Strafrecht overig

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden voor de invoer van zes kilogram cocaïne.

Rechtbank Noord-Holland, 25 februari 2025

Zaakgegevens

Op 25 februari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25 februari 2025
Datum publicatie
28 mei 2025
Zaaknummer
15-265758-24 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:5917
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden voor de invoer van zes kilogram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-265758-24 (P)

Uitspraakdatum: 25 februari 2025

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 november 2024 en 11 februari 2025 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 20 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 20 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van de bepalingen van het jeugdstrafrecht een straf te vorderen. Zij heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een jonge, beïnvloedbare vrouw die in een kwetsbare periode in haar leven verkeerde. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van zes kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van veelal zware criminaliteit, waaronder levensdelicten en ernstige bedreigingen en daarnaast de strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook daarom worden forse straffen opgelegd voor de invoer van cocaïne.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2025, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak op 18 november 2024 aangehouden, om de reclassering een rapportage op te laten stellen waarbij onderzocht moest worden of er aanleiding was om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank heeft in dit kader acht geslagen op de bevindingen in het rapport van de reclassering van 7 februari 2025. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er geen indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstafrecht. De reclassering overweegt dat de verdachte niet jonger overkomt dan haar kalenderleeftijd doet verwachten, er geen aanwijzingen zijn voor een licht verstandelijke beperking en geen noodzaak is gebleken van het continueren van school of voor deelname aan een groep met een pedagogisch klimaat. De reclassering adviseert dan ook om het volwassenstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, dagbesteding en inzage in de financiële situatie.

Ten aanzien van de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit 22 jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dat een meerderjarige verdachte wordt berecht volgens het volwassenstrafrecht, tenzij de rechtbank in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan grond ziet om op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank ziet op basis van de inhoud van het reclasseringsrapport en het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur een passende straf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de invoer van een hoeveelheid harddrugs met een gewicht van tussen 6.000 tot 7.000, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 tot 42 maanden.

De rechtbank houdt verder rekening met de jonge leeftijd van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden en ziet hierin aanleiding om de op te leggen straf enigszins te matigen.

De rechtbank ziet geen reden voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel. De door de reclassering geadviseerde voorwaarden kunnen ook worden verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank betrekt hierin dat de verdachte beter af is met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nagenoemde duur dan oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd door de officier van justitie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, in dit geval passend is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Sv.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. G.D. Kleijne en mr. I. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2025.