachte heeft op de terechtzitting een verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid en zijn rol op de plaats delict. De verdachte heeft verklaard dat hem is verteld dat het slachtoffer (zonder geweld) moest worden aangesproken omdat hij een familielid van een bekende had lastiggevallen. Voor hem was het niet voorzienbaar dat het tot een worsteling zou komen met het slachtoffer. Hij is met de medeverdachte [naam] naar en van de plaats delict gereden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij geen volledige openheid van zaken gegeven.
In het dossier bevinden zich aanwijzingen voor een vooropgezet plan. Zo zijn onder de auto van het slachtoffer twee trackers gevonden. De twee verdachten zijn samen en tegelijkertijd met twee andere personen met twee auto’s naar de plaats delict gereden. In iedere auto zat een bestuurder en een bijrijder. Van de auto waarin [naam] de bestuurder en [verdachte 1] de bijrijder was, was het voorste kenteken deels afgeplakt. De twee bijrijders zijn op de plaats delict uit de auto’s gestapt, waarbij de andere bijrijder (niet zijnde [verdachte 1] ) gezien is met een (nep)wapen in zijn hand. De twee bijrijders zijn afgelopen op het slachtoffer dat tussen twee geparkeerde auto’s, waaronder die van hemzelf, stond te wachten op zijn zoontje die zou worden afgezet. Het slachtoffer is vastgepakt, geslagen en heeft een hoofdwond opgelopen, waarna de persoon die door de politie is aangeduid als NN1 (niet zijnde [verdachte 1] ) de rugzak heeft meegenomen uit de auto van het slachtoffer. Vervolgens zijn [verdachte 1] en [naam] en de twee andere personen met hoge snelheid gevlucht in de twee auto’s. Alles riekt naar een vooropgezet plan, maar uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wat de toedracht is geweest en wat er zich tussen de auto’s precies heeft afgespeeld.
Die onduidelijkheid leidt ertoe dat de rechtbank, hoewel zij ernstig twijfelt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, tot de conclusie komt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ten laste gelegde gronddelict, te weten de diefstal met geweld van de rugzak. De vast te stellen feiten ten aanzien van de toedracht van het voorval bieden namelijk onvoldoende basis voor een uit de uiterlijke verschijningsvorm van die feiten af te leiden oordeel over het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de ten laste gelegde diefstal van de rugzak. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.
4 Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij heeft een [slachtoffer] vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.
5 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mrs. M.C.J. Lommen en B. Voogd, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 maart 2025.